Uitspraak van 24 april 2026
BBZ nrs. BON202500541 en BON202500543
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Zittingsplaats Bonaire
UITSPRAAK
Op het beroep in de zin van
hoofdstuk VIII, titel acht, afdeling drie van de Belastingwet BES van:
[Belanghebbende], wonende te Bonaire,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN,
de heffingsambtenaar.
1. PROCESVERLOOP
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2022 en 2023 met dagtekening 29 januari 2025 aanslagen in de vastgoedbelasting opgelegd..
Belanghebbende heeft op 3 juni 2025 daartegen bezwaar gemaakt.
De Inspecteur heeft op 28 augustus 2025 uitspraken op bezwaar gedaan.
Belanghebbende heeft op 21 oktober 2025 beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van USD 30.
Belanghebbende heeft bij e-mail van 29 oktober 2025 het beroep ingetrokken, omdat volledig aan hem is tegemoetgekomen. Tegelijk met deze intrekking is verzocht om een (integrale) vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
De griffier heeft op 29 oktober 2025 de Inspecteur in de gelegenheid gesteld om binnen twee maanden te reageren op het in 1.5 door belanghebbende gedane verzoek. De Inspecteur heeft niet gereageerd.
2. OVERWEGINGEN
Belanghebbende heeft het beroep ingetrokken omdat de Inspecteur aan hem is tegemoetgekomen. Tegelijk met de intrekking heeft belanghebbende verzocht om een (integrale) vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Belanghebbende verzoekt om vergoeding van de kosten voor het opstellen van processtukken en het opstellen van de intrekkingsbrief, voor een totaalbedrag van USD 105,00. Van deze kosten heeft belanghebbende een factuur bijgevoegd.
Ingevolge artikel 8.106a aanhef en letter c, Belastingwet BES kan het Gerecht, onmiddellijk uitspraak doen indien een nader onderzoek het Gerecht niet nodig voorkomt omdat het beroep kennelijk gegrond is. Naar het oordeel van het Gerecht kan deze bepaling op overeenkomstige wijze worden toegepast op een bij intrekking van het beroep gedaan verzoek om vergoeding van proceskosten en/of griffierecht. Het Gerecht ziet in dit geval daartoe aanleiding.
In artikel 8.75a, lid 1 van de Nederlandse Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep, omdat de Inspecteur geheel of gedeeltelijk aan de belanghebbende is tegemoetgekomen, de Inspecteur op een tegelijk met de intrekking gedaan verzoek van de belanghebbende bij afzonderlijke uitspraak in de kosten kan worden veroordeeld. In Aruba, Curaçao en Sint-Maarten gelden soortgelijke bepalingen. In de Belastingwet BES ontbreekt echter een dergelijke bepaling zodat bij intrekking, tekstueel bezien, geen recht bestaat op een kostenvergoeding.
In artikel 8.115a, lid 1, Belastingwet BES is bepaald dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In de regel wordt aan de belastingplichtige een kostenvergoeding toegekend als geheel of gedeeltelijk aan het bezwaar en/of beroep wordt tegemoetgekomen. In dit geval is ook aan belanghebbende tegemoetgekomen, maar is het beroep vervolgens ingetrokken en is tegelijk verzocht om een kostenvergoeding. Zoals in 2.3 opgemerkt bestaat daar volgens de letter van de wet geen recht op. Naar het oordeel van het Gerecht brengt een redelijke wetstoepassing echter mee dat in een dergelijk geval ook recht bestaat op een kostenvergoeding (voor zover het kosten betreft die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen). Hiermee wordt ook recht gedaan aan het in de Memorie van Toelichting bij de Belastingwet BES geformuleerde uitgangspunt dat het procesrecht in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de overige landen in het Caribische gebied Aruba, Curaçao en Sint-Maarten eenvormig is.
Ingevolge artikel 8.115a, lid 3, Belastingwet BES kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding. Deze regels zijn neergelegd in Hoofdstuk 5 van het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES (hierna: het Uitvoeringsbesluit).
Uitgangspunt is dat aan belanghebbende een vergoeding wordt verleend voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op forfaitaire basis. Van een forfaitaire vergoeding kan worden afgeweken in bijzondere omstandigheden (artikel 5.2, lid 3 van het Uitvoeringsbesluit). In dit geval ziet het Gerecht aanleiding om af te wijken van de forfaitaire vergoeding.
Belanghebbende verzoekt een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten ten bedrage van USD 105. De berekening van de kostenvergoeding op forfaitaire basis leidt tot een vergoeding die de gemaakte kosten ver overtreft. De kostenvergoeding op forfaitaire basis wordt namelijk berekend op een bedrag van USD 391 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, wegingsfactor 1). Gelet op het voorgaande wordt de kostenvergoeding bepaald op de werkelijk betaalde kosten van USD 105 (vgl. Hoge Raad 11 juli 2025: ECLI:NL:HR:2025:1127).
In artikel 8.104, lid 4 Belastingwet BES is bepaald dat, indien het Gerecht het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, de uitspraak tevens inhoudt dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoedt. In dit geval is het beroep ingetrokken omdat de Inspecteur is tegemoetgekomen aan belanghebbende. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat ook dan de Inspecteur het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoedt (vgl. GEA Curaçao 1 november 2019, ECLI:NL:OGEAC:2019:310).
Gelet op het vorenstaande is sprake van een kennelijk gegrond verzoek.
3. DE BESLISSING
Het Gerecht:
- veroordeelt de Inspecteur tot de vergoeding van proceskosten vastgesteld op USD 105;
- wijst het verzoek tot vergoeding van griffierecht toe; en
- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van USD 30 te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter, en uitgesproken op 24 april 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.L. Saavedra.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
VERZET
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum schriftelijk verzet doen bij:
Het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (belastingkamer)
Plasa Reina Wilhelmina (Fort Oranje)
Kralendijk
Bonaire
Is het Gerecht van oordeel dat het verzet gegrond is, dan vervalt deze uitspraak en wordt de zaak alsnog in behandeling genomen.
U wordt verzocht bij het indienen van het verzetschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het verzetschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het verzetschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het verzet).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende verzetschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gerecht in eerste aanleg: belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het doen van verzet is geen griffierecht verschuldigd.