ECLI:NL:OGEABES:2025:205

ECLI:NL:OGEABES:2025:205

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 27-08-2025
Datum publicatie 10-09-2026
Zaaknummer BON202400564
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Ontslag statutair directeur overheids N.V. Opzegging vindt niet zijn voornaamste reden in aan directeur toe te rekenen omstandigheden. Daarom overeengekomen minimum beëindigingsvergoeding van $ 100.000 toewijsbaar.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

Registratienummer: BON202400564

Datum uitspraak: 27 augustus 2025

VONNIS

in de zaak van

[eiser]

wonend te Bonaire, domicilie kiezend te Curaçao,

eiser,

gemachtigde: mr. H.W. Braam

tegen

de naamloze vennootschap

SERVISIO DI LIMPIESA BONERIANO (SELIBON) N.V.

gevestigd en kantoorhoudend te Bonaire,

gedaagde,

gemachtigden: mrs. S.H. Barten en S. Elhigiene.

Partijen zullen hierna ook [eiser] en Selibon genoemd worden.

1. De procedure

Het procesverloop blijkt uit:

het verzoekschrift d.d. 15 november 2024, met producties 1 t/m 14d;

de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 91);

de nagezonden productie 92 van Selibon

de USB stick met producties van [eiser]

de nagezonden productie (beschikking 21 maart 2025) van [eiser];

de mondelinge behandeling van 9 juni 2025 en de daarbij door partijen overgelegde spreekaantekeningen.

Bij de mondelinge behandeling is afgesproken dat partijen met elkaar in overleg zouden gaan over een mogelijke regeling. De gemachtigde van [eiser] heeft bij mailbericht van 16 juli 2025 laten weten dat geen regeling is bereikt, waarna vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

eiser] was sinds 1 januari 1995 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst van Selibon. Met ingang van 11 april 2012 is [eiser] op basis van een overeenkomst tot opdracht (hierna ‘de ovo’) aangesteld tot statutair directeur van Selibon.

In artikel 22 van de ovo is het volgende bepaald:

Indien de vennootschap de overeenkomst opzegt en deze opzegging niet zijn voornaamste reden vindt in aan de heer [eiser] toe te rekenen omstandigheden – anders dan ziekte van de heer [eiser] – is de Vennootschap een beëindigingsvergoeding aan de heer [eiser] verschuldigd conform onderstaand schema:

Jaar 1 USD 70.000,00

Jaar 2 USD 100.000,00

Na het tweede jaar zal de heer [eiser] een vergoeding ontvangen conform de Kantonrechtersformule voor de gewerkte periode met een minimum van USD 100.000,00.

Bij brief van 22 april 2024 heeft Selibon aan [eiser] bericht dat de ovo per 22 juli 2024 wordt beëindigd en dat [eiser] als statutair directeur wordt ontslagen conform het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van Selibon van 22 april 2024.

3. De vordering en het verweer

eiser] vordert – kort gezegd – dat het Gerecht Selibon veroordeelt tot betaling van een bedrag van USD 342.439,53, te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van Selibon in de proceskosten.

eiser] voert daartoe aan dat Selibon de ovo heeft opgezegd en daarom aan hem een beëindigingsvergoeding verschuldigd is conform de kantonrechtersformule. Deze berekent [eiser] op het gevorderde bedrag.

Selibon voert verweer. Zij stelt primair geen beëindigingsvergoeding verschuldigd te zijn omdat de opzegging zijn voornaamste reden vindt in aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden. Subsidiair betoogt zij dat toekenning van een vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Meer subsidiair voert zij aan dat [eiser] de vergoeding onjuist heeft berekend.

Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

In deze procedure zal in de eerste plaats moeten worden beoordeeld of de opzegging van de ovo zijn voornaamste reden vindt in aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden. Als dit zo is – zoals Selibon betoogt – heeft [eiser] geen recht op een vergoeding, als dit wel zo is heeft [eiser] in beginsel recht op een vergoeding conform de kantonrechtersformule.

Het besluit de ovo met [eiser] op te zeggen is genomen op de algemene vergadering van aandeelhouders van Selibon (AVA) van 22 april 2024. Voorafgaand aan die vergadering is aan [eiser] bij brief van 20 maart 2024 medegedeeld dat zijn ontslag op die vergadering werd geagendeerd. In deze brief zijn onder zes ‘bulletpoints’ een aantal feiten en omstandigheden genoemd die maakten dat ertoe hadden geleid dat het vertrouwen in [eiser] als directeur van Selibon was verloren. [eiser] kreeg de gelegenheid om voorafgaand of tijdens die vergadering zijn zienswijze kenbaar te maken. Hij heeft dit gedaan en is daarbij op die in de brief van 20 maart 2024 genoemde feiten en omstandigheden ingegaan. Er moet van worden uitgegaan dat het ook deze feiten en omstandigheden zijn geweest die tijdens de AVA aan het besluit tot ontslag en opzegging ten grondslag hebben gelegen.

Het voorgaande betekent dat ook alleen díe feiten en omstandigheden zullen worden beoordeeld. Selibon heeft nog meer verwijten aangevoerd die pas ná het ontslag naar voren zijn gekomen. Wat er verder van deze verwijten ook moge zijn, ze kunnen nimmer de reden zijn geweest voor de opzegging. Ze waren immers ten tijde van de opzegging niet bekend, [eiser] zich daar tijdens de AVA niet tegen heeft kunnen verdedigen en ze kunnen bij de aandeelhouders geen rol hebben gespeeld bij de besluitvorming. Het gerecht zal deze verwijten dus bij de beoordeling buiten beschouwing laten.

Het gerecht zal er dus van uitgaan dat voor Selibon de zes ‘bulletpoints’ in de brief van 20 maart 2024 de redenen zijn geweest voor het ontslag en de opzegging. Beoordeeld zal moeten worden of de onder die bulletpoints genoemde omstandigheden aan [eiser] toe te rekenen zijn en zo ja, of die omstandigheden dan de voornaamste reden voor het ontslag en de opzegging waren.

De informatievoorziening

Selibon heeft gesteld dat het herhaaldelijk is voorgekomen dat de directie de aandeelhouder niet of niet tijdig op de hoogte bracht van essentiële bedrijfsaangelegenheden en lopende kwesties. In de brief van 20 maart 2024 wordt dit niet verder toegelicht en onderbouwd. Het gerecht begrijpt dat de onderbouwing van dit verwijt feitelijk is te vinden in de daarop volgende vijf ‘ bulletpoints’. Het gerecht zal dit verwijt dan ook niet afzonderlijk beoordelen, maar zal er bij de bespreking van de andere verwijten op in gaan.

Ziekenhuis- en biomedisch afval

Volgens Selibon zijn er ernstige tekortkomingen geconstateerd in de afvalverwerking en opslagcapaciteiten voor het ziekenhuis- en biomedisch afval. [eiser] zou hebben nagelaten effectieve maatregelen te implementeren en adequaat toezicht te houden. [eiser] heeft dit verwijt betwist; hij stelt dat de directie op dit punt verschillende noodbrieven aan het Openbaar Lichaam Bonaire (OLB) heeft gestuurd, maar daar nooit een reactie op heeft gekregen. Waar Selibon (in haar CvA onder punt 9) zelf zegt dat het OLB verantwoordelijk is voor toezicht en handhaving met betrekking tot milieu bij Selibon, valt niet goed in te zien waarom hier – wat er verder ook van zij – sprake zou zijn van een [eiser] toe te rekenen omstandigheid. Selibon is op dit punt in haar CvA of bij de mondelinge behandeling ook verder niet ingegaan.

De destillatiemachine

Selibon verwijt [eiser] dat onder zijn leiding op het terrein van Selibon een destillatiemachine gebouwd terwijl er nog geen hinderwetvergunning is afgegeven. Bij de mondelinge behandeling is gebleken dat de machine inderdaad door een derde is gebouwd zonder dat [eiser] daarvoor toestemming van de RvC had gevraagd. Volgens [eiser] was dit geen probleem omdat het contract met die derde – naar het gerecht begrijpt: voor de ingebruikname van de machine – wél onder voorbehoud van goedkeuring van de RvC was. Omdat het contract niet is doorgegaan is het onderwerp nooit bij de RvC terecht gekomen. Het gerecht is van oordeel dat hier aan [eiser] een verwijt kan worden gemaakt op het gebied van informatievoorziening (zoals ook bedoeld onder het eerste bulletpoint). Van hem had verwacht mogen worden dat hij, alvorens over te gaan tot het laten bouwen van een dergelijke installatie op het terrein van Selibon daarvoor goedkeuring van de RvC had gevraagd of hem daarover minstgenomen in te lichten.

De verbrandingsoven in Lagun

Selibon verwijt [eiser] dat ruim een jaar na het eerste onderzoek bij de verbrandingsoven er nog altijd onduidelijkheid heerst over de uitkomst van emissiemetingen. [eiser] betwist dat hem een verwijt kan worden gemaakt van deze problematiek; volgens hem wordt een oplossing belemmerd door de politiek. Het gerecht overweegt dat Selibon niet heeft onderbouwd wat zij [eiser] op dit punt nu concreet verwijt. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat het feit dat emissiemetingen niet juist zouden zijn uitgevoerd aan [eiser] tot te rekenen is. In haar CvA noch op de mondelinge behandeling heeft Selibon deze toelichting gegeven.

De financiële huishouding is niet op orde

Selibon verwijt [eiser] dat Selibon sinds 2017 niet voldeed aan haar financiële rapportageverplichtingen. [eiser] heeft daar tegenover gesteld dat de vertraging in het aanleveren niet zat in het door hem te laat aanleveren van de concept-jaarrekeningen, maar in de controle daarvan door de groepsaccountant van de aandeelhouder BHM. Bovendien, zo stelt hij, heeft hij maatregelen genomen om de achterstanden in te halen; in 2023/2024 zou hij 4 jaarrekeningen binnen een periode van 1 jaar hebben afgerond. Het gerecht overweegt dat in het midden kan blijven of [eiser] van het te laat afkomen van de definitieve jaarrekeningen een verwijt kan worden gemaakt. Selibon heeft namelijk onvoldoende betwist dat de problematiek van de jaarrekeningen al lange tijd speelde, maar dat juist op dit punt – na een rapport van EY in 2023 – verbetering was opgetreden. Niet goed valt in te zien waarom dit dan in 2024 een reden voor ontslag op zou leveren.

De verhouding met de werknemers van Selibon

Selibon verwijt [eiser] dat er ontevredenheid heerst onder de werknemers van Selibon. Dit zou mede te wijten zijn aan de houding van de directie. Een en ander zou hebben geleid tot stakingen. Bij een staking in april 2023 zou [eiser] niet bereikbaar zijn geweest. Pas later hoorde de aandeelhouder dat [eiser] (ten dele) arbeidsongeschikt zou zijn geweest, maar het had er de schijn van dat hij op een cruciaal punt wegliep voor zijn verantwoordelijkheid.

Hoewel dit punt in de brief van 20 maart 2024 vrij summier is weergegeven, heeft het in de latere processtukken en bij de mondelinge behandeling veel aandacht gekregen. Behalve de stakingen zijn daarbij ook het traject bij de Landsbemiddelaar en ‘de zaak [operations manager]’ aan de orde gekomen.

Het gerecht vindt op grond van wat partijen over deze kwestie hebben aangevoerd voldoende duidelijk dat [eiser] als directeur de onrust binnen zijn personeel niet goed heeft weten te managen. Hij heeft (te) lang de operations manager [operations manager] – die een belangrijke oorzaak was van de onrust – de hand boven het hoofd gehouden en daarmee de onrust versterkt. Dit wordt onderschreven in de door [eiser] overgelegde beschikking in de zaak [operations manager]:

[operations manager] is nooit op zijn gedrag of stijl van leidinggeven aangesproken door zijn leidinggevende [eiser]. [operations manager] heeft nooit een slechte beoordeling gekregen. En ondanks de signalen die er over zijn functioneren waren, is hem nooit begeleiding en coaching aangeboden. Aan die verantwoordelijkheid van [eiser] om daarin wel de nodige begeleiding en ondersteuning te bieden doet niet af dat, zoals de werknemers stellen, [operations manager] feitelijk de touwtjes in handen had bij Selibon en [operations manager] dan ook feitelijk de enige was die dit had kunnen initiëren. Ook als daarvan wordt uitgegaan, lag het op de weg van [eiser] om dit als statutair directeur van Selibon niet te laten gebeuren en draagt hij voor de situatie waarin hij de macht uit handen zou hebben gegeven, in zijn hoedanigheid van statutair directeur, de verantwoordelijkheid. Ook de raad van commissarissen en de aandeelhouder BHM hebben zich, ondanks de meerdere signalen die zij daarover ontvingen van de AFBW afzijdig gehouden. Pas in een heel laat stadium zijn zij zich gaan bemoeien met de situatie. Het voortbestaan van de door de werknemers ervaren angstcultuur is daarom niet alleen [operations manager], maar ook (de organen van) Selibon zelf aan te rekenen.

eiser] kan dus een verwijt worden gemaakt van de ontevredenheid onder de werknemers en de ontstane arbeidsonrust. Echter, in bovenstaande overweging is te lezen dat ook aan de andere organen binnen Selibon een vergelijkbaar verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat niet gezegd kan worden dat hier sprake is van een aan [eiser] toe te rekenen omstandigheid; het is een aan Selibon als geheel toe te rekenen omstandigheid.

Tussenconclusie

Wanneer het bovenstaande in ogenschouw wordt genomen, is de conclusie dat [eiser] als directeur steken heeft laten vallen, maar dat niet gezegd kan worden dat de opzegging zijn voornaamste reden vindt in aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden. Dit betekent dat [eiser] op grond van artikel 22 van de ovo recht heeft op een beëindigingsvergoeding.

Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?

Selibon heeft betoogd dat toekenning van een vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Voor zover zij dit standpunt baseert op een herhaling van de verwijten die zij aan [eiser] maakt, wordt verwezen naar wat hiervoor is overwogen. Selibon heeft ook gewezen op de slechte financiele positie van Selibon en het feit dat werknemers van Selibon moeten vrezen voor hun baan. Maar daar staat tegenover dat [eiser] al sinds 1995 in dienst van Selibon was en dat bij zijn aantreden als statutair directeur kennelijk welbewust voor toekenning van een vergoeding is gekozen. Dat hij, bij zijn ontslag als statutair directeur een vergoeding overeenkomstig de kantonrechtersformule ontvangt is op zichzelf niet onredelijk.

De hoogte van de vergoeding

Beide partijen gaan voor de berekening van de kantonrechtersformule uit van een factor A van 21,5 gewogen dienstjaren.

Voor factor B gaat het gerecht uit van het basissalaris, vermeerderd met de 13e maand en de vakantietoeslag, in totaal een bedrag van USD 8.811,64. De overige door [eiser] genoemde looncomponenten worden – gelet op de Aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters – niet meegerekend

Voor wat betreft de correctiefactor C overweegt het gerecht dat hiervoor is overwogen dat het ontslag weliswaar niet zijn voornaamste reden vindt in aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden, maar dat [eiser] als directeur wel steken heeft laten vallen. Zijn informatievoorziening richting de aandeelhouder en de RvC was niet altijd toereikend, de financiële huishouding was lange tijd niet op orde en hij heeft de onrust onder het personeel onvoldoende kunnen managen. Dit betekent dat – anders dan [eiser] stelt – niet een correctiefactor hoger dan 1 moet worden toegepast, maar juist een factor die lager is dan 1. Het gerecht acht gelet op de omstandigheden van dit geval een correctiefactor van 0,5 op zijn plaats.

Dit betekent dat aan [eiser] conform deze formule zou worden toegekend een beëindigingsvergoeding van (21, 5 x 8.811,64 x 0,5 =) USD 94.725,13. In de ovo is echter bepaald dat de vergoeding minimaal USD 100.000,00 zal bedragen. Laatstgenoemd bedrag zal daarom worden toegewezen.

Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente erover vanaf 22 november 2024.

De proceskosten

Nu, anders dan Selibon had betoogd, wél een vergoeding wordt toegekend zal Selibon worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Bij de hoogte daarvan zal wel worden uitgegaan van het toegewezen, niet het gevorderde bedrag.

De kosten bedragen dan USD 1.000,00 aan griffierecht, USD 159,00 aan explootkosten, (2 punten tegen tarief 7) USD 2.234,00 aan salaris gemachtigde en USD 140,00 aan nakosten (bij betekening te verhogen met USD 84,00). In totaal derhalve USD 3.533,00.

5. De beslissing

Het gerecht,

veroordeelt Selibon om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van USD 100.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Selibon in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] begroot op USD 3.533,00, verhoogd met US$ 84,00 in geval van betekening, indien nakoming door Selibon uitblijft binnen veertien dagen nadat Selibon schriftelijk is verzocht door [eiser] om aan het vonnis te voldoen;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.P.P. Hoekstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand