ECLI:NL:OGEABES:2026:199

ECLI:NL:OGEABES:2026:199

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 11-08-2026
Datum publicatie 18-08-2026
Zaaknummer BON202500647
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Belanghebbende en haar echtgenoot wonen op Bonaire. Echtgenoot was in 2021 enig aandeelhouder van een vennootschap. Op 2 november 2021 verkocht hij 75 van de 100 aandelen aan [naam] voor USD 101.250. Een deel van de koopprijs werd direct betaald en het restant zou in termijnen worden voldaan. [naam] betaalde uiteindelijk slechts USD 28.019. In de aangifte inkomstenbelasting 2021 werd een vervreemdingsvoordeel van USD 99.853 aangegeven. Belanghebbende stelde dat dit voordeel lager moest zijn, omdat een groot deel van de koopprijs nooit was ontvangen. Het Gerecht oordeelde dat het vervreemdingsvoordeel moet worden bepaald op het moment van de verkoop. De overeengekomen koopprijs van USD 101.250 geldt daarbij als overdrachtsprijs, ongeacht of deze later volledig wordt betaald. Dat [naam] na de verkoop zijn betalingsverplichtingen niet nakwam, verandert het in 2021 genoten vervreemdingsvoordeel niet. Het vervreemdingsvoordeel bleef daarom vastgesteld op USD 99.853.

Uitspraak

Uitspraak van 11 augustus 2026

BBZ nr. BON202500647

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Zittingsplaats Bonaire

Uitspraak

Op het beroep in de zin van

hoofdstuk VIII, titel acht, afdeling drie van de Belastingwet BES van:

[Belanghebbende], wonende op Bonaire,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Bonaire,

de Inspecteur.

1. PROCESVERLOOP

Aan belanghebbende is met dagtekening 18 december 2024 voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van USD 138.445 resulterend in een te betalen belasting van USD 6.922.

Belanghebbende is op 4 februari 2025 in bezwaar gekomen tegen de aanslag.

Op 28 oktober 2025 heeft de Inspecteur per email een voornemen tot afwijzing van het bezwaar gestuurd naar belanghebbende.

Belanghebbende heeft op 4 december 2025 hierop gereageerd met een nadere toelichting op het bezwaar.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 december 2025, de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende heeft op 23 december 2025 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft hierbij een bedrag van USD 30 aan griffierecht betaald.

De Inspecteur heeft op 9 april 2026 een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026 te Kralendijk. Belanghebbende is, na voorafgaand bericht van verhindering wegens ziekte, niet verschenen. Ter zitting is namens belanghebbende verschenen haar gemachtigde, M. Heesen. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [A], drs. [B], mr. [C] (heffingsmedewerker) en [D].

De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een door belanghebbende opgestelde schriftelijke verklaring voorgelezen, waarin is vermeld dat het beroep geen nadere toelichting behoeft en dat zij verwijst naar de reeds ingediende processtukken.

De Inspecteur heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

2. FEITEN

Belanghebbende is gehuwd met de heer [E] (hierna: [E]). Zij wonen samen op Bonaire.

Belanghebbende was in 2021 als bestuurder/medewerker werkzaam bij Haarstudio “[X]”. De activiteiten van deze vennootschap bestonden uit de exploitatie van een kapsalon in Kralendijk. De aandelen van de vennootschap zijn in handen van [Y].

E] was in 2021 werkzaam bij [Y]. De activiteiten van deze vennootschap bestonden uit de exploitatie van een snackbar in het centrum van Kralendijk. [E] was tevens enig aandeelhouder van [Y].

Op 2 november 2021 hebben [E] en [F] (hierna: [F]) een "Aandelen koop- en geldleningsovereenkomst" gesloten.

In de overeenkomst is de waarde van alle aandelen van [Y] vastgesteld op USD 135.000.

Partijen zijn overeengekomen dat 75 aandelen aan [F] zouden worden overgedragen tegen een koopprijs van USD 101.250.

In de overeenkomst is vermeld dat [E] voldoende en naar tevredenheid heeft kunnen vaststellen dat [F] (financieel) gegoed is.

Uit de overeenkomst volgt dat van de koopprijs reeds USD 10.000 voldaan was. Voorts diende [F] USD 15.000 vóór 1 december 2021 te betalen aan [E]. Het resterende bedrag van USD 76.250 diende door [F] te worden voldaan in zestig maandelijkse termijnen, vermeerderd met een rente van 7%.

F] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen. Uit de gedingstukken blijkt dat er van de koopsom een totaalbedrag van USD 28.019 door [F] is voldaan.

Belanghebbende en haar echtgenoot hebben op 31 mei 2023 gezamenlijk aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2021 gedaan. Hierin is een winst uit aanmerkelijk belang aangegeven van USD 139.853, bestaande uit USD 40.000 door ontvangen dividend alsmede een vervreemdingsvoordeel van USD 99.853 (vervreemdingsprijs: 101.250 minus verkrijgingsprijs: 1.397) ter zake van de verkoop van de 75 aandelen in de besloten vennootschap [Y].

De winst uit aanmerkelijk belang is voor het jaar 2021 gerekend tot het zuiver inkomen van belanghebbende, als zijnde de meestverdiener (artikel 20, tweede lid, Wet Inkomstenbelasting BES).

3. GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

In geschil is de hoogte van de winst uit aanmerkelijk belang, en meer in het bijzonder of de Inspecteur het vervreemdingsvoordeel ter zake van de verkoop van de 75 aandelen terecht heeft vastgesteld op USD 99.853.

Belanghebbende stelt dat er geen sprake is van een genoten vervreemdingsvoordeel van USD 99.853, omdat een aanzienlijk deel daarvan nimmer is ontvangen doordat [F] zijn betalingsverplichtingen niet is nagekomen. Volgens belanghebbende is daarom slechts sprake van een vervreemdingsvoordeel voor zover de koopprijs daadwerkelijk is ontvangen. Subsidiair stelt belanghebbende dat de niet nagekomen termijnen in 2021 als negatief vervreemdingsvoordeel dienen te worden aangemerkt. Meer subsidiair doet belanghebbende een beroep op de hardheidsclausule, zoals bepaald in artikel 8.19 Belastingwet BES.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het vervreemdingsvoordeel moet worden bepaald met inachtneming van de waarde van de tegenprestatie ten tijde van de vervreemding. Dat koper nadien in gebreke is gebleven doet daaraan niet af.

4. OVERWEGINGEN

Vooraf

Beroep is ingesteld door en op naam van [E]. Ter zitting is evenwel vastgesteld dat bedoelt is dat [E] beroep heeft ingesteld namens zijn echtgenote, belanghebbende, aan wie de onder 1.1 vermelde aanslag is opgelegd. Ook de Inspecteur heeft dit als zodanig begrepen. Het Gerecht zal dan ook het beroep behandelen al te zijn ingesteld door belanghebbende.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel 3, letter b, van de Wet inkomstenbelasting BES behoren voordelen die worden behaald bij de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen tot de winst uit aanmerkelijk belang. Op grond van artikel 11, zesde lid van die wet wordt het vervreemdingsvoordeel gesteld op de overdrachtsprijs verminderd met de verkrijgingsprijs.

Ingevolge artikel 11, negende lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting BES wordt een vervreemdingsvoordeel geacht te zijn genoten op het tijdstip van de vervreemding.

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur het vervreemdingsvoordeel op het juiste bedrag heeft vastgesteld. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat daarbij slechts het daadwerkelijk ontvangen deel van de koopprijs als overdrachtsprijs in aanmerking mag worden genomen. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van de overeengekomen koopprijs van USD 101.250 en dat bij de berekening van het vervreemdingsvoordeel slechts 75% van de verkrijgingsprijs van USD 1.397 in aanmerking dient te worden genomen, en dat het vervreemdingsvoordeel dus eigenlijk te laag is vastgesteld.

Uit de op 2 november 2021 gesloten overeenkomst volgt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verkoop van 75 van de 100 aandelen in [Y] tegen een koopprijs van USD 101.250. De omstandigheid dat een deel van die koopprijs in termijnen zou worden voldaan, doet niet af aan het tijdstip van de vervreemding en aan het op dat tijdstip genoten vervreemdingsvoordeel.

Daarbij neemt het Gerecht mede in aanmerking dat partijen in de overeenkomst uitdrukkelijk hebben vastgelegd dat belanghebbende zich ervan had vergewist dat [F] financieel gegoed was en dat [F] zich door middel van een boekenonderzoek op de hoogte had gesteld van de financiële positie van de vennootschap. Tegen deze achtergrond kan belanghebbende, zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, niet met succes betogen dat de vordering reeds ten tijde van de vervreemding minder waard was dan de overeengekomen koopprijs.

Voorts is het volgende van belang. Maakt een belastingplichtige bezwaar tegen een aanslag die conform zijn aangifte is opgelegd, dan rust op hem de bewijslast aannemelijk te maken dat die aangifte, en daarmee de daarop gebaseerde aanslag, onjuist is (vgl. HR 11 november 1964, nr. 15.267, ECLI:NL:HR:1964: AX7205; GEA Sint Maarten 10 oktober 2018, nr. SXM201600044, ECLI:NL:OGEAM:2018:97). Van de Inspecteur kan immers niet het bewijs worden verlangd dat de aangifte juist was. Belanghebbende is met hetgeen zij heeft aangevoerd niet geslaagd in haar bewijslast dat de aanslag onjuist is.

De omstandigheid dat belanghebbende uiteindelijk niet de volledige koopprijs heeft ontvangen, betreft een na de vervreemding ingetreden gebeurtenis en kan daarom niet afdoen aan het in 2021 genoten vervreemdingsvoordeel.

De Inspecteur heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat slechts 75% van de verkrijgingsprijs in aanmerking dient te worden genomen. Gelet op het verbod van reformatio in peius kan het beroep belanghebbende niet in een nadeliger positie brengen. Het Gerecht laat dit daarom verder onbesproken.

Het in aanmerking te nemen vervreemdingsvoordeel bedraagt derhalve USD 99.853.

Voor zover belanghebbende een beroep doet op de hardheidsclausule, overweegt het Gerecht dat de toepassing daarvan is voorbehouden aan de Minister van Financiën. Reeds daarom kan dit beroep niet leiden tot vermindering van de aanslag.

Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair-playbeginsel faalt. De enkele omstandigheid dat belanghebbende uiteindelijk niet de volledige koopprijs heeft ontvangen, brengt niet mee dat de Inspecteur door het vervreemdingsvoordeel overeenkomstig de wettelijke regeling vast te stellen, heeft gehandeld in strijd met een van deze beginselen.

5. PROCESKOSTENVERGOEDING EN GRIFFIERECHT

Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en/of vergoeding van het griffierecht.

6. DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. M.A. Brinkenberg, rechter, en uitgesproken op 11 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noel-van der Biezen BSc.

De griffier, De rechter,

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.A. Brinkenberg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl CFN 2026/73 met annotatie van -
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand