Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10 en 11 september 2026. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.T.C. Nicolaas, advocaat op Bonaire.
De officier van justitie, mr. D. Hazejager, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde.
Tenlastelegging
Aan de verdachte wordt, na de ter terechtzitting toegelaten wijziging van de tenlastelegging, verweten dat hij:
op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 juli 2020 tot en met 30 juni 2023 te Bonaire (telkens), tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
- van geldbedragen, te weten totaal ongeveer USD 110.678,-, althans enig geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die geldbedrag(en) was/waren, en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden had(den),
en/of
- geldbedragen, te weten totaal ongeveer USD 110.678,-, althans enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of van dat/die geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en hij verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft / hebben gemaakt;
subsidiair voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 juli 2020 tot en met 30 juni 2023 te Bonaire (telkens), tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
- van geldbedragen, te weten totaal ongeveer USD 110.678,-, althans enig geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die geldbedrag(en) was/waren, en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden had(den)
en/of
- geldbedragen, te weten totaal ongeveer USD 191.338,-, althans enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of van dat/die geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat /die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat het primair ten laste gelegde opzetwitwassen (als gewoonte) kan worden bewezen. De verdachte heeft in de periode van juli 2020 tot april 2022 in meerdere transacties van ATP op zijn bankrekening ontvangen. Een deel van deze bedragen is vervolgens opgenomen, overgemaakt of uitgegeven. Gelet op de hoogte en de regelmaat van de bedragen moet de verdachte hebben geweten dat het geld uit misdrijf afkomstig was. Mocht het Gerecht van oordeel zijn dat hij dit niet wist, dan had hij dit in ieder geval redelijkerwijs moeten vermoeden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte niet wist dat zijn toenmalige partner, medeverdachte [medeverdachte 1], financiële handelingen verrichtte met gebruikmaking van zijn bankrekening. De verdachte had geen wetenschap van de aard en herkomst van de desbetreffende geldbedragen.
Oordeel van het Gerecht
Inleiding
J.V. Construction B.V. (hierna JV) is een bouwbedrijf. De toenmalige partner van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1], verzorgde de administratie van JV, waaronder ook de financiële administratie.
Uit het dossier blijkt dat in de jaren 2020, 2021 en 2022 vanaf de bankrekening van JV bedragen werd overgemaakt naar een accountantskantoor: Accountancy & Tax Partners B.V. (hierna: ATP). De medeverdachte [medeverdachte 2] is de feitelijk bestuurder van ATP. Bij veel van de overboekingen van JV aan ATP stond in de omschrijving dat het geld bestemd was voor de Algemene Bestedingsbelasting (ABB) of voor de loonbelasting.
Vanaf de rekening van ATP werd vervolgens geld overgemaakt naar rekeningen van medeverdachte [medeverdachte 2], naar het bedrijf Vania Car Rental en ook naar de rekening van verdachte. Ook werd er onderling geld overgemaakt.
Een aanzienlijk deel van het geld dat door JV naar ATP werd overgemaakt is uiteindelijk daadwerkelijk aan de Belastingdienst Caribisch Nederland betaald. Maar (lang) niet alles.
Het Gerecht stelt vast dat in de periode van juli 2020 tot april 2022 vanaf de bankrekening van ATP in meerdere transacties in totaal USD 110.677,60 is overgemaakt naar een bankrekening op naam van de verdachte. Een deel van deze bedragen is vervolgens overgemaakt naar onder meer Vania Car Rentals, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], contant opgenomen of besteed aan privédoeleinden. De bankmutaties bevestigen dat gedurende langere tijd aanzienlijke bedragen op de rekening van de verdachte zijn ontvangen en verder zijn verplaatst.
Feitelijke gang van zaken en de rol van de verdachte
Het Gerecht zal in het midden laten of de geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren. Ook als daarvan wordt uitgegaan, moet allereerst komen vast te staan dat de verdachte wist dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren of dit redelijkerwijs moest vermoeden. Het Gerecht gaat daarom eerst in op de vraag naar de rol van verdachte.
De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist wat er in 2020 en 2021 op zijn bankrekening gebeurde, omdat hij toen niet over internetbankieren beschikte. Zijn toenmalige partner, die financieel adviseur is, beheerde alle geldzaken. Over verschillende bedragen die vanuit ATP op zijn rekening waren gestort, heeft de verdachte verklaard niets te weten. Wel heeft hij verklaard dat zijn toenmalige partner hem soms vroeg geld op te nemen dat zij op zijn rekening had laten storten, en dit geld vervolgens aan haar te geven.
Deze verklaring staat niet op zichzelf, maar wordt ondersteund door de verklaringen van zijn toenmalige partner. Zij was inderdaad financieel adviseur en zij regelde de geldzaken. Ook andere stukken uit het dossier bieden steun voor de stelling dat de toenmalige partner van de verdachte de geldstromen beheerste, en niet de verdachte. Uit WhatsApp-berichten blijkt dat de toenmalige partner rechtstreeks contact onderhield met [medeverdachte 2] over de betalingen en hem opdroeg bedragen over te maken naar de rekening van de verdachte. Zo gaf zij [medeverdachte 2] op 9 juli 2020 het rekeningnummer van de verdachte door en vroeg zij daarnaast om een bedrag contant beschikbaar te stellen. De verdachte komt in die berichten niet als gesprekspartner voor.
[medeverdachte 2] heeft, toen hem werd gevraagd naar de omschrijving “as agreed”, verklaard dat [medeverdachte 1] hem had opgedragen het geld naar de rekening van [verdachte] over te maken. Ook uit de WhatsApp-berichten blijkt dat [medeverdachte 1] wist wanneer JV Construction geld naar ATP overmaakte en vervolgens instructies gaf over de verdere bestemming van het geld.
Wetenschap?
De hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden bieden onvoldoende grond voor de conclusie dat de verdachte wist dat de op zijn rekening ontvangen bedragen uit enig misdrijf afkomstig waren. Dat de rekening op zijn naam stond, hij op verzoek geld heeft opgenomen en een deel van de gelden mede voor een privédoel is aangewend, is daarvoor onvoldoende. Uit die omstandigheden kan niet worden afgeleid dat de verdachte wetenschap had van de herkomst en de omvang van de geldstromen.
Evenmin kan worden vastgesteld dat hij zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat de bedragen uit enig misdrijf afkomstig waren en die kans bewust heeft aanvaard.
Het primair ten laste gelegde opzetwitwassen is daarom niet bewezen.
Ook kan niet worden vastgesteld dat voor de verdachte zodanige concrete omstandigheden kenbaar waren dat hij redelijkerwijs moest vermoeden dat de bedragen uit enig misdrijf afkomstig waren. De hiervoor vastgestelde omstandigheden zijn daarvoor eveneens onvoldoende.
Om die reden is ook het subsidiair ten laste gelegde schuldwitwassen niet bewezen.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte in ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door mr. S. Pesch, griffier, en op 1 oktober 2026 uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.
De griffier is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.