GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202500173
datum beslissing: 28 januari 2026
in de zaak van
[B.V.],
gevestigd te Bonaire,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het artikel 843a Rv BES-incident,
hierna: [B.V.],
gemachtigde: mr. E.J. Winkel,
tegen
de stichting [STICHTING],
gevestigd te Bonaire,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
gedaagde partij in het artikel 843a Rv BES-incident,
hierna: [STICHTING],
gemachtigde: mr. L.F.F.M. Drissen.
1. De procedure
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
het verzoekschrift met producties, ingekomen op 8 april 2025;
de conclusie van antwoord met producties, ingekomen op 27 augustus 2025;
de aanvullende producties 21 tot en met 23 van [STICHTING];
de aanvullende producties 24 en 25 van [STICHTING].
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 december 2025. Namens [B.V.] is mevrouw [bestuurder] (bestuurder, hierna: [bestuurder B.V. 1]) verschenen, bijgestaan door mr. Winkel. Namens [STICHTING] is de heer [manager stichting] (manager bedrijfsvoering bij [STICHTING], hierna: [manager stichting]) verschenen, bijgestaan door mr. Drissen. De spreekaantekeningen die de gemachtigden van partijen hebben voorgelezen zijn aan het dossier toegevoegd.
Op de mondelinge behandeling heeft [B.V.] een incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv BES ingesteld. De incidentele vordering is op de mondelinge behandeling behandeld en het gerecht heeft bepaald op deze vordering in dit vonnis zal worden beslist.
Ten slotte is bepaald dat op 28 januari 2026 schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.
2. De kern van de zaak
bestuurder B.V. 1] heeft namens [B.V.] als projectbegeleider werkzaamheden voor [STICHTING] verricht. [B.V.] stelt dat [bestuurder B.V. 1] daarnaast op basis van twee andere overeenkomsten als architect werkzaam is geweest voor [STICHTING]. [B.V.] vordert primair nakoming van die twee overeenkomsten, subsidiair schadevergoeding vanwege ongerechtvaardigde verrijking en meer subsidiair terugbetaling van een geldbedrag vanwege onverschuldigde betaling. De vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking wordt deels toegewezen.
B.V.] heeft ook een incidentele vordering ingesteld. Met die vordering wil [B.V.] afgifte van de volledige e-mailcorrespondentie van 4 januari 2024 van [manager stichting] aan de juridische en/of financiële afdeling van [STICHTING]. Die vordering wordt afgewezen, omdat [B.V.] geen rechtmatig belang heeft bij haar vordering.
3. De beoordeling
in het incident en in de hoofdzaak
De achtergrond van het geschil
In augustus 2022 hebben partijen een overeenkomst van opdracht gesloten op basis waarvan [bestuurder B.V. 1] in de periode van 1 september 2022 tot 28 februari 2023 werkzaamheden voor [STICHTING] heeft verricht (hierna: de begeleidingsovereenkomst). Artikel 1 van de begeleidingsovereenkomst bepaalt dat aan [bestuurder B.V. 1] de opdracht wordt verstrekt om: “als project manager [STICHTING] te ondersteunen bij de begeleiding en uitvoering van meerdere projecten en trajecten”. De begeleidingsovereenkomst is door middel van separate overeenkomsten tweemaal verlengd en eindigde uiteindelijk op 1 januari 2025.
Partijen hebben voorafgaand aan het sluiten van de begeleidingsovereenkomst onderhandeld over het uurtarief voor de werkzaamheden van [bestuurder B.V. 1]. Aanvankelijk is een uurtarief van USD 246,00 door [B.V.] voorgesteld. Daar is [STICHTING] niet akkoord mee gegaan. In de begeleidingsovereenkomst is een uurtarief van USD 70,00 overeengekomen. Tijdens de looptijd van de begeleidingsovereenkomst heeft [B.V.] facturen aan [STICHTING] gestuurd voor werkzaamheden van [bestuurder B.V. 1] en voor meerwerk. Die facturen zijn door [STICHTING] aan [B.V.] betaald.
Op 29 december 2023 heeft [B.V.] twee facturen aan [STICHTING] gestuurd. Volgens [B.V.] hebben die facturen betrekking op ontwerpwerkzaamheden van [bestuurder B.V. 1] voor de projecten [project 1] en [project 2] (hierna samen te noemen: de projecten) van [STICHTING]. De factuur voor het project [project 1] bedraagt USD 62.022,72 en de factuur voor het project [project 2] bedraagt USD 120.522,00. Deze facturen zijn niet door [STICHTING] betaald.
Partijen zijn geen afzonderlijke overeenkomsten aangegaan voor ontwerpwerkzaamheden
B.V.] stelt dat partijen naast de begeleidingsovereenkomst twee aanvullende “ontwerpovereenkomsten” overeengekomen zijn voor werkzaamheden van [bestuurder B.V. 1] als architect ten behoeve van de projecten. Volgens [B.V.] hebben partijen ook uitvoering gegeven aan die twee ontwerpovereenkomsten. Dat blijkt volgens [B.V.] uit de omstandigheden dat zij bouwontwerpen heeft gerealiseerd, zij verschillende locaties heeft bezocht waar de projecten gerealiseerd zouden kunnen worden, zij een verzoek bij het Openbaar Lichaam Bonaire (hierna: OLB) heeft ingediend voor de bouw van de projecten, lange tijd contact heeft gehad met het OLB over de projecten en een bespreking heeft gehad met ‘Bonaire Wegenbouw Maatschappij’. Met haar primaire vordering eist [B.V.] dat de twee ontwerpovereenkomsten worden nagekomen en dat [STICHTING] veroordeeld wordt tot betaling van de twee facturen van 29 december 2023.
Het is onbetwist komen vast te staan dat [STICHTING] een vaste procedure heeft bij het sluiten van nieuwe overeenkomsten waarbij enkel de voorzitter van de Raad van Bestuur van [STICHTING], de heer [Voorzitter Raad van Bestuur] (hierna: [Voorzitter Raad van Bestuur]), uiteindelijk bevoegd is om [STICHTING] aan een overeenkomst te binden. Die vertegenwoordigingsbevoegdheid van [Voorzitter Raad van Bestuur] voor [STICHTING] blijkt onder meer uit de openbare informatie uit het handelsregister. Dat [Voorzitter Raad van Bestuur] tekeningsbevoegd is blijkt ook uit het feit dat de begeleidingsovereenkomst en de overeenkomsten waarmee de begeleidingsovereenkomst is verlengd door hem ondertekend zijn.
In de periode dat [bestuurder B.V. 1] haar werkzaamheden voor [STICHTING] heeft verricht had [B.V.] twee bestuurders: [bestuurder B.V. 1] en de heer [bestuurder B.V. 2] (hierna: [bestuurder B.V. 2]). [bestuurder B.V. 1] was als projectbegeleider werkzaam voor [STICHTING] en [bestuurder B.V. 2] was lid van het managementteam van [STICHTING]. Naast het feit dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [STICHTING] uit het handelsregister volgt, had van [B.V.] in de gegeven omstandigheden verwacht mogen worden dat haar bestuurders op de hoogte waren van de procedure bij het aangaan van nieuwe overeenkomsten door [STICHTING]. Dit geldt te meer nu de door [B.V.] gestelde ontwerpovereenkomsten een totale waarde vertegenwoordigen van USD 195.040 (voor het project [project 1]) plus USD 379.000 (voor het project [project 2]).
Het is niet in geschil dat de gestelde ontwerpovereenkomsten niet ondertekend zijn. Het blijkt bovendien nergens uit dat de vermeende ontwerpovereenkomsten [Voorzitter Raad van Bestuur] hebben bereikt, laat staan dat hij de inhoud daarvan namens [STICHTING] heeft aanvaard. Dit betekent dat de stelling van [B.V.] dat twee ontwerpovereenkomsten met [STICHTING] tot stand zijn gekomen niet houdbaar is.
De door [B.V.] gestelde omstandigheden (zie rechtsoverweging 3.4.) waaruit zou blijken dat partijen uitvoering hebben gegeven aan de gestelde ontwerpovereenkomsten doen daar niet aan af. [bestuurder B.V. 1] heeft namelijk op basis van de begeleidingsovereenkomst als projectbegeleider werkzaamheden voor [STICHTING] verricht die bestonden uit “de begeleiding en uitvoering van meerdere projecten en trajecten”. Behalve het realiseren van bouwontwerpen valt – zonder nadere onderbouwing die ontbreekt - niet in te zien waarom alle overige gestelde werkzaamheden niet zouden vallen onder de werkzaamheden die [bestuurder B.V. 1] op grond van de begeleidingsovereenkomst als projectbegeleider voor [STICHTING] verrichtte. Dat, zoals [B.V.] betoogt, álle werkzaamheden van [bestuurder B.V. 1] ten behoeve van de twee specifieke projecten niet onder de begeleidingsovereenkomst vielen, ligt niet voor de hand en heeft [B.V.] ook onvoldoende onderbouwd.
B.V.] heeft nog gesteld dat door [manager stichting] de indruk is gewekt dat [STICHTING] akkoord zou zijn met de gestelde ontwerpovereenkomsten. Zo zou [manager stichting] de indruk hebben gewekt dat de facturen betaald zouden worden, heeft [manager stichting] niet geprotesteerd tegen offertes die [B.V.] aan hem stuurde voor ontwerpwerkzaamheden van [bestuurder B.V. 1] voor de projecten en heeft [manager stichting] op 4 januari 2024 een intern e-mailbericht gestuurd waarin zou staan dat overeenkomsten zouden zijn gesloten, [B.V.] de werkzaamheden heeft uitgevoerd, de overeenkomsten nooit ondertekend zijn en de facturen betaald moeten worden.
Het gerecht begrijpt dat [B.V.] een beroep doet op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid (als bedoeld in artikel 3:61 lid 2 BW BES). Omdat [B.V.] bekend was met de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [STICHTING], is niet relevant dat door [manager stichting] mogelijk de indruk is gewekt dat [STICHTING] akkoord zou zijn met de gestelde ontwerpovereenkomsten. Een vereiste voor een gerechtvaardigd beroep op de schijn van volmachtverlening is namelijk dat de wederpartij redelijkerwijs mocht aannemen dat een volmacht was verstrekt. Vanwege de bekendheid van [B.V.] met de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [STICHTING] is daar geen sprake van. Het beroep van [B.V.] op de schijn van volmachtverlening slaagt daarom niet.
Omdat het beroep van [B.V.] op de mogelijk door [manager stichting] gewekte indruk van vertegenwoordigingsbevoegdheid niet slaagt, heeft [B.V.] geen rechtmatig belang bij inzage in het e-mailbericht van 4 januari 2024. Het hebben van een rechtmatig belang is een vereiste voor toewijzing van een vordering op grond van artikel 843a Rv BES. De incidentele vordering tot afgifte van het e-mailbericht zal daarom worden afgewezen. De proceskosten in het incident zullen worden gecompenseerd, omdat van extra werkzaamheden door de gemachtigde van [STICHTING] voor haar verweer in het incident niet is gebleken.
Niet is dus komen vast te staan dat partijen de twee gestelde ontwerpovereenkomsten overeengekomen zijn waarvan [B.V.] nakoming vordert. De primaire vordering van [B.V.] tot betaling van de twee facturen van 29 december 2023 zal daarom worden afgewezen.
[STICHTING] is ongerechtvaardigd verrijkt door de ontwerptekeningen van [B.V.]
B.V.] stelt dat [STICHTING] ongerechtvaardigd is verrijkt, omdat haar ontwerptekeningen door [STICHTING] zijn gebruikt en zij daarvoor geen vergoeding heeft ontvangen. [B.V.] vordert schadevergoeding ter hoogte van de twee facturen van 29 december 2023 vanwege ongerechtvaardigde verrijking.
Hoewel niet is gebleken dat [STICHTING] opdracht aan [B.V.] heeft verstrekt voor ontwerpwerkzaamheden, is niet in geschil dat [STICHTING] ontwerpschetsen van [B.V.] ten aanzien van het project [project 1] heeft gebruikt. Op 4 september 2023 zijn de ontwerpen van [B.V.] door [STICHTING] namelijk gebruikt voor een groot reclamebord langs de openbare weg.
STICHTING] wordt niet gevolgd in haar stelling dat de ontwerpwerkzaamheden door [bestuurder B.V. 1] van deze tekeningen vallen onder de begeleidingsovereenkomst en [B.V.] voor die werkzaamheden daarom al een vergoeding heeft ontvangen. Het vervaardigen van deze ontwerptekeningen verschilt wezenlijk met de functieomschrijving uit de begeleidingsovereenkomst, namelijk het begeleiden en uitvoeren van projecten en trajecten. Feitelijk erkent [STICHTING] dit ook, door te stellen dat zij de ontwerpwerkzaamheden niet met [B.V.] is overeengekomen.
Omdat [STICHTING] met de ontwerptekeningen van het project [project 1] is verrijkt en [B.V.] daar geen vergoeding voor heeft ontvangen, is sprake van ongerechtvaardigde verrijking (als bedoeld in artikel 6:212 lid 1 BW BES). Daarom zal [STICHTING] worden veroordeeld om de schade die [B.V.] vanwege de ongerechtvaardigde verrijking heeft geleden te vergoeden.
B.V.] heeft niet concreet gesteld wat de hoogte van haar schade is vanwege de verrijking van [STICHTING] ten aanzien van de ontwerptekeningen van het project [project 1]. [B.V.] vordert betaling van haar volledige factuur van USD 62.022,72, maar die factuur omvat naar eigen zeggen meer werkzaamheden dan het tekenen van de ontwerpen die door [STICHTING] zijn gebruikt. [STICHTING] heeft de hoogte van de gevorderde schade van USD 62.022,72 gemotiveerd betwist door middel van een deskundigenrapport van ‘ICM Consult B.V.’. Volgens de deskundigen zijn de ontwerptekeningen van het project [project 1] conceptueel van aard en wordt geschat dat met het vervaardigen daarvan 44 uur is gemoeid. Bovendien geldt volgens de deskundigen voor ontwerp- en projectbegeleidingswerkzaamheden een vergelijkbaar uurtarief. [B.V.] heeft deze gemotiveerde betwisting van de hoogte van de door haar geleden schade onvoldoende weersproken. Het gerecht begroot de door [B.V.] geleden schade vanwege de verrijking van [STICHTING] met de ontwerptekeningen van het project [project 1] in redelijkheid op 44 uur x USD 70,00 = USD 3.080,00. Dit is naar het oordeel van het gerecht een voldoende redelijke schatting van de schade van [B.V.] en zal worden toegewezen. Voor zo ver [B.V.] meer heeft gevorderd dan dit bedrag, wordt dat meerdere als onvoldoende onderbouwd afgewezen. De gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedrag zal worden toegewezen vanaf de datum van dit vonnis, omdat [B.V.] niet eerder dan op de mondelinge behandeling ongerechtvaardigde verrijking aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd.
B.V.] heeft voor het project [project 2] ook ontwerptekeningen gemaakt. Dat die tekeningen zijn gebruikt is door [STICHTING] betwist en op geen enkele manier onderbouwd. Daarom is niet vast komen te staan dat [STICHTING] ten aanzien van die tekeningen is verrijkt. De schadevergoedingsvordering voor de ontwerptekeningen van het project [project 2] zal daarom worden afgewezen.
In rechtsoverweging 3.8. is reeds geoordeeld dat de overige door [B.V.] gestelde werkzaamheden geacht moeten worden te vallen onder de werkzaamheden die zijn verricht, gefactureerd en betaald op basis van de begeleidingsovereenkomst. Daarom wordt de vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking voor de overige werkzaamheden afgewezen.
Geen sprake van onverschuldigde betaling
B.V.] stelt dat zij prestaties heeft verricht die [STICHTING] heeft aanvaard en gebruikt en dat zonder rechtvaardiging voor die vermogensverschuiving betaling aan haar verschuldigd zou zijn.
Het gerecht begrijpt dat [B.V.] een beroep doet op artikel 6:203 lid 3 BW BES, waarmee degene die zonder rechtsgrond een prestatie heeft verricht tegenover de ontvanger recht heeft op ongedaanmaking daarvan. Ten aanzien van de ontwerpschetsen van het project [project 1] is de subsidiaire vordering van [B.V.] toegewezen. Wat betreft de overige gestelde werkzaamheden wordt de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling om dezelfde redenen als bij de vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking afgewezen.
[B.V.] moet proceskosten betalen
Omdat het grootste gedeelte van de vorderingen van [B.V.] wordt afgewezen, moet zij de proceskosten (inclusief nakosten) van [STICHTING] betalen. De proceskosten van [STICHTING] worden begroot op USD 3.352,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief 8) en USD 140,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De beslissingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard
STICHTING] heeft verweer gevoerd tegen de door [B.V.] gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Volgens [STICHTING] is [B.V.] per 20 juni 2025 opgeheven te bestaan en is het restitutierisico daarom hoog als [B.V.] na een uitspraak in hoger beroep iets aan [STICHTING] moet terugbetalen.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan.
Uit de door [B.V.] overgelegde correspondentie blijkt dat het bedrag dat [STICHTING] op grond van de veroordeling in dit vonnis aan [B.V.] moet betalen veel lager is dan het schikkingsbedrag dat [STICHTING] bereid was te betalen. Bovendien is het bedrag dat [B.V.] aan [STICHTING] moet betalen in verband met de proceskosten van deze procedure hoger dan het bedrag aan schadevergoeding dat [STICHTING] aan [B.V.] moet betalen. Daarom ziet het gerecht geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar dient te zijn. De beslissingen in dit vonnis zullen daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
4. De beslissing
Het gerecht:
in het incident
wijst de incidentele vordering van [B.V.] af;
compenseert de proceskosten in het incident, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak
veroordeelt [STICHTING] om aan [B.V.] te betalen een bedrag van USD 3.080,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW BES over het toegewezen bedrag, met ingang van 28 januari 2026, tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [B.V.] in de proceskosten van USD 3.492,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met USD 84,00 als [B.V.] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [B.V.] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW BES over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart de beslissingen uit rechtsoverweging 4.3, 4.4 en 4.5 uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.