Uitspraak van 27 juli 2026
BBZ nr. BON202500489
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Zittingsplaats Bonaire
Uitspraak
Op het beroep in de zin van
hoofdstuk VIII, titel acht, afdeling drie van de Belastingwet BES van:
[Belanghebbende], wonende in Nederland,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE HEFFINGSAMBTENAAR VAN HET OPENBAAR LICHAAM BONAIRE, zetelend in Bonaire, de Heffingsambtenaar.
1. PROCESVERLOOP
Aan belanghebbende is met dagtekening 19 december 2018 ter zake van de auto, Suzuki Vitara, met nummerplaat [nummer 1] (hierna: de auto) een aanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) voor het jaar 2018 opgelegd, ten bedrage van USD 190 (hierna: de aanslag).
Belanghebbende is op 26 maart 2024 in bezwaar gekomen tegen de aanslag.
De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 juli 2025 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft op 8 september 2025 pro forma beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar en vervolgens op 31 oktober 2025 dat beroep nader gemotiveerd. Belanghebbende heeft hierbij een bedrag van USD 30 aan griffierecht betaald.
De Heffingsambtenaar heeft op 19 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft op 16 juni 2026 plaatsgevonden te Kralendijk. Belanghebbende heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Namens het Openbaar Lichaam Bonaire (hierna: OLB) zijn verschenen mr. [A] en [B].
2. FEITEN
Belanghebbende woont in Nederland en bezit een woning op Bonaire gelegen aan [adres 1].
Belanghebbende is sinds 30 mei 2017 houder van de kentekenplaat [nummer 1]. Deze kentekenplaat is gekoppeld aan de auto.
Aan belanghebbende is naast de aanslag, aanslagen MRB opgelegd voor de jaren 2017 (dagtekening 19 december 2018) en 2019 (dagtekening 31 januari 2019), met betrekking tot de kentekenplaat [nummer 1].
Belanghebbende was tevens houder van de kentekenplaat [nummer 2].
Aan belanghebbende is een aanslag MRB voor het jaar 2019 (dagtekening 16 september 2019) en voor het jaar 2020 (dagtekening 1 januari 2020) opgelegd, met betrekking tot de kentekenplaat [nummer 2].
Belanghebbende heeft op 23 november 2020 bezwaar gemaakt tegen de aanslagen MRB voor de jaren 2019 en 2020 met betrekking tot de kentekenplaat [nummer 2].
In het onder 2.6 bedoelde bezwaarschrift heeft belanghebbende naast zijn Nederlandse adres tevens vermeld: "[adres 1]".
Uit een door belanghebbende overgelegd verzendbewijs van PostNL van 30 oktober 2025 blijkt dat als "adres voor officiële stukken" stond vermeld: [adres 1], Kralendijk, Bonaire, C.N.
3. GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN
In geschil is of het bezwaar van belanghebbende ontvankelijk is. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is tevens in geschil of de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.
Belanghebbende stelt dat zijn bezwaar ontvankelijk is. Volgens hem heeft hij reeds eerder dan 26 maart 2024, bezwaar gemaakt tegen de aanslag.
Voorts stelt belanghebbende zich op het standpunt dat hij voor het jaar 2018 geen motorrijtuigenbelasting verschuldigd was.
De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat het bezwaar ruimschoots buiten de wettelijke termijn is ingediend en daarom terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
Subsidiair stelt de Heffingsambtenaar dat de aanslag terecht is opgelegd, omdat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van de belastingplicht.
4. OVERWEGINGEN
Ontvankelijkheid bezwaar
Op grond van artikel 8.92, eerste lid, van de Belastingwet BES bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.
Vaststaat dat de aanslag is gedagtekend op 19 december 2018. Zelfs indien wordt uitgegaan van de door belanghebbende gestelde datum van 23 november 2020, is het bezwaarschrift ruim 23 maanden na dagtekening van de aanslag ingediend. Het bezwaar is derhalve niet tijdig ingediend.
Een niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding blijft achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Belanghebbende heeft in dit verband – naar het Gerecht begrijpt – in wezen twee redenen aangevoerd waarom de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn. Ten eerste stelt hij dat de aanslag hem niet heeft bereikt omdat deze, volgens hem ten onrechte, naar zijn adres op Bonaire is verzonden in plaats van naar zijn adres in Nederland. Ten tweede heeft hij aangevoerd dat poststukken die naar zijn woning op Bonaire werden verzonden regelmatig door huurders werden weggegooid. Het Gerecht zal beide stellingen afzonderlijk beoordelen.
Desgevraagd heeft belanghebbende ter zitting niet kunnen aangeven, laat staan onderbouwen, wanneer hij bezwaar zou hebben gemaakt tegen de aanslag.
Reeds hierom heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt. Voor zover belanghebbende daarnaast heeft aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat de aanslag om onbegrijpelijke redenen naar Bonaire in plaats van naar Nederland is verzonden, overweegt het Gerecht als volgt.
Uit de gedingstukken volgt dat belanghebbende het adres [adres 1] te Bonaire nog lange tijd als correspondentieadres gebruikte. Zo vermeldde hij in zijn bezwaarschrift van 23 november 2020 naast zijn Nederlandse adres tevens "[adres 1]". Ook blijkt uit een door hem overgelegd verzendbewijs van PostNL van 30 oktober 2025 dat [adres 1] stond vermeld als "adres voor officiële stukken”.
Daarbij neemt het Gerecht mede in aanmerking dat de Heffingsambtenaar ter zitting heeft verklaard dat de aanslag MRB 2019 met betrekking tot dezelfde kentekenplaat [nummer 1] naar het adres [adres 1] is verzonden. Hoewel een afschrift van de aanslag niet meer beschikbaar is, ziet het Gerecht gelet op deze verklaring en de overige gedingstukken geen aanleiding om te veronderstellen dat voor de verzending van de aanslag een ander adres is gebruikt.
Gelet op de onder 4.6 genoemde omstandigheid volgt het Gerecht belanghebbende niet in zijn stelling dat het onbegrijpelijk was dat correspondentie naar Bonaire werd verzonden. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat hij een adres in Nederland had doorgegeven en dat correspondentie daarom uitsluitend naar dat adres had moeten worden verzonden, kan hem daarin niet worden gevolgd. Uit de gedingstukken blijkt immers dat belanghebbende naast zijn Nederlandse adres tevens het adres [adres 1] te Bonaire bleef gebruiken voor correspondentie betreffende zijn belastingaangelegenheden op Bonaire. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de Heffingsambtenaar ten onrechte het adres [adres 1] voor de verzending van de aanslag heeft gebruikt.
Belanghebbende heeft voorts ter zitting verklaard dat huurders van een woning die hij op Bonaire bezit regelmatig post hebben weggegooid. Het Gerecht begrijpt dat hierdoor mogelijk niet alle naar dat adres verzonden correspondentie door belanghebbende is ontvangen.
Ook deze omstandigheid kan belanghebbende niet baten. Voor zover de aanslag of andere correspondentie belanghebbende niet heeft bereikt doordat huurders poststukken zouden hebben weggegooid, komen de gevolgen daarvan voor zijn rekening en risico. Het lag op de weg van belanghebbende om maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat voor hem bestemde correspondentie hem daadwerkelijk bereikte. Ook deze omstandigheid leidt derhalve niet tot het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Gelet op hetgeen onder 4.8 en 4.10 is overwogen, is het Gerecht van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit brengt mee dat het beroep ongegrond is.
Ten overvloede
Ten overvloede merkt het Gerecht nog het volgende op.
Ook indien belanghebbende ontvankelijk zou zijn geweest in zijn bezwaar, zou het Gerecht het beroep ongegrond hebben verklaard.
Ingevolge artikel 15, vierde lid, van de Motorrijtuigenbelastingverordening BES eindigt de belastingplicht nadat de houder daarvan melding heeft gedaan aan de ontvanger. Daarbij dient de houder de kentekenplaten en een bewijs van beëindiging van de verzekering als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen BES over te leggen. Indien de houder niet beschikt over de nummerplaten, dient hij een bewijs over te leggen waaruit blijkt dat hij niet langer houder van het motorrijtuig is of dat de nummerplaten verloren zijn gegaan.
De bewijslast dat aan deze voorwaarden is voldaan rust in beginsel op belanghebbende.
Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij overeenkomstig artikel 15, vierde lid, van de Motorrijtuigenbelastingverordening BES melding heeft gedaan van de beëindiging van het houderschap dan wel dat hij de vereiste documenten heeft overgelegd.
Reeds daarom zou het Gerecht ook inhoudelijk tot het oordeel zijn gekomen dat de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.
5. PROCESKOSTENVERGOEDING EN GRIFFIERECHT
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en/of vergoeding van het griffierecht.
6. DE BESLISSING
Het Gerecht:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M.A. Brinkenberg, rechter, en uitgesproken op 27 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noel-van der Biezen BSc.
De griffier, De rechter,