Parketnummer: 400.00268/24
Uitspraak: 27 februari 2025 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats],
wonende op Bonaire, [adres].
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2025. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.T.C. Nicolaas, advocaat op Bonaire.
De officier van justitie, mr. D.C. Smits, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht verdachte vrijspreekt van het onder feit 2 ten laste gelegde en het onder feit 1 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest en als bijzondere voorwaarden:
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij, op of omstreeks 20 oktober 2024 op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad een vuurwapen of een ander soortgelijk voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp en/of munitie, in elk geval een of meer scherpe patro(o)nen, zijnde een vuurwapen en/of munitie in de zin van de Vuurwapenwet BES;
Feit 2
hij, op of omstreeks 20 oktober 2024 op het eiland Bonaire, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 128 lid 1 Wegenverkeersverordening Bonaire, gedaan door een opsporingsambtenaar in de zin van artikel 184 Wetboek van Strafvordering BES, te weten agenten en/of brigadiers van het Korps Politie Caribisch Nederland [agent 1] en/of [agent 2] en/of [agent 3] door, nadat deze ambtenaren hem hadden bevolen en/of hadden gevorderd tot het doen stilhouden van een voertuig, hieraan geen gevolg te geven.
Voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak van feit 2
Het Gerecht is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte van feit 2 moet worden vrijgesproken. De verplichting, neergelegd in artikel 128 Wegenverkeersverordening Bonaire, tot het stilhouden van het voertuig op eerste vordering van een ambtenaar, is een verplichting gericht tot de bestuurders van voertuigen. Het houdt niet uitdrukkelijk in dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering. Aldus is geen sprake van het niet voldoen aan een bevel of vordering, gegeven krachtens enig wettelijk voorschrift.
Vrijspraak van feit 1
De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen in de auto, in elk geval vanaf het moment dat [medeverdachte] meedeelde dat hij een ‘pipa’ bij zich had. Verdachte heeft ook feitelijke macht hierover kunnen uitoefenen omdat hij de bestuurder van de auto was, en ervoor heeft gekozen samen met [medeverdachte] en het wapen te vluchten voor de politie. Verdachte heeft hiermee op 20 oktober 2024 samen met [medeverdachte] het vuurwapen voorhanden gehad.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat verdachte niet direct afstand kon nemen van zijn vriend, en daarmee van het wapen. Van verdachte kon niet verwacht worden dat hij zijn vriend zou aangeven bij de politie.
Het Gerecht is van oordeel dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen op 20 oktober 2024. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie.
Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van de (Vuur)wapenwet BES. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.
Uit het dossier en de verklaring van verdachte ter zitting van 27 februari 2025 leidt het Gerecht het volgende af.
Op 20 oktober 2024 reed verdachte samen met zijn vriend, medeverdachte [medeverdachte], en een meisje in de auto. Verdachte was de bestuurder van de auto. Verdachte heeft geen rijbewijs. De medeverdachte zat op de bijrijdersstoel, en had een zwart tasje bij zich. Verdachte zag op een gegeven moment dat er een politieauto achter hem reed. Medeverdachte [medeverdachte] zei even later tegen verdachte dat de politie de zwaailichten had aangezet en dat verdachte door moest rijden omdat hij een ‘pijp/pipa’ (het Gerecht begrijpt: vuurwapen) bij zich had. De medeverdachte bleef tegen verdachte schreeuwen om door te rijden. Verdachte is niet gestopt voor de politie maar door blijven rijden. Op een gegeven moment zijn ze bij een doodlopende weg gestopt en daar heeft de medeverdachte zijn tas uit de auto gegooid. Even later zijn verdachte en de medeverdachte aangehouden. In het tasje van de medeverdachte wordt een vuurwapen aangetroffen.
Het Gerecht oordeelt dat dit een situatie is waarin de verdachte onverwachts kennis krijgt van de aanwezigheid van een wapen van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen. Hij werd onverwacht geconfronteerd met de aanwezigheid van het vuurwapen waardoor hem geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Pas op het moment dat de medeverdachte ziet dat er een politieauto met de zwaailichten aan achter hun auto rijdt, vertelt hij dat hij een wapen bij zich heeft. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte al eerder wist dat zijn vriend een vuurwapen bij zich had. Verdachte werd zich dus pas bewust van het feit dat zijn vriend een vuurwapen bij zich had, toen hij dat tegen hem schreeuwde. Dat verdachte op dat moment niet direct stopte, maar met zijn vriend wegreed voor de politie, maakt niet dat verdachte vanaf dat moment als medepleger van het voorhanden hebben van het vuurwapen kan worden aangemerkt. Waarbij het Gerecht mede heeft gelet op het feit dat verdachte geen rijbewijs heeft en (ook) om die reden niet wilde stoppen voor de politie.
De verdachte zal daarom worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door mr. S.D. Rodenboog, griffier, en op 27 februari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.