GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202500285
datum beslissing: 28 januari 2026
in de zaak van
1. [eiser 1],
wonend te Bonaire,
hierna: [eiser 1],
2. [eiser 2],
3. [eiser 3],
beide wonende te Spanje,
eisende partij,
hierna: [eisende partij],
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,
tegen
[gedaagde],
wonende te Bonaire,
gedaagde partij,
hierna: [gedaagde],
gemachtigde: mr. E.J. Winkel.
1. De procedure
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
het verzoekschrift met producties, ingekomen op 9 juni 2025;
de conclusie van antwoord met producties.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 december 2025. De heer [eiser 2] is verschenen, bijgestaan door mr. Nicolaas. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door mr. Winkel. De spreekaantekeningen die mr. Winkel heeft voorgelezen zijn aan het dossier toegevoegd.
Ten slotte is bepaald dat op 28 januari 2026 schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.
2. De kern van de zaak
gedaagde] heeft een huurovereenkomst gesloten voor een garage op een perceel van [eisende partij] [eisende partij] stelt dat [gedaagde] de huurovereenkomst heeft gesloten met een onbevoegde vertegenwoordiger van haar. [eisende partij] vordert – kortgezegd - dat het gerecht voor recht verklaart dat de huurovereenkomst vernietigd is of dat het gerecht de huurovereenkomst vernietigt en [gedaagde] veroordeelt het gehuurde te ontruimen. De vorderingen worden afgewezen.
3. De beoordeling
De achtergrond van het geschil
eisende partij] is eigenaar van drie percelen grond aan de [adres] te Bonaire (hierna: de percelen).
Op 1 december 2020 is door [eiser 1] namens [eisende partij] een huurovereenkomst met de heer [huurder] gesloten voor een garage op de percelen (hierna: de garage).
eiser 1] heeft mevrouw [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) schriftelijk gemachtigd om onder meer huur te innen en haar met betrekking tot het gehuurde te vertegenwoordigen bij onder meer het water- en elektriciteitsbedrijf WEB.
Op 10 december 2024 heeft [betrokkene] een huurovereenkomst voor de duur van vijf jaar met [gedaagde] gesloten voor (een gedeelte van) de garage (hierna: de huurovereenkomst). [gedaagde] is in de garage zijn onderneming gaan exploiteren.
Op 8 januari 2025 heeft het gerecht in een kort gedingprocedure tussen [gedaagde] als eiser en [betrokkene] als gedaagde voorshands geoordeeld dat sprake is van een rechtsgeldig gesloten huurovereenkomst tussen [betrokkene] en [gedaagde] en beslist dat [gedaagde] toegang moet krijgen tot de garage. Het verweer van [betrokkene] dat de huurovereenkomst op grond van artikel 3:34 lid 1 BW BES vernietigbaar is, omdat zij zou hebben gehandeld onder invloed van een tijdelijke geestelijke stoornis is, in het bestek van de kort gedingprocedure waarbij bewijslevering niet mogelijk is, door het gerecht verworpen.
Op 6 februari 2025 is door [betrokkene] tegen [gedaagde] een bodemprocedure gestart waarin het gerecht wordt gevraagd om voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst van 10 december 2024 vernietigd is.
Op 14 februari 2025 heeft de gemachtigde van [eisende partij] een brief gestuurd aan [gedaagde]. In die brief staat dat de huurovereenkomst is gesloten door een onbevoegde vertegenwoordiger en dat een beroep wordt gedaan op vernietiging daarvan.
[eisende partij] kan de huurovereenkomst niet vernietigen
eisende partij] vordert (primair) een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst op 14 februari 2025 buitengerechtelijk vernietigd is of (subsidiair) dat het gerecht de huurovereenkomst vernietigt. [eisende partij] stelt dat [betrokkene] niet namens haar bevoegd was om de huurovereenkomst met [gedaagde] te sluiten en dat zij daarom gerechtigd is de huurovereenkomst te vernietigen.
De vorderingen van [eisende partij] die betrekking hebben op de vernietiging van de huurovereenkomst zijn niet toewijsbaar. De huurovereenkomst is namelijk gesloten tussen [betrokkene] en [gedaagde]. Weliswaar hebben [betrokkene] en [gedaagde] in de huurovereenkomst afspraken gemaakt over het verhuren van (een gedeelte van) de garage op de percelen van [eisende partij], maar dit maakt [eisende partij] nog geen partij bij deze overeenkomst. Niet valt in te zien daarom wat de wettelijke grondslag is voor de door haar ingeroepen vernietiging van de huurovereenkomst; die grondslag is door [eisende partij] ook niet gesteld. Daar komt bij dat [eisende partij] niets heeft gesteld ter onderbouwing van haar belang bij vernietiging van de huurovereenkomst. De vorderingen van [eisende partij] die betrekking hebben op vernietiging van de huurovereenkomst worden afgewezen.
Geen belang (meer) bij ontruiming
eisende partij] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de percelen onder verbeurte van een dwangsom te ontruimen.
Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat hij de percelen al ontruimd heeft en niet meer met zijn bedrijf in de garage gevestigd is. Dat betekent dat [eisende partij] geen belang meer heeft bij haar vordering tot ontruiming van haar percelen. De vordering tot ontruiming wordt daarom afgewezen.
[eisende partij] moet proceskosten betalen
eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op USD 1.396,00 (2 punten x tarief 5) en USD 140,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
Het gerecht:
wijst de vorderingen van [eisende partij] af;
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van USD 1.536,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met USD 84,00 als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW BES over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.