GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202600390
datum beslissing: 21 september 2026
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[eiser],
wonend op Bonaire,
hierna: [eiser],
eisende partij,
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,
tegen
1. [gedaagde 1],
wonend in Curaçao,
hierna: [gedaagde 1],
gedaagde partij,
gevolmachtigde: mr. O.A. Martina,
en
2. [gedaagde 2],
hierna: [gedaagde 2],
3. [gedaagde 3],
hierna: [gedaagde 3],
beide wonend op Bonaire,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. E.J. Winkel.
1. Het procesverloop
Op 13 juni 2026 heeft [eiser] een verzoekschrift met bijlagen ingediend.
In het procesdossier zitten verder de volgende stukken:
- de op 4 september 2026 overgelegde producties van [gedaagde 2] en [gedaagde 3].
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 september 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. Nicolaas. [gedaagde 1] is verschenen. Op grond van een daartoe schriftelijk verleende volmacht heeft mr. O.A. Martina namens [gedaagde 1] het woord gevoerd. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn verschenen, bijgestaan door mr. Winkel. De spreekaantekeningen die mr. Nicolaas, mr. Martina en mr. Winkel hebben voorgelezen zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen besproken is.
Ten slotte is bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
2. De kern van de zaak
eiser] stelt dat hij in 2005 een erfpachtrecht op een perceel grond in [plaats] op Bonaire heeft gekocht van [gedaagde 1]. [eiser] is in 2006 begonnen met het bouwen van een huis. Het huis is tot op dit moment niet wind- en waterdicht. Op 18 augustus 2025 heeft [gedaagde 1] hetzelfde erfpachtrecht verkocht aan [gedaagde 3]. [gedaagde 3] en [gedaagde 2] zijn gestart met bouwwerkzaamheden. [eiser] wil dat daarmee wordt gestopt en wil de onbelemmerde toegang tot het perceel. Dat wordt afgewezen.
3. De beoordeling
De achtergrond van het geschil
Dit geschil heeft betrekking op het recht van erfpacht op een perceel grond in [plaats] op Bonaire (hierna: het erfpachtrecht). Uit een schriftelijke inzage van het Kadaster blijkt dat het recht van erfpacht op dit moment op naam van [gedaagde 1] staat.
Medio 2005 was het Eilandgebied Bonaire (hierna: het Eilandgebied) een procedure gestart om het erfpachtrecht op te zeggen, omdat [gedaagde 1] niet met bouwwerkzaamheden op het perceel was begonnen. Op 10 februari 2005 heeft het Eilandgebied [gedaagde 1] uitstel verleend in de procedure tot opzegging.
Op 14 juni 2005 heeft [eiser] een bedrag van NAf 2.200,00 overgeschreven naar de bankrekening van [echtgenoot gedaagde 1] (de echtgenote van [gedaagde 1]). Op 11 april 2007 is nog eens een bedrag van NAf 5.0000,00 door [eiser] overgeschreven naar de bankrekening van [echtgenoot gedaagde 1]. Bij die overschrijvingen is geen betaalomschrijving vermeld waaruit zou kunnen blijken waar de betalingen voor bedoeld zijn.
Het Eilandgebied heeft op 6 juli 2005 een bouwvergunning aan [gedaagde 1] verleend voor het bouwen van ‘een meidenkamer’ op het perceel.
Op 3 maart 2006 heeft het Eilandgebied een brief aan [gedaagde 1] gestuurd dat de procedure tot opzegging van het erfpachtrecht was stop gezet. Als [gedaagde 1] niet binnen drie maanden zou zijn gestart met bouwen op het perceel, zou het Eilandgebied het erfpachtrecht definitief opzeggen.
eiser] heeft op 23 april 2006 een opdracht verstrekt aan een ingenieursbureau om tekenwerk te verrichten. Op 27 april 2006 heeft een bouwbedrijf een offerte uitgebracht aan [eiser] voor het bouwen van een fundering van een woning.
Op 18 augustus 2025 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 3] een koopovereenkomst gesloten waarmee [gedaagde 1] het erfpachtrecht voor een bedrag van USD 110.000 aan [gedaagde 3] heeft verkocht.
gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben op 7 januari 2026 een overeenkomst gesloten met een aannemer. De aannemer is begin 2026 begonnen met bouwen op het perceel.
De bodemprocedure in de onderhavige zaak is op 17 juli 2026 aanhangig gemaakt. In die procedure vordert [eiser] nakoming van een op 14 juni 2005 mondelinge gesloten koopovereenkomst in die zin dat [gedaagde 1] zijn medewerking verleent tot levering van het erfpachtrecht aan hem. De bodemzaak staat op de rolzitting van 30 september 2026 voor behandeling.
Het beoordelingskader in kort geding
Op grond van artikel 226 Rv BES kan in alle spoedeisende zaken waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist de belanghebbende partij zich wenden tot de rechter in eerste aanleg met een daarop gericht verzoek. Hieruit volgt dat een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening een vereiste is.
Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De rechter in kort geding moet inschatten of de bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen
gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden niet gevolgd in hun stelling dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Als voldoende aannemelijk is dat [eiser] het erfpachtrecht van [gedaagde 1] heeft gekocht en anderen daarop op onrechtmatige wijze bouwwerkzaamheden verrichten, heeft [eiser] er belang bij dat die bouwwerkzaamheden spoedig worden gestaakt en dat hem onbelemmerde toegang tot het perceel wordt verleend. Het tijdsverloop vanaf de beweerde koop door [eiser] tot heden is weliswaar opmerkelijk, maar kan aan dit belang niet afdoen. Hierna zullen de vorderingen van [eiser] daarom inhoudelijk beoordeeld worden.
Onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde 1] het erfpachtrecht aan [eiser] moet leveren
eiser] vordert [gedaagde 1] te bevelen om bouwwerkzaamheden op het perceel te staken, [gedaagde 1] te verbieden om het erfpachtrecht te vervreemden of over te dragen en [gedaagde 1] te bevelen om [eiser] ongestoorde toegang tot het perceel te verschaffen. Aan die vorderingen legt [eiser] ten grondslag dat hij op 14 juni 2005 het erfpachtrecht van [gedaagde 1] heeft gekocht en dat [gedaagde 1] daarom gehouden is tot levering van het erfpachtperceel aan hem.
De koopovereenkomst van 14 juni 2005 zou mondeling gesloten zijn. Er is geen schriftelijke onderbouwing waaruit die koopovereenkomst zou blijken. Ook uit de door [eiser] aangevoerde omstandigheden blijkt onvoldoende dat het erfpachtrecht op 14 juni 2005 door [gedaagde 1] aan [eiser] is verkocht. Nergens uit blijkt dat de twee betalingen van 14 juni 2005 en 11 april 2007 aan de echtgenote van [gedaagde 1] bedoeld waren voor de aankoop van het erfpachtperceel. [eiser] stelt dat de bouwvergunning op zijn instructie door [gedaagde 1] is aangevraagd en dat de correspondentie met het Eilandgebied op zijn instructie door [gedaagde 1] is gevoerd, maar ook dat blijkt nergens uit. [gedaagde 1] staat als aanvrager op het aanvraagformulier van de bouwvergunning vermeld en de correspondentie met het Eilandgebied is op naam van [gedaagde 1] gevoerd.
Het is niet in geschil dat [eiser] op het perceel van [gedaagde 1] is gaan bouwen en dat hij daarvoor kosten heeft gemaakt. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen in het verleden goede vrienden waren. [gedaagde 1] heeft verklaard dat [eiser] op eigen kosten op het perceel zou gaan bouwen om te voorkomen dat het Eilandgebied het erfpachtrecht zou beëindigen. Volgens [gedaagde 1] zou na afronding van de werkzaamheden gekeken worden wat er met het erfpachtrecht zou moeten gebeuren. Dat het erfpachtrecht op 14 juni 2005 aan [eiser] is verkocht heeft [gedaagde 1] betwist. Over de geloofwaardigheid van de verklaringen van [gedaagde 1] zal in de bodemprocedure worden geoordeeld. Maar het enkele feit dat [gedaagde 1] is begonnen met het bouwen van een woning op het perceel is onvoldoende om aan te nemen dat hij het erfpachtrecht van [gedaagde 1] heeft gekocht. Voor beantwoording van de vraag of al dan niet de door [eiser] gestelde koopovereenkomst is gesloten, is mogelijk bewijslevering nodig; daarvoor is in een kort gedingprocedure echter geen plaats.
Ook kan niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid worden aangenomen dat de bodemrechter – als het bestaan van de koopovereenkomst al zou komen vast te staan – [gedaagde 1] zal veroordelen tot levering van het erfpachtperceel. Vast staat immers dat nu – 21 jaar ná die beweerdelijke koopovereenkomst (!) – nog steeds niet aan de voorwaarde voor levering is voldaan, omdat [eiser] er nog niet in is geslaagd een wind- en waterdicht gebouw te bouwen.
Bij deze stand van zaken is het al met al onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter de vordering van [eiser] tot nakoming van een koopovereenkomst van 14 juni 2005 en de levering van het erfpachtperceel zal toewijzen.
Omdat het erfpachtrecht nog op naam staat van [gedaagde 1], moet het bij deze stand van zaken ervoor worden gehouden dat hij daarvan nog eigenaar is. Het staat hem daarom vrij om bouwwerkzaamheden op het perceel te laten plaatsvinden. De vorderingen om [gedaagde 1] te bevelen om de bouwwerkzaamheden te staken en [eiser] ongestoorde toegang tot het perceel te verlenen worden daarom afgewezen. Daarnaast staat het [gedaagde 1] als eigenaar van het erfpachtperceel vrij om het te vervreemden, bezwaren of over te dragen aan [gedaagde 3] of [gedaagde 2]. De vordering om hem daartoe te verbieden wordt ook afgewezen.
Een en ander laat onverlet dat [gedaagde 1] – mocht het bestaan van de overeenkomst tussen hem en [eiser] komen vast te staan – mogelijk schadeplichtig tegenover [eiser] handelt.
Onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] onrechtmatig bouwen
eiser] vordert dat het [gedaagde 2] en [gedaagde 3] wordt bevolen om bouwwerkzaamheden op het perceel te staken, de door hen ingeschakelde derden van het perceel te laten verwijderen en hem de ongestoorde toegang tot het perceel te verlenen. Aan die vorderingen legt [eiser] ten grondslag dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] inbreuk maken op zijn eigendomsrecht door onrechtmatige bouwwerkzaamheden op het perceel plaats te laten vinden.
Het is niet in geschil dat [gedaagde 1] toestemming heeft gegeven aan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] om bouwwerkzaamheden op het perceel te verrichten. Hiervoor is beslist dat het er voorshands voor gehouden moet worden dat [gedaagde 1] eigenaar is van het erfpachtrecht. Het staat hem daarom vrij om deze toestemming aan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te geven. Een grondslag voor de vorderingen van [eiser] om de bouwwerkzaamheden te staken, de ingeschakelde derden van het perceel te laten verwijderen en [eiser] de ongestoorde toegang tot het perceel te verlenen ontbreekt daarom. De vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden daarom afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
eiser] heeft ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten en nakosten van [gedaagde 1] en van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op nihil, nu zijn gevolmachtigde (nog) niet als advocaat is (her)ingeschreven en daarom niet als beroepsmatig optredende gemachtigde in de zin van het Procesreglement kan worden aangemerkt. De proceskosten van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden begroot op USD 838,00 aan salaris gemachtigde (liquidatietarief voor kort geding) en USD 140,00 aan nakosten (plus de eventuele verhoging zoals vermeld in de beslissing).
4. De beslissing
Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:
wijst de vorderingen van [eiser] af;
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten en nakosten aan [gedaagde 1], tot op heden begroot op nihil;
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten en nakosten aan [gedaagde 2] en [gedaagde 3], begroot op USD 978,00, verhoogd met USD 84,00 in geval van betekening indien nakoming door [eiser] uitblijft binnen veertien dagen nadat [eiser] schriftelijk is verzocht om aan het vonnis te voldoen.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.