Parketnummer: 400.00310/22
Beslissing ex artikel 17h Wetboek van Strafrecht BES op de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke opgelegde straf
1. Ontstaan en loop van de procedure
Op 1 juli 2025 heeft de officier van justitie schriftelijk de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd, zoals opgelegd bij het onherroepelijk geworden vonnis van dit Gerecht van 23 mei 2024 tegen de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats], wonende te Bonaire, [adres] (piva adres).
De vordering is ter openbare terechtzitting van dit Gerecht op 21 augustus 2025 behandeld.
De veroordeelde is niet ter terechtzitting verschenen.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de bij vonnis van 23 mei 2024 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden ten uitvoer wordt gelegd.
2. Beoordeling
De veroordeelde is bij vonnis van 23 mei 2024 veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 lid 1 onder C en artikel 4 lid 1 onder B van de Opiumwet 1960 BES, tot een gevangenisstraf voor de d00 van drie maanden voorwaardelijk, proeftijd van 2 jaren. Als algemene voorwaarde is opgelegd dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet aan enig strafbaar feit schuldig zal maken. Als bijzondere voorwaarde is gesteld dat veroordeelde een werkstraf voor de duur van 80 uren zal verrichten.
Uit het reclasseringsrapport van 10 januari 2025 blijkt dat de veroordeelde wel een korte periode heeft gewerkt in het kader van de werkstraf, maar dat hij na eind juni 2024 niet meer is verschenen op de werkplek en sindsdien ook niet meer bereikbaar is voor de reclassering. De reclassering heeft veel moeite gedaan om in contact te komen met de veroordeelde, maar zonder resultaat. Ook de politie kan de veroordeelde niet vinden. De veroordeelde heeft van 18 juni 2024 tot en met 28 juni 2025 bij de Animal Shelter gewerkt. Van de opgelegde 80 uren werkstraf heeft de veroordeelde 22 uren gewerkt.
Het Gerecht stelt vast dat de werkstraf gedeeltelijk niet uitvoerbaar is gebleken. De veroordeelde heeft daarmee zijn bijzondere voorwaarde overtreden.
Met betrekking tot de vraag of de voorwaardelijk opgelegde straf geheel ten uitvoer moet worden gelegd, overweegt het Gerecht het volgende.
Op Bonaire bestaat de werkstraf niet als hoofdstraf – in tegenstelling tot in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Europees Nederland. Op Bonaire kan een werkstraf alleen worden opgelegd als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf. In de andere landen van het Koninkrijk geldt overal ongeveer dezelfde wettelijke regeling. Deze luidt als volgt:
Tegenover een werkstraf voor de duur van 80 uren zou in de andere landen van het Koninkrijk een vervangende hechtenis van 40 dagen staan.
Het Gerecht zoekt bij de tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straffen waarbij het er enkel om gaat dat de werkstraf niet (goed) is uitgevoerd, aansluiting bij de zojuist omschreven regeling zoals die in de rest van het Koninkrijk geldt. Veroordeelde heeft 58 uren niet gewerkt van de in totaal 80 uren opgelegde werkstraf. Tegenover 58 uren werkstraf staat in de rest van het Koninkrijk 29 dagen vervangende hechtenis. Dit is voor het Gerecht aanleiding om in de zaak van veroordeelde niet de tenuitvoerlegging van de volledige 3 maanden te gelasten, maar deze te beperken tot 29 dagen.
Het Gerecht wijst de vordering van de officier van justitie dan ook gedeeltelijk toe en gelast de tenuitvoerlegging van 29 dagen gevangenisstraf.
3. Beslissing
Het Gerecht:
- wijst de vordering van de officier van justitie gedeeltelijk toe en gelast de tenuitvoerlegging van 29 dagen gevangenisstraf.
Aldus uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht, zittingsplaats Bonaire, op 21 augustus 2025, door mr. E.G.C. Groenendaal, rechter in voormeld Gerecht, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.D. Rodenboog.