GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE,
UITSPRAAK
[klager],
DE GEZAGHEBBER VAN HET OPENBAAR LICHAAM SINT EUSTATIUS,
Wet administratieve rechtspraak BES
Uitspraakdatum: 1 september 2026
Zaaknummer: EUX202600036
SINT EUSTATIUS EN SABA,
ZITTINGSPLAATS SINT EUSTATIUS
In het geding van:
wonende te Sint Eustatius,
klager,
tegen
gezeteld te Sint Eustatius,
verweerder,
gemachtigde: mr. G.B. SIMMONS-DE JONG.
Procesverloop
Bij beschikking van 20 april 2026 (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder het verzoek van klager om afgifte van een verklaring omtrent gedrag (hierna: VOG) afgewezen.
Klager heeft hiertegen op 7 mei 2026 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg een klaagschrift ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 augustus 2026, via een videoverbinding vanuit het Gerecht te Sint Maarten. Klager is verschenen via videoverbinding vanuit het Gerecht te Sint Eustatius. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, eveneens via videoverbinding.
Uitspraak is bepaald op heden.
Overwegingen
Klaagschrift ontvankelijk?
Het Gerecht ziet zich allereerst ambtshalve gesteld voor de vraag of klager ontvankelijk is in het door hem ingediende klaagschrift. Daarover wordt het volgende overwogen.
Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES (hierna: de Wet) bedraagt de termijn voor het indienen van een klaagschrift veertien dagen na ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 23, vijfde lid. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid is derhalve van belang op welke datum klager de weigering tot afgifte van de VOG heeft ontvangen.
Verweerder stelt dat de bestreden beschikking op 20 april 2026, althans kort daarna, aan klager is uitgereikt. Het Gerecht stelt echter vast dat verweerder de weigering niet overeenkomstig artikel 23, vijfde lid, van de Wet bij aangetekende brief aan klager heeft meegedeeld. Uit het dossier blijkt evenmin op welke datum de beschikking daadwerkelijk aan klager is uitgereikt of door hem is ontvangen.
Klager heeft verklaard dat hij, terwijl hij in het buitenland verbleef, telefonisch over de bestreden beschikking is geïnformeerd en dat hij de beschikking enkele dagen later heeft opgehaald. De exacte datum waarop hij de beschikking heeft ontvangen, weet hij niet meer.
Bij de ambtshalve beoordeling van de ontvankelijkheid kan onder deze omstandigheden niet worden uitgegaan van 20 april 2026 als datum van ontvangst. Verweerder heeft immers niet alleen nagelaten de wettelijk voorgeschreven wijze van mededeling te volgen, maar heeft ook geen gegevens verstrekt waaruit de daadwerkelijke datum van ontvangst kan worden vastgesteld.
Het klaagschrift is op 7 mei 2026 bij het Gerecht ontvangen. Indien de bestreden beschikking op 20 april 2026 zou zijn ontvangen, zou de termijn van veertien dagen op 4 mei 2026 zijn verstreken. Nu echter niet kan worden vastgesteld dat klager de beschikking op 20 april 2026 heeft ontvangen en evenmin op welke andere datum hij deze heeft ontvangen, kan niet worden vastgesteld dat het klaagschrift buiten de in artikel 25, eerste lid, van de Wet gestelde termijn is ingediend.
Het Gerecht ziet daarom geen grond om klager wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk te verklaren. Klager is ontvankelijk in zijn klaagschrift.
Inhoudelijke beoordeling afwijzing VOG
Ten aanzien van de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen om het verzoek van klager om een VOG af te wijzen, overweegt het Gerecht het volgende.
Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Wet geeft verweerder een verklaring omtrent het gedrag slechts af wanneer hem uit onderzoek met betrekking tot het gedrag van betrokkene niet is gebleken van bezwaren tegen die persoon.
Ingevolge het bepaalde in artikel 23 van de Wet mag verweerder bij zijn onderzoek uitsluitend acht slaan op uittreksels uit strafregisters, politieregisters en andere schriftelijke bescheiden welke hem in verband met de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag ter beschikking zijn gesteld.
Een verklaring omtrent het gedrag houdt niet anders in dan dat verweerder uit het onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokkene ingesteld, gelet op het doel waarvoor de afgifte is gevraagd, niet is gebleken van bezwaren tegen die persoon.
Het Gerecht stelt op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat klager de VOG heeft aangevraagd met het doel de functie van coördinator van de Search and Rescue (SAR) Operations op Sint Eustatius te vervullen. Uit het door de procureur verstrekte uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt onder meer dat klager bij vonnis in hoger beroep van 25 april 2023 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is veroordeeld wegens smokkel van migranten en valsheid in geschrifte. Aan klager is daarvoor een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren, alsmede een werkstraf van 180 uren opgelegd.
Het Gerecht is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hem van de persoon van klager bezwaren zijn gebleken, gelet op het doel waarvoor afgifte van de VOG is verzocht. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat verweerder ter zitting voldoende heeft gemotiveerd waarom voormelde veroordeling als bezwarend dient te worden aangemerkt ten opzichte van het doel waarvoor afgifte is verzocht.
De stelling van klager dat deze veroordeling niet in verband kan worden gebracht met het doel waarvoor de afgifte van de VOG is verzocht en derhalve niet relevant is, kan het Gerecht niet volgen. De VOG is aangevraagd met het doel te fungeren als coördinator van de SAR-operations op Sint Eustatius. Deze functie is, gelet op aard en inhoud, in redelijkheid in verband te brengen met de veroordeling wegens smokkel van migranten en valsheid in geschrifte.
Dat de veroordeling van onvoldoende gewicht is om aan afgifte van de VOG in de weg te staan, kan het Gerecht evenmin volgen. Het gaat om misdrijven waarvoor aan klager, naast een werkstraf van 180 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden is opgelegd. Bij de beoordeling heeft verweerder voorts het tijdsverloop sinds de veroordeling mogen betrekken. Blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie is de verwijderingsdatum van de veroordeling bepaald op 11 mei 2029.
Het betoog van klager dat hij zich sinds de veroordeling goed heeft gedragen, zeer betrokken is bij de gemeenschap op Sint Eustatius en reeds langere tijd bij het SAR-project is betrokken, leidt niet tot een ander oordeel. Ook de door klager gestelde gevolgen van de weigering van de VOG geven geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot weigering heeft kunnen komen.
4. Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot weigering van de VOG heeft kunnen komen. Het klaagschrift is derhalve ongegrond. De bestreden beschikking, waarbij het verzoek om afgifte van een VOG is afgewezen, houdt stand.
De beslissing
Het Gerecht:
verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hammer, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 1 september 2026.