ECLI:NL:OGEABES:2025:203

ECLI:NL:OGEABES:2025:203

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 27-08-2025
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer BON202300303
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Aansprakelijkheid voor losraken boot van ‘mooring’. Vaststelling schade.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202300303

datum uitspraak: 27 augustus 2025

in de zaak van:

1. de besloten vennootschap LACANDON BONAIRE B.V.,

2. de besloten vennootschap PROPRIETATE ANTILLAE B.V.,

beide gevestigd te Bonaire,

eisers, hierna: Lacandon en Proprietate,

gemachtigde: mr. A.F. van Toll,

tegen

1. de naamloze vennootschap ENNIA CARIBE SCHADE N.V.,

gevestigd te Curaçao,

gemachtigde: mr. M.D. van den Brink,

2. de stichting STICHTING NATIONALE PARKEN BONAIRE,

gevestigd te Bonaire,

gemachtigden: mrs. N.A. Evertsz en S.S. Jansen,

gedaagden, hierna: Ennia en Stinapa.

1. Het procesverloop

Het verloop van de procedure tot 17 juli 2024 blijkt uit het tussenvonnis van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

het bij partijen genoegzaam bekende op 28 maart 2025 ter griffie ingediende rapport van de door het gerecht benoemde deskundige (dat op 1 april 2025 naar partijen is gestuurd);

de conclusie na deskundigenbericht van Lacandon;

de conclusie na deskundigenbericht van Stinapa.

Aan partijen is op 27 juni 2025 bericht dat de rolrechter de door ieder van hen bij de conclusie na deskundigenbericht gevoegde producties, niet toestaat. Deze producties maken dus geen onderdeel uit van het procesdossier.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. De beoordeling

Het gerecht blijft bij zijn in de tussenvonnissen neergelegde overwegingen en beslissingen, zoals dat de boot in 2020 voor US$ 126.087,51 inclusief ABB is gekocht, dat van algemene bekendheid is dat een boot niet waardevast is en dat de waarde van de boot in 2022 aanmerkelijk lager zal zijn geweest dan de aankoopsom.

De in het tussenvonnis door het gerecht benoemde deskundige heeft de waarde van de boot in oktober 2022 getaxeerd op US$ 100.000, -/US$ 105.000, - (inclusief transport, belastingen en heffingen).

Lacandon vindt de getaxeerde waarde te laag. Stinapa kan zich in de getaxeerde waarde vinden. Beide partijen hebben formele en inhoudelijke bezwaren tegen het deskundigenbericht.

Formele bezwaren van Lacandon en Stinapa tegen het deskundigenbericht

Het gerecht stelt in dit kader voorop dat het, gelet op de belangen van partijen, aan de deskundige is om zorgvuldig te werk te gaan, duidelijk en volledig verslag te doen van zijn onderzoek en het recht van partijen op hoor en wederhoor te waarborgen.

Met partijen stelt het gerecht vast dat de verslaglegging van de deskundige de nodige gebreken bevat. De deskundige heeft partijen op 1 augustus 2024 zijn rapport toegestuurd met de begeleidende tekst “Bij deze de waardebepaling eerst toegestuurd aan u zoals opgedragen in het vonnis.” Hoewel onduidelijk is of de deskundige hiermee partijen in de gelegenheid heeft willen stellen om opmerkingen te maken op zijn (concept)rapport of om daarover vragen te stellen, hebben partijen dat wel zo opgevat. Het lag evenwel op de weg van de deskundige om daar geen enkele onduidelijkheid over te laten bestaan en dus om partijen met het toesturen van het (concept)rapport in een begeleidende brief te schrijven dat zij gelegenheid hebben om opmerkingen en verzoeken aan hem te doen binnen een door de deskundige te noemen termijn. Uit het nadien handelen van de deskundige blijkt dat de deskundige het zelf anders zag.

In november 2024 heeft het gerecht de deskundige gevraagd naar de stand van zaken met betrekking tot het deskundigenrapport. Daarop heeft de deskundige laten weten dat partijen zijn waardebepaling hebben ontvangen, dat hij van Stinapa een reactie heeft ontvangen met commentaar en dat hij daar richting alleen Stinapa (met vertraging) op heeft gereageerd.

Het staat een deskundige niet vrij om alleen met één partij te communiceren. Dit doet afbreuk aan het recht van partijen om in de procedure gelijkwaardig de gelegenheid te hebben om de deskundige en rechter van het eigen standpunt te overtuigen en op het standpunt van de wederpartij te reageren. Bovendien had de deskundige de op- en aanmerkingen van Stinapa in zijn definitieve rapport moeten vermelden en daarop in zijn definitieve rapport (en niet in een brief naar alleen Stinapa) inhoudelijk moeten reageren. Stinapa heeft haar opmerkingen en de reactie van de deskundige daarop aan Lacandon doen toekomen. Hoewel het dus op de weg van de deskundige lag om dat via zijn verslaglegging te doen is daarmee, wat betreft het commentaar van Stinapa op het (concept)rapport en de reactie van de deskundige daarop, ten opzichte van Lacandon wel aan het beginsel van hoor en wederhoor voldaan.

Onder verwijzing naar de in het tussenvonnis van 17 juli 2024 gegeven instructie heeft het gerecht de deskundige er ook op gewezen dat hij in zijn definitieve rapport de reacties van Lacandon en Stinapa (of het ontbreken daarvan) moet vermelden. Uit de reactie daarop van de deskundige heeft het gerecht afgeleid dat de deskundige geen uitvoering zal geven aan de instructie. Het gerecht heeft partijen deze e-mailwisseling tussen het gerecht en de deskundige doen toekomen. In haar conclusie na deskundigenbericht stelt Lacandon dat zij op 30 augustus 2024 op het (concept)rapport van 1 augustus 2024 heeft gereageerd en dat zij, anders dan Stinapa, geen andere reactie daarop van de deskundige heeft ontvangen dan dat toevoeging van door deskundige van 28 maart 2025 aan zijn rapport: “Tijdens de coronacrisis (2021) stegen de botenprijzen inderdaad door schaarste en backorders van onderdelen, wat een prijsverhoging rechtvaardigde. Echter, eind 2023 stortte de markt in, en pas in het laatste kwartaal van 2024 trad een licht herstel op. Door de huidige politieke omstandigheden is de situatie nu weer onvoorspelbaar.” Ook hier geldt dat de deskundige de op- en aanmerkingen van Lacandon in zijn definitieve rapport had moeten vermelden en dat hij daarop in zijn definitieve rapport inhoudelijk had moeten reageren. Door dit niet te doen is onduidelijk of de deskundige alle opmerkingen van Lacandon bij zijn taxatie heeft meegenomen.

Ondanks deze formele gebreken in de verslaglegging door de deskundige zal het gerecht de deskundige in een aantal conclusies volgen. Dat wordt hierna uitgelegd.

de staat van de boot

Lacandon onderschrijft de zienswijze van de deskundige dat de boot in oktober 2022 in goede staat was. De deskundige baseert zijn standpunt op (onderhouds)facturen die hij heeft ingezien. Het gerecht volgt de deskundige daarin. De door Stinapa geopperde mogelijkheid dat het vaartuig gebreken had bijvoorbeeld als gevolg van intensief gebruik, incidentele schade of ondeskundige behandeling vormt naar het oordeel van het gerecht een onvoldoende gemotiveerde betwisting van de zienswijze van de deskundige.

de waardestijging van boten als gevolg van de COVID-pandemie

Lacandon onderschrijft verder de zienswijze van de deskundige dat de waarde van nieuwe en gebruikte boten in 2022 hoger was dan bij gebruikelijke afschrijvingen als gevolg van de leeftijd van de boot het geval is, dit vanwege productiestagnatie van nieuwe boten als gevolg van de COVID-pandemie lockdowns. Het gerecht begrijpt dat ook Stinapa het met deze zienswijze van de deskundige eens is. Zij wijst er in dit kader op dat de door haar partijdeskundige toegepaste afschrijvingspercentage lager is dan de gebruikelijke lineaire afschrijving die doorgaans bij boten wordt gehanteerd. Het gerecht volgt de deskundige en partijen daarin.

Bepaling van de marktwaarde van de boot in oktober 2022

In hun conclusies na deskundigenbericht laten Lacandon en Stinapa weten dat zij twijfelen over de juistheid van de taxatie van de deskundige vanwege de formele gebreken in zijn verslaglegging. Lacandon en Stinapa doen geen verzoek tot een nieuw deskundigenrapport of tot een aanvulling op het uitgebrachte deskundigenrapport, maar verwijzen ieder naar een eigen partijdeskundige. Na het deskundigenrapport heeft Stinapa partijdeskundige Bramar Carribean ingeschakeld. Stinapa voert in haar conclusie aan dat haar partijdeskundige de marktwaarde van de boot in oktober 2022 taxeert op US$ 108.528,76. Na het deskundigenrapport heeft Lacandon partijdeskundige Van Erp gevraagd zijn taxatie van de marktwaarde van de boot in oktober 2022 van US$ 135.000, - nader te motiveren. In hun conclusie na deskundigenbericht hebben Lacandon en Stinapa gereageerd op de conclusie die de ander aan de bevindingen van de eigen partijdeskundige verbindt, waarbij zij elkaar over en weer verwijten een partijdeskundige te hebben geraadpleegd.

Met inachtneming van de uitgangspunten dat de boot in oktober 2022 in goede staat was en dat de waarde van boten in 2022 hoger was dan wanneer daar de gebruikelijke afschrijvingen op worden toegepast, zal het gerecht beslissen wat de waarde van de boot in oktober 2022 is op basis van wat partijen in hun conclusies na deskundigenbericht aanvoeren onder verwijzing naar de bevindingen van hun partijdeskundigen (zonder die rapporten te raadplegen, omdat die producties door het gerecht niet zijn toegestaan) en dus niet op basis van alleen het deskundigenrapport.

Lacandon stelt dat partijdeskundige Van Erp een aantal factoren heeft genoemd waarop Van Erp baseert dat de waarde van de boot in 2022 hoger is dan de aanschafprijs daarvan in 2020, te weten: de prijsverhogingen van nieuwe boten sinds 2020, de grote vraag in 2022 naar nieuwe en gebruikte boten, het nagenoeg stilliggen van de productie door coranamaatregelen, de accessoires aan boord en de verhoging van transportkosten.

Het gerecht blijft bij zijn in het tussenvonnis van 29 mei 2024 gegeven oordeel dat de waarde van de boot in 2022 aanmerkelijk lager zal zijn geweest dan het bedrag van US$ 126.087,51 inclusief ABB waarvoor de boot in 2020 is gekocht.

In dit oordeel ligt besloten dat Lacandon geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld op basis waarvan afgeweken moet worden van het uitgangspunt dat Lacandon door het verlies van de boot een nadeel in zijn vermogen lijdt dat kan worden gesteld op de waarde van de boot in het economisch verkeer van de zaak ten tijde van het verlies (de marktwaarde). Verder betekent dit oordeel dat de partijdeskundige van Lacandon niet kan worden gevolgd in zijn waardebepaling. Hij vindt immers dat de boot in 2022 meer waard was dan waarvoor de boot in 2020 was gekocht.

Het gerecht volgt Lacandon niet in zijn betoog dat de marktwaarde van de boot in 2022 kan worden gebaseerd op vraagprijzen van twee volgens Lacandon vergelijkbare boten in 2024, wat Stinapa betwist. Alleen al omdat het om vraagprijzen gaat, betreft het in ieder geval geen vergelijkingstransacties op basis waarvan de waarde van de boot kan worden vastgesteld.

Verder volgt het gerecht Lacandon niet in zijn zienswijze dat ook de waarde van de trailer meetelt bij de waardebepaling van de boot. Vast staat immers dat de trailer niet verloren is gegaan.

Omdat de partijdeskundige van Stinapa de waarde van de boot in 2022 hoger waardeert dan de door het gerecht benoemde deskundige, zal het gerecht bij de waardebepaling aansluiten bij het door Stinapa’s partijdeskundige Bramar Carribean getaxeerde bedrag van (afgerond) US$ 109.000.

Het gerecht blijft bij zijn in de tussenvonnissen neergelegde overweging en beslissing dat Lacandon hooguit aanspraak heeft op de helft van de schade omdat zij maar eigenaar van de boot was voor de helft en alleen zij (en niet de andere eigenaar) een vordering op grond van wanprestatie heeft op Stinapa. Anders dan Lacandon betoogt is een recht op schadevergoeding in geld geen ondeelbare vordering.

Het door Lacandon gevorderde bedrag van US$ 135.500,- omvat US$ 500,- aan bergingskosten. Deze door Lacandon gevorderde bergingskosten van US$ 500,- kunnen als niet weersproken worden toegewezen.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van Lacandon zal worden toegewezen tot een bedrag van US$ 55.000,- (de helft van US$ 109.000,- plus de bergingskosten van US$ 500,-). De daarover gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen.

De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. Lacandon heeft niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan Lacandon vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

Proceskosten

Lacandon en Proprietate zullen als de tegenover Ennia in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van Ennia worden begroot op US$ 2.234, - aan salaris van de gemachtigde van Ennia (2 x US$ 1.117, -).

Proprietate zal als de tegenover Stinapa in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van Stinapa begroot op US$ 1.117, - aan salaris van de gemachtigde van Stinapa (½ x 2 punten x US$ 1.117, -).

Stinapa zal als de tegenover Lacandon hoofdzakelijk in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente zoals gevorderd. De proceskosten worden aan de zijde van Lacandon begroot op US$ 2.512,-, zijnde US$ 677,50 aan griffierecht (½ x US$ 1.355,-), US$ 159,- aan deurwaarderskosten en US$ 1.675,50 aan salaris van de gemachtigde van Lacandon (1½ punt x US$ 1.117, -). Ook zal Stinapa worden veroordeeld in de nakosten zoals gevorderd. Daarnaast zal Stinapa worden veroordeeld in de door haar voorgeschoten kosten van de deskundige.

3. De beslissing

Het gerecht:

wijst af het door Lacandon en Proprietate tegen Ennia gevorderde;

veroordeelt Lacandon en Proprietate ten opzichte van Ennia in de proceskosten, tot aan de datum van dit vonnis aan de zijde van Ennia begroot op US$ 2.234, -;

wijst af het door Proprietate tegen Stinapa gevorderde;

veroordeelt Proprietate ten opzichte van Stinapa in de proceskosten, tot aan de datum van dit vonnis aan de zijde van Stinapa begroot op US$ 1.117, -;

veroordeelt Stinapa om aan Lacandon tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van US$ 55.000,-;

veroordeelt Stinapa ten opzichte van Lacandon in de proceskosten, tot aan de datum van dit vonnis aan de zijde van Lacandon begroot op US$ 2.512,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2023 tot aan de dag van voldoening en in de kosten van de deskundige ten bedrage van US$ 400,- die door Stinapa zijn voldaan zodat aan de deskundige niets te betalen resteert;

veroordeelt Stinapa tot betaling van de nakosten van US$ 140,00, verhoogd met US$ 84,00 in geval van betekening, indien nakoming door Stinapa uitblijft binnen veertien dagen nadat Stinapa schriftelijk is verzocht door Lacandon om aan het vonnis te voldoen,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders door Lacandon gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en uitgesproken op 27 augustus 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.P.P. Hoekstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand