parketnummer: 400.00285/24
uitspraak: 13 maart 2025 tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats],
wonende op Bonaire, [adres],
thans gedetineerd in de Justitiële Inrichting Caribisch Nederland op Bonaire.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek op de openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2025. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman: mr. E.J. Winkel, advocaat op Bonaire.
De officier van justitie, mr. A. Rienhart-Martis, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte meewerkt aan begeleiding door de reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van een behandeling bij MHC.
De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] wordt toegewezen tot een bedrag van $ 750,00 aan immateriële schade, en voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De raadsman heeft bepleit dat zowel ten aanzien van feit 1 als feit 2 een ‘op een vuurwapen gelijkend voorwerp’ bewezen wordt verklaard. De raadsman heeft verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
Tenlastelegging
Aan de verdachte zijn de feiten ten laste gelegd die zijn vermeld op de dagvaarding. Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.
Bewezenverklaring
Het Gerecht vindt - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:
1. op 22 november 2024 op het eiland Bonaire [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met gebruikmaking van wapenen als bedoeld in artikel 1 van de Wapenwet BES door opzettelijk dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en vervolgens meermalen met dat vuurwapen te schieten en daarbij opzettelijk dreigend de woorden toe te voegen; "si bo mishi ku mi mi ta tira bo" (Nederlandse vertaling: "als je mij aanraakt dan schiet ik jou");
2. op 22 november 2024 op het eiland Bonaire voorhanden heeft gehad een ander soortgelijk voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp, zijnde een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenwet BES.
Het Gerecht vindt niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Proces-verbaal van verhoor aangever [benadeelde partij] d.d. 25 november 2024, p. 17 e.v.:
Op 22 november 2024 was ik buiten bij de Tronko snack. Ik zag iemand lopen die mij aansprak. Ik was boos en zei dat ik hem anders zou slaan. Hij zei toen: “si bo mishi ku mi mi ta tira bo”, wat betekent dat als je mij aanraakt dan schiet ik jou. Ik zag dat hij een vuurwapen op mijn hoofd richtte, waardoor ik in de loop van het vuurwapen keek. Daarna zag ik dat hij het vuurwapen iets omhoog deed, waarna hij een schot boven mijn hoofd loste. Ik hoorde een hele harde knal. Op een gegeven moment zag en hoorde ik dat hij nog drie keer in de lucht schoot, waarna hij hard wegrende.
De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd op de terechtzitting van 13 maart 2025:
Ik liep op 22 november 2024 naar huis, [benadeelde partij] riep mij. Ik heb in de lucht geschoten, om hem bang te maken. Ik had het wapen bij mij. Het lijkt op een echt wapen, maar het was een luchtdrukwapen.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 298 Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, met gebruikmaking van een wapen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de (Vuur)wapenwet BES.
Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3 Vuurwapenwet BES en strafbaar gesteld in artikel 11 Vuurwapenwet BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenwet BES.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de hoogte op te leggen straf heeft het Gerecht gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Daarbij heeft het Gerecht rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De bewezenverklaarde feiten zijn ernstige feiten, die de oplegging van een (gedeeltelijk) onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Het Gerecht gaat er vanuit dat de verdachte geen echt vuurwapen had, maar een op een vuurwapen gelijkend luchtdrukpistool. Om die reden komt het Gerecht tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. Het Gerecht houdt er daarbij ook rekening mee dat kort voordat dit gebeurde de neef van de verdachte was doodgeschoten, wat voor veel beroering op Bonaire heeft gezorgd. Het Gerecht vindt het voorstelbaar dat de verdachte zich angstig en gespannen voelde in die periode. Hoewel de verdachte de angst voor vuurwapens op Bonaire feitelijk alleen maar groter heeft gemaakt door met een luchtdrukwapen rond te lopen op straat en daarmee zelfs te gaan schieten.
Het Gerecht houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder het positieve rapport van de reclassering en het feit dat de verdachte niet eerder voor het plegen van een strafbaar feit is veroordeeld. Uit het rapport van de reclassering van 13 februari 2025 maakt het Gerecht op dat de verdachte kwetsbaar is en begeleiding en behandeling nodig heeft. De reclassering heeft geadviseerd aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met bijzondere voorwaarden.
Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld. Als bijzondere voorwaarde zal worden opgelegd dat de verdachte zich zal laten begeleidden door de reclassering.
De vordering tot schadevergoeding
De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt USD 2.775,-- aan materiele schade (loonderving) en USD 2.500,-- aan immateriële schade.
De verdediging heeft de vordering ten aanzien van het materiele gedeelte betwist.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij] als gevolg van het handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van USD 500,00 (vijfhonderd Amerikaanse dollars), ter zake van geleden immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het Gerecht is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor beslissing in de strafzaak. De benadeelde partij kan daarom in zoverre niet worden ontvangen en dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Het Gerecht ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 38f van het Wetboek van Strafrecht BES aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.
Voorts wordt de verdachte veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken. De tot nu toe gemaakte kosten zijn begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften:
De op te leggen straf en maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 17b, 17c, 17d, 31 en59 van het Wetboek van Strafrecht BES.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 12 (twaalf) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 7 (zeven) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;
als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat:
- de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Stichting Reclassering Caribisch Nederland, zulks zolang deze instelling dat nodig acht;
geeft opdracht aan de reclassering toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde straf;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij] geleden schade toe tot een bedrag van USD 500,00 (zegge: vijfhonderd Amerikaanse dollar), en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van USD 500,00 (vijfhonderd Amerikaanse dollars), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door mr. F. Kruiswijk, griffier, en op 13 maart 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.
De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.