Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10 en 11 september 2026. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. G. de Hoogd, advocaat in Aruba.
De officier van justitie, mr. D. Hazejager, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.
Tenlastelegging
Aan de verdachte wordt, na de ter terechtzitting toegelaten wijziging van de tenlastelegging, verweten dat hij zich – kort gezegd –schuldig heeft gemaakt aan het:
De volledige tenlastelegging is als bijlage achter dit vonnis gevoegd.
Voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewijsoverweging feit 1 (witwassen)
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat het onder 1 primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Gelet op de deskundigheid van de verdachte als accountant en belastingadviseur, de betalingsomschrijvingen die verwezen naar de Algemene Bestedingsbelasting (hierna: ABB) en de loonbelasting en het feit dat de gelden structureel een andere bestemming kregen, heeft de verdachte volgens de officier van justitie bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 1 is aangevoerd dat niet is vastgesteld dat de door ATP ontvangen gelden uit misdrijf afkomstig waren en evenmin dat de verdachte daarvan wist of dit redelijkerwijs moest vermoeden. Hij zou slechts de instructies van [medeverdachte 1], die als gemachtigde van JV Construction optrad, hebben uitgevoerd.
Oordeel van het Gerecht
Feiten en omstandigheden
De verdachte is bestuurder van Accountancy & Tax Partners B.V. (ATP). Hij heeft verklaard dat hij binnen ATP onder meer voor verschillende cliënten aangiften ABB en loonbelasting verzorgde. Ook heeft hij verklaard dat hij als enige toegang had tot de bedrijfsrekening van ATP.
J.V. Construction B.V. (hierna JV) is een bouwbedrijf. [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] (hierna: [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.]) was de eigenaar. De medeverdachte [medeverdachte 1] verzorgde de administratie van JV, waaronder ook de financiële administratie.
JV was verplicht ieder kwartaal aangifte te doen voor de ABB en de loonbelasting. Uit het overzicht van de Belastingdienst en de daarbij behorende aangiften blijkt dat de aangiften over het eerste kwartaal van 2018 tot en met het tweede kwartaal van 2021 niet op tijd zijn gedaan. Een groot deel daarvan is pas ingediend nadat naheffingsaanslagen waren opgelegd. De Belastingdienst heeft deze stukken daarom behandeld als bezwaarschriften en niet als aangiften.
De aangiften over het derde kwartaal van 2021 tot en met het vierde kwartaal van 2022 zijn wel op tijd gedaan. Deze aangiften waren echter onjuist in die zin dat ze te laag waren. Uit het boekenonderzoek blijkt dat de opgegeven bedragen niet aansloten bij de administratie van JV. De Belastingdienst heeft daarom aanzienlijke correcties toegepast.
In de periode van juli 2020 tot januari 2023 zijn vanuit JV met regelmaat aanzienlijke bedragen overgemaakt naar de bankrekening van ATP. Bij deze betalingen werden veelal omschrijvingen gebruikt als ‘pago ABB’ en ‘pago ABB.LB’. De ontvangen bedragen werden vervolgens vanaf de rekening van ATP overgemaakt naar onder meer Vania Car Rentals, de rekening van medeverdachte [medeverdachte 2], en rekeningen op naam van de verdachte. Ook werden bedragen contant opgenomen. De verdachte heeft verklaard dat hij deze betalingen en opnamen uitvoerde op aanwijzing van [medeverdachte 1].
De verdachte heeft verder verklaard dat hij JV Construction in verband met een belastingcontrole had geadviseerd en dat hij daarbij zelf had vastgesteld dat veel te weinig belasting was aangegeven.
Herkomst uit misdrijf
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de medeverdachte [medeverdachte 1] samen met JV over het derde kwartaal van 2021 tot en met het vierde kwartaal van 2022 bewust te lage belastingaangiften heeft ingediend. In de gelijktijdig behandelde strafzaak tegen [medeverdachte 1], waarin het Gerecht eveneens vandaag uitspraak doet, is dit feit bewezenverklaard.
Door het opzettelijk doen van onjuiste aangiften is bij JV een vermogensvoordeel ontstaan. JV hield immers de beschikking over een geldbedrag dat zij aan de Belastingdienst had moeten betalen. Dit uit misdrijf afkomstige voordeel is vervolgens binnen JV vermengd geraakt met de overige gelden van JV. Dat brengt mee dat niet meer kan worden vastgesteld welke afzonderlijke geldbedragen geheel of gedeeltelijk uit het fiscale misdrijf afkomstig zijn. Wel staat vast dat het geld waaruit vervolgens bedragen naar ATP zijn overgemaakt, mede bestond uit door het fiscale misdrijf verkregen voordeel. Het Gerecht vindt daarom bewezen dat in ieder geval enig geldbedrag dat vervolgens via ATP is ontvangen en verder is verplaatst, middellijk uit dit fiscale misdrijf afkomstig was.
Vrijspraak primair
Voor het primair ten laste gelegde is vereist dat ATP wist dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren. Het Gerecht vindt daarvoor onvoldoende bewijs. De verdachte wist wel dat bij JV Construction fiscale problemen bestonden. De verdachte heeft daarnaast verklaard dat [medeverdachte 1] hem heeft verteld dat binnen JV Construction opzettelijk minder belasting werd aangegeven dan verschuldigd was. Uit zijn verklaring volgt echter niet op welk moment hij daarvan op de hoogte is geraakt; deze mededeling staat in verband met zijn werkzaamheden aan de jaarrekeningen van JV Construction in 2023.
Daarom kan niet worden vastgesteld dat de verdachte al ten tijde van de relevante overboekingen wist dat de door ATP ontvangen bedragen geheel of gedeeltelijk afkomstig waren uit misdrijf. Evenmin kan uit de omstandigheden worden afgeleid dat de verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat de ontvangen gelden uit misdrijf afkomstig waren en dat hij die kans bewust heeft aanvaard.
Het onder 1 primair ten laste gelegde is niet bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Schuldwitwassen
Voor het subsidiair ten laste gelegde komt het Gerecht tot een ander oordeel.
De verdachte beschikte over ruime ervaring op financieel en fiscaal gebied. Hij wist bovendien dat bij JV problemen met de belastingaangiften bestonden en hij had zelf vastgesteld dat veel te weinig belasting was aangegeven. Vervolgens ontving ATP gedurende langere tijd aanzienlijke bedragen van JV, veelal met omschrijvingen die uitdrukkelijk verwezen naar ABB en loonbelasting. Die bedragen werden niet steeds aan de Belastingdienst betaald, maar op aanwijzing van [medeverdachte 1] naar andere bankrekeningen overgemaakt of contant opgenomen.
Daarbij is van belang dat de verdachte zelf heeft verklaard dat hij tegen [medeverdachte 1] heeft gezegd dat het ontvangen van deze bedragen via ATP “niet de juiste weg” was. Desondanks bleven de betalingen doorgaan en bleef hij de bedragen op aanwijzing van [medeverdachte 1] doorboeken. De verdachte heeft bovendien verklaard dat hij de gang van zaken “wel vreemd” vond. Dat [medeverdachte 1] hem af en toe liet zien dat daadwerkelijk belasting was betaald, neemt niet weg dat hij niet wist welk bedrag JV Construction werkelijk aan belasting verschuldigd was en dat structureel aanzienlijke bedragen met fiscale omschrijvingen een andere bestemming kregen.
Onder deze omstandigheden mocht van ATP, die zich beroepsmatig bezighield met financiële en fiscale dienstverlening, worden verwacht dat zij nader onderzoek deed naar de herkomst en bestemming van de ontvangen gelden voordat deze werden doorgestort of contant opgenomen. Door dat na te laten, terwijl daarvoor concrete en herhaalde aanwijzingen bestonden, moest ATP redelijkerwijs vermoeden dat in ieder geval een deel van de ontvangen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig was.
Het Gerecht vindt daarom bewezen dat ATP zich heeft schuldig gemaakt aan schuldwitwassen.
Feitelijke leiding
De verdachte was bestuurder van ATP, had als enige toegang tot de bedrijfsrekening en heeft de hiervoor bedoelde overboekingen en contante opnamen zelf uitgevoerd. Daarmee heeft hij een actieve en bepalende rol gehad bij de verboden gedragingen van ATP. Het Gerecht vindt daarom bewezen dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door ATP gepleegde schuldwitwassen en komt tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde.
Bewijsoverweging feit 2 (valsheid in geschrift)
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt het onder 2 ten laste gelegde bewezen. Volgens de officier van justitie hebben de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] de overeenkomst, betalingsverklaring en boetebrief bewust valselijk opgemaakt, zodat de verdachte daarmee tegenover een schuldeiser en zo nodig in een gerechtelijke procedure kon doen voorkomen dat daadwerkelijk bouwverplichtingen en betalingen bestonden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en aangevoerd dat aanvankelijk daadwerkelijk een bouwproject was voorzien en de stukken daarom niet vals waren.
De verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat de onder feit 2 bedoelde documenten vals zijn. Aan zijn eerdere, andersluidende verklaring kan volgens hem geen waarde worden gehecht, omdat hij die verklaring slechts heeft afgelegd om het verhoor te beëindigen en naar huis te kunnen gaan.
Oordeel van het Gerecht
In de woning van de verdachte is een samenhangende set documenten aangetroffen, bestaande uit onder meer een aannemingsovereenkomst van 1 juli 2019, een betalingsverklaring van 26 februari 2020 en een brief van 6 mei 2020 waarin een boete van USD 44.000 wegens het stopzetten van bouwwerkzaamheden wordt opgeëist. De set bevat behalve deze stukken ook bankafschriften, een verklaring van finale kwijting en een machtiging waaruit moest blijken dat de medeverdachte namens JV mocht handelen.
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat de inhoud van de stukken niet met de werkelijkheid overeenkwam. Over de betalingsverklaring heeft hij verklaard dat deze niet waar was en dat hij en [medeverdachte 1] deze samen hadden opgemaakt. Vervolgens heeft hij verklaard dat ook de aannemingsovereenkomst en de overige brieven niet juist waren. Hij heeft daarbij tevens uitgelegd waarvoor de stukken waren bedoeld: in verband met een geschil met een ander over de grond. De verdachte wilde met deze stukken kunnen aantonen dat hij reeds opdracht had gegeven voor de bouw van een woning en dat hij bij verkoop van zijn perceel als gevolg daarvan een schadepost van USD 44.000 zou hebben.
De verdachte is ter terechtzitting op deze verklaring teruggekomen. Hij heeft op de zitting verklaard dat hij lijdt aan hartproblemen en het erg zwaar had in detentie. Daarom heeft hij tijdens het verhoor bij de politie gewoon gezegd ‘wat ze wilden horen’. De verdachte wilde zo het verhoor beëindigen, zodat ze hem naar huis zouden laten gaan. Hoewel het Gerecht zeker wil geloven dat het zwaar voor hem was om vast te zitten, volgt het Gerecht de verdachte hierin niet. Zijn bekennende verklaring is concreet en gedetailleerd, en omvat veel meer dan slechts een algemene erkenning van wat de politie de verdachte voorhoudt. Juist het feit dat de verdachte bijzonderheden vertelt over de wijze van totstandkoming van de stukken en het doel waarvoor deze waren bestemd, maakt deze verklaring geloofwaardig. De bekentenis van de verdachte sluit bovendien aan bij de verklaringen van [medeverdachte 1] op dit punt.
Het Gerecht gaat bij de bewijswaardering dan ook uit van de eerdere – bekennende – verklaring van de verdachte.
Gelet op de verklaring van de verdachte dat hij en [medeverdachte 1] de betalingsverklaring samen hebben opgemaakt, zijn verklaring dat sprake was van een gezamenlijk plan, de rol van [medeverdachte 1] bij het opmaken en ondertekenen van de stukken en haar wetenschap dat de stukken zo nodig tegenover een derde konden worden gebruikt, vindt het Gerecht bewezen dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking. Het Gerecht vindt daarom bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde geschriften tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Het verweer dat aanvankelijk daadwerkelijk plannen bestonden om een woning te bouwen, leidt niet tot een ander oordeel. Het Gerecht leidt de valsheid niet af uit de enkele omstandigheid dat uiteindelijk niet is gebouwd, maar uit de eigen verklaring van de verdachte over de manier waarop de stukken tot stand zijn gekomen. Dat mogelijk op enig moment het voornemen heeft bestaan een woning te bouwen, doet daaraan niet af.
Ook het oogmerk om de geschriften als echt en onvervalst te gebruiken is bewezen. De verdachte heeft verklaard dat het de bedoeling was de stukken te gebruiken als dat nodig zou zijn. [medeverdachte 1] wist eveneens dat de stukken voor gebruik tegenover een derde konden dienen. Zij heeft verklaard dat de verdachte de boetebrief nodig had “voor de rechter” en heeft die brief namens JV ondertekend. Dat de stukken uiteindelijk niet daadwerkelijk zijn gebruikt en niemand daardoor is misleid, is voor een bewezenverklaring niet relevant.
Bewezenverklaring
Het Gerecht vindt, op basis van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij dit vonnis, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1 subsidiair
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Accountancy & Tax Partners B.V. in de periode van 8 juli 2020 tot en met 30 juni 2023 te Bonaire telkens, tezamen en in vereniging met een ander,
o van geldbedragen de werkelijke aard, de herkomst en de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld,
terwijl Accountancy & Tax Partners B.V. redelijkerwijs moest vermoeden dat die geldbedragen onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, aan welke verboden gedragingen verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven;
feit 2
hij op of omstreeks 1 juli 2019 en 26 februari 2020 en 6 mei 2020 te Bonaire, tezamen en in vereniging met een ander,
- een aannemingsovereenkomst, gedateerd 1 juli 2019, voor de bouw van een woning (DOC 103) en
- een brief, gedateerd 6 mei 2020, gericht aan [verdachte], betreffende een verschuldigde boete van USD 44.000,- in verband met annulering van bouwwerkzaamheden (DOC-103) en
- een verklaring, gedateerd 26 februari 2020, namens bouwbedrijf JV Construction, waarin is vermeld dat JV Construction in totaal USD 38.107 heeft ontvangen als deelbetaling van een voorschot op de bouw van een woning (DOC-103),
zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, immers hebben verdachte en zijn mededader telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in voornoemde stukken voorgewend dat [verdachte] opdracht heeft gegeven voor de bouw van een woning en/of dat bouwwerkzaamheden zijn verricht door JV Construction en/of dat er betalingen voor deze bouwwerkzaamheden door JV Construction zijn ontvangen en dat verdere bouwwerkzaamheden zijn geannuleerd.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Beslissing op de voorwaardelijke verzoeken van de verdediging
De raadsman heeft, voor het geval het Gerecht tot een bewezenverklaring komt, verzocht nader onderzoek te laten verrichten, te weten het volgende:
Volgens de raadsman is nader onderzoek naar de uiteindelijke bestemming van de gelden van belang voor de bewijsbeslissing en in ieder geval voor de straftoemeting, onder meer omdat volgens hem niet is gebleken dat de verdachte zelf financieel voordeel heeft genoten. De raadsman heeft ter terechtzitting bij dupliek het onder het eerste gedachtestreepje genoemde verzoek ingetrokken. De raadsman heeft verder toegelicht dat zowel medeverdachte [medeverdachte 1] als [getuige] weliswaar al op de terechtzitting van 10 september 2026 zijn gehoord als getuige, maar dat de verdediging verzoekt hen opnieuw te horen, ‘mocht het Gerecht dat nodig vinden’.
De officier van justitie heeft zich tegen de verzoeken verzet. Hij heeft aangevoerd dat deze laat zijn gedaan en onvoldoende zijn onderbouwd. Daarbij heeft hij gewezen op de omvang van het reeds verrichte FIOD-onderzoek en het feit dat geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht die nader onderzoek rechtvaardigen.
Het Gerecht wijst de verzoeken af. Voor wat betreft het verzoek tot vermogensvergelijking of vermogensonderzoek geldt het volgende. Voor de beoordeling van het ten laste gelegde is niet beslissend waar de gelden van JV uiteindelijk zijn terechtgekomen. Evenmin is relevant of bij de verdachte sprake is geweest van vermogensgroei. Het Gerecht ziet dan ook niet hoe een vermogensonderzoek naar wijlen [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] of aan hem gelieerde (rechts)personen relevant kan zijn voor enige door het Gerecht te nemen beslissing.
Ook de getuigenverzoeken worden afgewezen. [medeverdachte 1] en [getuige] zijn reeds ter terechtzitting als getuigen gehoord. De verdediging heeft niet concreet gemaakt op welke voor de te nemen beslissingen relevante punten zij nog nader zouden kunnen verklaren. Voor zover het verzoek ten aanzien van [getuige] ziet op de vraag of het opnemen van een boetebeding gebruikelijk is, is die vraag niet bepalend voor het oordeel over de valsheid van de concrete geschriften. De verdachte wordt door het achterwege laten van een nieuw verhoor van deze getuigen niet in zijn verdediging geschaad.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 435c jo. artikel 53, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen aan het feitelijke leiding geven aan schuldwitwassen, begaan door een rechtspersoon
Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 230, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
De officier van justitie heeft, uitgaande van de bewezenverklaring het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde gevorderd dat de verdachte daarvoor zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie een beroepsverbod van boekhouder/accountant voor de duur van 3 jaren geëist.
De raadsman heeft verzocht om, voor het geval het Gerecht tot een bewezenverklaring komt, een strafmaatverweer gevoerd. Hij heeft daarbij gewezen op de leeftijd van de verdachte, diens persoonlijke omstandigheden, en de gevolgen die de strafzaak reeds voor hem heeft gehad. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte zelf geen financieel voordeel uit deze zaak heeft genoten en verzocht daarmee in strafmatigende zin rekening te houden.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Gerecht gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
In het bijzonder heeft het Gerecht gelet op het volgende.
Ernst van de feiten
De verdachte was bestuurder van ATP en hield zich beroepsmatig bezig met financiële en fiscale dienstverlening. Via de bankrekening van ATP werden gedurende langere tijd aanzienlijke geldbedragen ontvangen van JV Construction B.V. welke bedragen vervolgens werden overgeboekt naar verschillende bankrekeningen en vervolgens weer deels doorgestort of contant opgenomen. Door deze werkwijze heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen. Witwassen tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan en maakt het mogelijk dat uit misdrijf afkomstige gelden in het reguliere betalingsverkeer terechtkomen.
Daarnaast heeft de verdachte samen met een ander drie valse documenten opgemaakt. Met deze stukken kon de indruk worden gewekt dat daadwerkelijk bouwverplichtingen, betalingen en een daaruit voortvloeiende schadeverplichting bestonden. Aan documenten die in het zakelijke en juridische verkeer tot bewijs kunnen dienen, moet vertrouwen kunnen worden ontleend. Door bewust valse stukken op te maken met het oog op mogelijk gebruik daarvan heeft de verdachte dat vertrouwen geschonden.
Het Gerecht neemt in strafverzwarende zin in aanmerking dat de verdachte juist vanuit zijn professionele werkzaamheden bekend was met het belang van een betrouwbare administratie en juiste financiële documentatie. Niettemin heeft hij onvoldoende zorgvuldig gehandeld ten aanzien van de via ATP lopende geldstromen en daarnaast bewust meegewerkt aan het opmaken van valse geschriften.
Het Gerecht heeft bij het bepalen van de straf verder gekeken naar de voor dergelijke feiten geldende oriëntatiepunten en op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet op die uitgangspunten en in het bijzonder op de ernst, de duur en de omvang van de bewezenverklaarde feiten, kan niet worden volstaan met een geheel voorwaardelijke straf of een schuldigverklaring zonder oplegging van straf, zoals door de raadsman is verzocht. Een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur is gerechtvaardigd.
Persoonlijke omstandigheden
Het Gerecht heeft kennisgenomen van de civiele en fiscale nasleep van de zaak en van de gevolgen voor de beroepspraktijk en reputatie van de verdachte. Het ziet daarin echter geen aanleiding tot strafvermindering, nu deze gevolgen in belangrijke mate voortvloeien uit het eigen handelen van de verdachte.
In strafmatigende zin houdt het Gerecht rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is 68 jaar oud en heeft gezondheidsproblemen.
Alles afwegend acht het Gerecht een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden.
Redelijke termijn
Het Gerecht stelt vast dat de verdachte op 28 mei 2024 in verzekering is gesteld. Vanaf dat moment kon hij in redelijkheid verwachten dat hij strafrechtelijk zou worden vervolgd en is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM begonnen te lopen. Het Gerecht doet uitspraak op 1 oktober 2026. Daarmee is de voor de berechting in eerste aanleg als uitgangspunt geldende termijn van twee jaren overschreden.
Bij de beoordeling van de gevolgen daarvan betrekt het Gerecht echter dat een (groot) deel van het tijdsverloop verband houdt met meerdere op verzoek van de verdediging verleende aanhoudingen. De overschrijding is daarmee deels aan de verdachte toe te rekenen. Het Gerecht ziet daarom geen aanleiding de op te leggen straf wegens de overschrijding van de redelijke termijn te verminderen en volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Conclusie straf
Gelet op het voorgaande zal het Gerecht aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Beroepsontzetting
Het Gerecht zal de door de officier van justitie gevorderde beroepsontzetting niet opleggen. Het bewezenverklaarde schuldwitwassen biedt daarvoor geen wettelijke grondslag. Artikel 435d Sr BES bepaalt dat bij een veroordeling wegens een witwasmisdrijf slechts ontzetting kan worden uitgesproken van de in artikel 32, eerste lid, onder 1° en 2°, Sr BES genoemde rechten. Het recht tot uitoefening van bepaalde beroepen is echter afzonderlijk opgenomen onder 5° en valt daar dus niet onder.
Ook artikel 33 Sr BES biedt geen grondslag. Die bepaling heeft uitsluitend betrekking op het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleden en op het dienen bij de gewapende macht. Het beroep van boekhouder valt ook daar niet onder.
Dit betekent dat geen wettelijke grondslag bestaat voor de door de officier van justitie gevorderde beroepsontzetting. Het Gerecht zal de gevorderde beroepsontzetting daarom niet opleggen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 17b, 31, 49, 53 en 59, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 9 (negen) maanden;
bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door mr. S. Pesch, griffier, en op 1 oktober 2026 uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.
De griffier is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.