GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202500203
datum beslissing: 17 december 2025
in de zaak van
1. [eiser 1],
hierna: [eiser 1],
2. [eiser 2],
beide wonende te Bonaire,
eisende partijen,
hierna gezamenlijk te noemen: [eisende partij],
gemachtigde: mr. E. Fa Si Oen,
tegen
[gedaagde],
wonende te Bonaire,
gedaagde partij,
hierna: [gedaagde],
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas.
1. De procedure
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
het verzoekschrift met producties, ingekomen op 29 april 2025;
de conclusie van antwoord met producties.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 november 2025. [eisende partij] is verschenen, bijgestaan door mr. Fa Si Oen. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door mr. Nicolaas.
Ten slotte is bepaald dat op 17 december 2025 uitspraak zal worden gedaan.
2. De kern van de zaak
gedaagde] heeft met hulp van [eiser 1] van het Openbaar Lichaam Bonaire (hierna: OLB) een recht van erfpacht op een perceel grond uitgegeven gekregen. Op het perceel grond staat een gebouw. [eisende partij] stelt dat zij dat gebouw aan [gedaagde] heeft verkocht. [eisende partij] vordert betaling van de koopsom, de wettelijke rente daarover en betaling van buitengerechtelijke incassokosten. De vorderingen van [eisende partij] worden afgewezen. Dat wordt hierna uitgelegd.
3. De beoordeling
De achtergrond van het geschil
De rechtsvoorganger van het OLB heeft op 3 maart 1986 voor een stuk grond een huurovereenkomst gesloten met de heer [eiser 1], de broer van [eiser 1].
Op 4 december 2019 heeft het OLB de hiervoor genoemde huurovereenkomst opgezegd. In de brief waarin de huurovereenkomst is opgezegd staat dat het OLB de huurgrond niet kan overdragen aan [eiser 1], omdat het OLB het stuk grond wil gebruiken voor het bouwen van sociale huurwoningen. Omdat op een gedeelte van de huurgrond een gebouw is gebouwd (hierna: het gebouw), heeft het OLB besloten om een recht van erfpacht op naam van [eiser 1] te vestigen op het gedeelte van het stuk huurgrond waarop het gebouw staat.
In een door [gedaagde] opgestelde brief van [eiser 1] aan het OLB van 14 juli 2022 heeft [eiser 1] verzocht om het perceel om te zetten in een erfpachtperceel op naam van [gedaagde]. Dit verzoek is ingewilligd met een Eilandsbesluit van 26 januari 2023, waarna het erfpachtrecht is gevestigd met een notariële akte van 25 april 2023 en inschrijving daarvan in de openbare registers.
gedaagde] heeft in september 2024 een document met de titel “Koopovereenkomst” (hierna: het document) aan [eisende partij] gestuurd. In het document staat [eiser 1] als “verkoper” en [gedaagde] als “koper” genoemd. Verder staat in het document onder meer:
“1.1 Verkoper verkoopt aan koper, die van verkoper koopt het recht van bebouwd woning op het perceel grond met de woning en verdere aanhorigheden (…) tegen een koopsom van $60.000 met inbegrip van zaken zoals omschreven in de bij deze koopovereenkomst.”
Het document is ondertekend door [gedaagde]. [eiser 1] heeft het document niet getekend.
De vorderingen van [eisende partij]
eisende partij] eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een koopsom van USD 65.000,00, de wettelijke rente over de koopsom en buitengerechtelijke kosten. [eisende partij] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] de tussen partijen gesloten koopovereenkomst moet nakomen. Volgens [eisende partij] zijn partijen, voordat [gedaagde] het document aan [eisende partij] stuurde, een koopovereenkomst van USD 65.000,00 overeengekomen. Op de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [eisende partij] verklaard dat de gestelde koopovereenkomst betrekking heeft op de (ver)koop van het gebouw.
Er is geen sprake van een rechtsgeldig gesloten koopovereenkomst
Volgens vaste rechtspraak is voor het tot stand komen van een overeenkomst
vereist dat er tussen partijen wilsovereenstemming is ontstaan over op zijn minst de
essentialia van een overeenkomst. Bij de beoordeling wat de essentialia van de overeenkomst zijn, komt het aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars gedragingen redelijkerwijs hebben begrepen. In ieder geval behoren het object en de koopprijs tot de essentialia van de koopovereenkomst (artikel 7:1 BW BES).
Omdat [eisende partij] nakoming vordert van een tussen partijen gesloten koopovereenkomst, moet het gerecht beoordelen of tussen partijen een rechtsgeldig gesloten koopovereenkomst tot stand gekomen is. Daarvan is geen sprake. Het blijkt nergens uit dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de koopprijs. [eisende partij] stelt dat partijen een koopovereenkomst voor het gebouw met een koopsom van USD 65.000,00 overeengekomen zijn, maar dat is door [gedaagde] betwist en blijkt nergens uit. Daarvan is geen begin van onderbouwing in het procesdossier te vinden. In het door [gedaagde] opgestelde document staat een bedrag van USD 60.000,00 genoemd, maar in haar verzoekschrift staat dat [eisende partij] niet met dat bedrag akkoord kan gaan. Kortom, partijen zijn het niet eens geworden over een essentieel onderdeel van een koopovereenkomst, namelijk de koopprijs. Alleen al om die reden is geen rechtsgeldige koopovereenkomst tussen partijen tot stand gekomen.
Daar komt bij dat het gebouw is gebouwd op grond waarvan [eisende partij] nooit eigenaar is geweest. De eigenaar van de grond is het OLB. Het blijkt nergens uit dat [eisende partij] eigenaar is van het gebouw. Een notariële akte ontbreekt. Het staat daarom niet vast dat [eiser 1] beschikkingsbevoegd was om het gebouw in eigendom over te dragen aan [gedaagde]. Ook om die reden staat het niet vast dat voor het gebouw een rechtsgeldige koopovereenkomst tussen partijen tot stand gekomen is.
Betaling van een bedrag van USD 60.000,00 is ook niet toewijsbaar
Als [eisende partij] bedoeld heeft om nakoming te vorderen van de koopprijs van USD 60.000,00 die genoemd staat in het document, is haar vordering ook niet toewijsbaar. Bij brief van 30 oktober 2024 heeft de gemachtigde van [eisende partij] die vermeende koopovereenkomst namelijk ontbonden.
Geen andere grondslagen gesteld voor vorderingen van [eisende partij]
Tijdens de mondelinge behandeling is ter sprake gekomen dat het denkbaar is dat iets dat enige waarde vertegenwoordigde en waar [eisende partij] enig recht op kon doen gelden aan [gedaagde] ten goede is gekomen. Maar voor de beoordeling van de vorderingen van [eisende partij] op grond van een andere grondslag is door [eisende partij] onvoldoende gesteld.
Conclusie
Het voorgaande brengt met zich dat de vorderingen van [eisende partij] zullen worden afgewezen. De nevenvordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten deelt dat lot.
[eisende partij] moet proceskosten betalen
eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op USD 1.680,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief 6) en USD 140,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
Het gerecht:
wijst de vorderingen van [eisende partij] af;
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van USD 1.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met USD 84,00 als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW BES over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.