GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202500646
datum uitspraak: 19 januari 2026
PROCES-VERBAAL VAN HET MONDELINGE VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[curator]
in haar hoedanigheid van curator van [curandus] (hierna: [curandus]),
wonend te Bonaire,
eiseres, hierna de curator,
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,
tegen
[gedaagde],
wonend te Bonaire,
gedaagde, hierna: [gedaagde],
in persoon verschenen.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 29 december 2025 met bijlagen
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 januari 2026.
Op de zitting zijn verschenen:
de curator, bijgestaan door mr. Nicolaas
[gedaagde]
Na afloop van het inhoudelijke debat heeft de rechter de zitting even geschorst. Na de schorsing heeft de rechter mondeling vonnis gewezen.
2. Het geschil
De vorderingen van de curator (die met machtiging van het gerecht voor de onder curatele gestelde in rechte optreedt) strekken ertoe dat [gedaagde] de woning, plaatselijk bekend als [adres] op Bonaire, ontruimt.
gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering van de curator.
3. De beoordeling
Een in kort geding bevolen ontruiming is een ingrijpende en meestal onomkeerbare maatregel. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet grote terughoudendheid worden betracht. Voor toewijzing van een vordering tot ontruiming in kort geding is alleen plaats als met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten valt dat de rechter in een gewone procedure (de bodemprocedure) tot datzelfde oordeel zal komen en de uitkomst van een bodemprocedure vanwege een spoedeisend belang aan de zijde van [curandus] niet kan worden afgewacht.
Het gerecht geeft [gedaagde] mee dat het gerecht de kans reëel acht dat de vordering van de curator in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Daarvoor is het volgende redengevend. De woning is van overheidswege aan alleen [curandus] in gebruik gegeven. [curandus] hoeft daar geen vergoeding voor te betalen. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij al vier jaar bij [curandus] inwoont en dat [curandus] dat goed vindt. Dit impliceert dat [curandus] al die tijd met betrekking tot de woning aan [gedaagde] een medegebruiksrecht heeft toegekend. Inmiddels is [curandus] evenwel onder curatele gesteld en handelingsonbekwaam en verricht de curator rechtshandelingen voor [curandus] als dat in zijn belang is. De curator kan daarom het door [curandus] aan [gedaagde] gegeven medegebruiksrecht beëindigen. De curator vindt het niet (langer) in het belang van [curandus] dat [gedaagde] bij hem inwoont. In dit kort geding is veel in discussie maar niet dat de woning klein is en maar één slaapkamer heeft. Daarom is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure een vordering tot ontruiming van de woning wegens de beëindiging van het aan [gedaagde] gegeven gebruiksrecht zal worden toegewezen, mogelijk met inachtneming van een redelijke ontruimingstermijn.
En toch wordt de vordering afgewezen. Het vereiste spoedeisend belang ontbreekt namelijk. [gedaagde] woont al vier jaar bij zijn broer in de woning. De curator heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat sprake is van een acute of gewijzigde situatie die op dit moment een onmiddellijke voorziening rechtvaardigt.
De curator zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten van [gedaagde] worden tot aan deze uitspraak vastgesteld op nihil
4. De beslissing
Het gerecht:
wijst af het gevorderde;
veroordeelt de curator in de proceskosten, die aan de zijde van [gedaagde] tot aan deze uitspraak worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en uitgesproken op 19 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier