ONDERZOEK VAN DE ZAAK
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10 en 11 september 2026. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door haar raadsman mr. A.T.C. Nicolaas, advocaat op Bonaire.
De officier van justitie, mr. D. Hazejager, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het in zaak A onder 1, 2 primair, 3 primair, 4, 5 en 6 en het in zaak B ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het in zaak A onder 1, 2, 3, 4 en 5 en van het in zaak B ten laste gelegde. Ten aanzien van het in zaak A onder 6 ten laste gelegde en, subsidiair, ten aanzien van de overige feiten heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.
TENLASTELEGGING
Aan de verdachte wordt, na de ter terechtzitting toegelaten wijziging van de tenlastelegging, verweten dat zij zich – kort gezegd –schuldig heeft gemaakt aan:
in zaak A - HOLMPTON:
SMIENT:
6. valsheid in geschrift door het vervalsen van verschillende vacatureaanmeldingen in de periode van 4 november 2021 tot en met 26 oktober 2023;
in zaak B - LIMA:
valsheid in geschrift door onder meer bezwaarformulieren, jaarrekeningen en een toelichting op een winst- en verliesrekening in de periode van 6 augustus 2024 tot en met 27 maart 2025 te ondertekenen met een andere naam en te voorzien van een valse ontvangststempel van de Belastingdienst.
De volledige tenlasteleggingen zijn als bijlagen achter dit vonnis gevoegd.
VOORVRAGEN
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
OORDEEL VAN HET GERECHT OVER DE TENLASTEGELEGDE FEITEN
Het Gerecht komt tot een vrijspraak in de zaak LIMA (zaak B) en ook tot een vrijspraak met betrekking tot feit 2 in de zaak HOLMPTON (zaak A). De overige feiten in de zaak HOLMPTON en feit 6 (de zaak SMIENT) vindt het Gerecht bewezen.
Het Gerecht zal hierna eerst ingaan op de feiten en omstandigheden in deze zaak. Daarna zal het Gerecht per feit toelichten waarom het tot een vrijspraak of een bewezenverklaring is gekomen.
Feiten en omstandigheden
J.V. Construction B.V. (hierna: JV) is een bouwbedrijf. [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] (hierna: [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.]) was de eigenaar. De verdachte verzorgde de administratie van JV, waaronder ook de financiële administratie. De verdachte was ook vertrouwenspersoon van [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.].
JV was verplicht ieder kwartaal aangifte te doen voor de Algemene Bestedingsbelasting (hierna: ABB) en de loonbelasting. Uit het overzicht van de Belastingdienst en de daarbij behorende aangiften blijkt dat de aangiften over het eerste kwartaal van 2018 tot en met het tweede kwartaal van 2021 niet op tijd zijn gedaan. Een groot deel daarvan is pas ingediend nadat naheffingsaanslagen waren opgelegd. De Belastingdienst heeft deze stukken daarom behandeld als bezwaarschriften en niet als aangiften.
De aangiften over het derde kwartaal van 2021 tot en met het vierde kwartaal van 2022 zijn wel op tijd gedaan. Deze aangiften waren echter onjuist in die zin dat ze te laag waren. Uit het boekenonderzoek blijkt dat de opgegeven bedragen niet aansloten bij de administratie van JV. De Belastingdienst heeft daarom aanzienlijke correcties toegepast.
De vraag in de zaak HOLMPTON is of, naast belastingontduiking, ook sprake is van oplichting c.q. verduistering, en witwassen. Ook zou sprake zijn van een valse aannemingsovereenkomst met daarbij behorende documenten.
Uit het dossier blijkt dat in de jaren 2020, 2021 en 2022 vanaf de bankrekening van JV bedragen werden overgemaakt naar een accountantskantoor: Accountancy & Tax Partners B.V. (hierna: ATP). De medeverdachte [medeverdachte 1] is de feitelijk bestuurder van ATP. Bij veel van de overboekingen van JV aan ATP stond in de omschrijving dat het geld bestemd was voor de ABB of voor de loonbelasting.
Vanaf de rekening van ATP werd vervolgens geld overgemaakt naar rekeningen van medeverdachte [medeverdachte 1], naar het bedrijf Vania Car Rental en ook naar de rekening van [medeverdachte 2] (medeverdachte en de toenmalige partner van de verdachte). Ook werd er onderling geld overgemaakt.
Volgens de verdachte is deze constructie tot stand gekomen omdat [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] de belastingbetalingen via een accountant wilde laten verlopen. Een aanzienlijk deel van het geld dat door JV naar ATP werd overgemaakt is inderdaad uiteindelijk daadwerkelijk aan de Belastingdienst Caribisch Nederland betaald. Maar (lang) niet alles. Een deel is contant opgenomen, en al dan niet terecht gekomen bij de verdachte. Een ander deel zou zijn verrekend met het salaris van de verdachte, en ook met facturen voor het inhuren van personeel van de verdachte door JV. Ook [medeverdachte 1] zou bedragen hebben verrekend.
Onduidelijkheden
Het staat wel vast dat geld van JV dat bestemd was voor de betaling van belasting via verschillende bankrekeningen is verplaatst. Deze geldstromen zijn onoverzichtelijk en roepen vragen op. Het dossier geeft echter geen volledig beeld. Ook het onderzoek op de terechtzitting heeft niet alle onduidelijkheden weggenomen. Zo kan niet precies worden vastgesteld waar het deel, dat niet bij de Belastingdienst terecht is gekomen, is gebleven en waarvoor het is gebruikt. Verder is niet duidelijk geworden welke afspraken [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] met de verdachte had gemaakt en welke rol [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] zelf heeft gespeeld bij de geldstromen. Evenmin kan worden vastgesteld welke betalingen met zijn medeweten of toestemming zijn gedaan.
Daarbij komt dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zelfstandig over de bankrekeningen en gelden van JV kon beschikken. De verdachte heeft verklaard dat zij niet zelf geld van de rekening van JV kon overmaken. Die verklaring wordt door het dossier niet weerlegd. Integendeel: de berichten waarin zij de erven van [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] erop wijst dat geld tijdig moet worden overgemaakt, bieden daarvoor steun. Ook de berichten die zij met de zoon van [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] heeft gewisseld over de betalingen wijzen erop dat de verdachte voor het overmaken van geld vanuit JV afhankelijk was van anderen.
Door zijn overlijden heeft [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] hierover zelf geen verklaring kunnen afleggen. Zijn rol en zijn bedoelingen kunnen daarom niet meer met voldoende zekerheid worden vastgesteld. Het Gerecht betrekt deze omstandigheid bij de beoordeling van de feiten en de waardering van het bewijs.
HOLMPTON - zaak A feit 1 (belastingontduiking)
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt feit 1 bewezen. Hij heeft gewezen op het boekenonderzoek, de aangiften en de verklaringen van de verdachte. Daaruit volgt volgens hem dat 28 aangiften ABB of loonbelasting te laat zijn gedaan en twaalf aangiften onjuist zijn gedaan. De verdachte vulde de aangiften in en diende deze in. Zij wist dat de opgegeven bedragen te laag waren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging betwist niet dat de verdachte de aangiften heeft ingevuld en ingediend. Volgens de verdediging handelde zij echter in opdracht van [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.]. Zij was een ondergeschikte werknemer, was financieel afhankelijk van haar baan en kon niet tegen hem ingaan. Daarom doet de verdediging een beroep op psychische overmacht en vraagt zij het Gerecht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
Oordeel van het Gerecht
De verdachte heeft verklaard dat zij de aangiften invulde en indiende. Zij wist dat de opgegeven bedragen lager waren dan de bedragen die uit de administratie volgden. Toch heeft zij de aangiften ingediend. Volgens haar gebeurde dit in opdracht van [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.], omdat hij minder belasting wilde betalen. Ook heeft zij verklaard dat met het indienen van nieuwe aangiften werd gewacht omdat JV nog oude belastingschulden moest betalen en onvoldoende geld had. De tenlastegelegde feiten kunnen dus bewezenverklaard worden.
[voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] heeft als bestuurder van JV opdracht gegeven de bedragen te verlagen. De verdachte heeft vervolgens de aangiften met die bedragen ingevuld en ingediend. Daarmee hebben de verdachte en JV ieder een wezenlijke bijdrage geleverd aan het te laat en onjuist doen van de aangiften. Uit het overleg en de taakverdeling blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking. Het Gerecht vindt daarom het medeplegen ook bewezen.
Psychische overmacht
Hoewel het beroep op psychische overmacht betrekking heeft op de strafbaarheid van de verdachte en niet op het bewijs, bespreekt het Gerecht dit verweer vanwege de nauwe samenhang met de vast te stellen feiten en voor de leesbaarheid op deze plaats.
Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. De druk moet zo ernstig zijn dat van de verdachte, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat zij anders handelde. Daarbij is onder meer van belang of zij over redelijke alternatieven beschikte en of haar handelen in verhouding stond tot de uitgeoefende druk.
Het Gerecht stelt voorop dat een verhouding tussen een werkgever en een werknemer een zekere druk op de werknemer kan meebrengen. In deze zaak is echter niet gebleken dat die druk zo ernstig was dat de verdachte daaraan geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden. Uit niets blijkt dat [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] de verdachte heeft bedreigd of op een andere wijze echt heeft gedwongen mee te werken. Sterker nog; uit het dossier ontstaat juist het beeld dat tussen [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] en de verdachte een vertrouwensband bestond, waarbij [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] op de verdachte leunde en haar als vertrouweling beschouwde.
Het Gerecht vindt dan ook niet aannemelijk dat voor de verdachte geen redelijke andere uitweg bestond dan haar handelen voort te zetten. Daarbij is ook van belang dat het niet ging om één plotselinge of kortdurende situatie. De verdachte heeft gedurende meerdere jaren en verschillende aangiftetijdvakken, samen met JV bewust de belastingaangiften niet gedaan of de daarop vermelde bedragen naar beneden bijgesteld. Gelet op dat tijdsverloop had zij voldoende gelegenheid om haar medewerking te beëindigen, juiste aangiften in te dienen of bij de Belastingdienst openheid van zaken te geven. Indien zij zich daadwerkelijk bedreigd of gedwongen voelde, had zij bovendien hulp kunnen zoeken of zich tot de politie kunnen wenden.
Al met al was naar het oordeel van het Gerecht geen sprake van een van buiten komende dwang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon of hoefde te bieden. Het verweer wordt verworpen. De verdachte is strafbaar.
HOLMPTON- zaak A feit 2 – vrijspraak oplichting of verduistering
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde oplichting bewezenverklaard kan worden omdat de geldbedragen die door JV waren bestemd voor de betaling van belastingen niet aan de Belastingdienst zijn afgedragen maar door de verdachte voor andere doeleinden zijn aangewend en deels in haar privévermogen zijn terechtgekomen. Mocht niet vastgesteld worden dat sprake is van oplichting, dan is in ieder geval de verduistering bewijsbaar, aldus de officier van justitie.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak van dit feit bepleit.
Oordeel van het Gerecht
Primair tenlastegelegde oplichting
Voor oplichting moet een in de wet genoemd oplichtingsmiddel zijn gebruikt. Door dat middel moet JV zijn bewogen om het geld over te maken. De misleiding moet voldoende ernstig en concreet zijn. Door de misleiding moet bij JV een onjuist beeld van de situatie zijn ontstaan. De verdachte moet daarvan misbruik hebben gemaakt.
Het Gerecht kan niet vaststellen dat dit is gebeurd. De verdachte gebruikte geen valse naam en handelde vanuit haar werkelijke functie als administrateur. Ook kan geen listige kunstgreep of samenweefsel van leugens worden vastgesteld. Het Gerecht vindt bewezen dat de verdachte samen met JV belasting heeft ontdoken. Dat het geld daarna via verschillende rekeningen is verplaatst, bewijst niet dat JV vooraf is misleid.
Het Gerecht spreekt de verdachte daarom vrij van de primair ten laste gelegde oplichting.
Subsidiair tenlastegelegde verduistering
Voor verduistering moet vaststaan dat de verdachte geld dat aan een ander toebehoorde anders dan door misdrijf onder zich had en zich dat geld vervolgens opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend. Van wederrechtelijke toe-eigening is sprake als de verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over het geld is gaan beschikken. Bij verduistering in beroep moet bovendien vaststaan dat de verdachte het geld uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking of beroep onder zich had.
Het dossier biedt onvoldoende duidelijkheid over de afspraken die tussen [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.], de verdachte en ATP bestonden over de bedragen die door JV naar ATP werden overgemaakt. Evenmin kan voldoende worden vastgesteld met welk doel [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] deze bedragen liet overmaken en welke bestemming daaraan volgens de tussen hen gemaakte afspraken mocht worden gegeven. Juist omdat de rol en de intenties van [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] op dit punt niet kunnen worden vastgesteld, kan niet worden vastgesteld dat het vervolgens beschikken over die bedragen in strijd was met de afspraken met JV en daarmee wederrechtelijk was.
Onder deze omstandigheden is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte geld van JV dat zij uit hoofde van haar beroep onder zich had, zich opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend. Het Gerecht spreekt de verdachte daarom ook vrij van de subsidiair ten laste gelegde verduistering.
HOLMPTON - zaak A feit 3 (witwassen)
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt feit 3 primair bewezen. Volgens de officier vormt de onder feit 2 ten laste gelegde oplichting het gronddelict. Van de door JV overgemaakte bedragen is USD 191.338 niet aan de Belastingdienst betaald, maar via verschillende bankrekeningen verplaatst en deels contant opgenomen. Daarmee is van dat bedrag de herkomst en verplaatsing van het geld verborgen of verhuld. Gelet op de duur, de herhaling en het aantal transacties is volgens de officier sprake van gewoontewitwassen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Volgens hem ontbreekt een gronddelict, omdat de onder feit 2 ten laste gelegde oplichting dan wel verduistering niet kan worden bewezen. Ook is de berekening van USD 191.338 volgens hem onjuist, omdat onvoldoende rekening is gehouden met zakelijke betalingen, contante afgiften en bedragen die aan de Belastingdienst zijn betaald. Ten slotte waren de overboekingen volledig traceerbaar, zodat volgens de raadsman geen sprake is van verbergen of verhullen en evenmin van gewoontewitwassen.
Oordeel van het Gerecht
Het gronddelict
Het Gerecht vindt dat de onder feit 1 bewezenverklaarde belastingfraude als gronddelict voor het witwassen kan worden aangemerkt. Uit het boekenonderzoek blijkt dat de aangiften ABB en loonbelasting over het derde kwartaal van 2021 tot en met het vierde kwartaal van 2022 niet aansloten bij de administratie van JV. Als gevolg van de te lage aangiften werd te weinig belasting geheven. JV hield daardoor de beschikking over een geldbedrag dat zij aan de Belastingdienst had moeten betalen.
Vermogensbestanddelen waarover iemand de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, kunnen worden aangemerkt als voorwerpen die uit misdrijf afkomstig zijn. Dat geldt ook als het fiscale misdrijf door de verdachte zelf is gepleegd.
Het Gerecht gaat hierbij niet uit van de belastingaangiftes die te laat zijn ingediend. Dit geldt voor de aangiften over het eerste kwartaal van 2018 tot en met het tweede kwartaal van 2021. Om ook hier een criminele herkomst te kunnen vaststellen, zou moeten worden vastgesteld dat juist door het te laat indienen daadwerkelijk belasting is ontdoken en welk vermogensbestanddeel daardoor is verkregen. Het dossier biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Het Gerecht baseert de criminele herkomst daarom alleen op de aangiften die bewust te laag zijn ingediend.
Vermenging legaal en crimineel geld
Het bedrag aan belasting waarover JV door de te lage aangiften de beschikking heeft gehouden, is niet afzonderlijk bewaard. Dit bedrag is onderdeel geworden van het overige vermogen van de onderneming en is vermengd geraakt met geld uit de legale bedrijfsactiviteiten. Uit dit vermengde vermogen zijn vervolgens bedragen overgemaakt naar verschillende bankrekeningen van andere personen en ondernemingen. Een deel van dit geld is vanaf die rekeningen alsnog verder overgeboekt of contant opgenomen.
Daardoor kan niet meer worden vastgesteld welk gedeelte van iedere afzonderlijke overboeking bestond uit het aan belasting ontdoken geld. Dat staat niet aan een bewezenverklaring in de weg. Wanneer crimineel geld wordt vermengd met legaal geld, kan het vermengde vermogen als gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig worden aangemerkt. Daarvoor is wel vereist dat het criminele deel van voldoende omvang is en niet slechts een verwaarloosbaar gedeelte van het totale vermogen vormt.
Uit het boekenonderzoek blijkt welk bedrag aan belasting door de te lage aangiften niet is geheven. Dit bedrag was aanzienlijk en vormde geen verwaarloosbaar deel van het vermogen waaruit de overboekingen zijn gedaan. De vanuit dit vermengde vermogen overgeboekte geldbedragen waren daarom gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig.
Verbergen en verhullen
Dat het geld afkomstig was uit een door de verdachte zelf medegepleegd misdrijf, staat aan een bewezenverklaring van witwassen niet in de weg. Het enkele overboeken of verplaatsen van geld is in dat geval voor een bewezenverklaring echter niet voldoende. De manier waarop dit is gebeurd, moet erop zijn gericht en geschikt zijn geweest om het zicht op de herkomst of verplaatsing van het geld, of op degene die daarover beschikte, te bemoeilijken.
Zoals het Gerecht bij de feiten en omstandigheden al heeft vastgesteld, zijn vanuit JV bedragen overgemaakt naar ATP, welke bedragen vervolgens werden doorgeboekt naar o.a. de rekeningen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en die van Vania Car Rentals. Vanaf die rekeningen is een deel van het geld aan de Belastingdienst betaald. Een ander deel is verder overgeboekt of contant opgenomen. [medeverdachte 2] was destijds de partner van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat zij kon beschikken over de bedragen die naar zijn rekening waren overgemaakt.
De bedragen die daadwerkelijk aan de Belastingdienst zijn betaald en de betalingen van reële zakelijke rekeningen merkt het Gerecht niet als witwashandelingen aan.
Voor de overige bedragen geldt dat deze via bankrekeningen van verschillende personen en ondernemingen zijn verplaatst en vervolgens gedeeltelijk contant zijn opgenomen. Daardoor werd de rechtstreekse band tussen het geld en JV doorbroken. Ook werd het zicht bemoeilijkt op de verdere verplaatsing van het geld en op degene die daarover uiteindelijk beschikte.
Het gebruik van rekeningen van andere personen en ondernemingen en het vervolgens verder overboeken of contant opnemen van het geld was geschikt om dat zicht te bemoeilijken. Dat de transacties achteraf na onderzoek aan de hand van bankafschriften deels konden worden gereconstrueerd, maakt dit niet anders.
Het Gerecht vindt bewezen dat de verdachte wist dat het geld gedeeltelijk afkomstig was uit belastingfraude. De verdachte was betrokken bij de daaropvolgende geldstromen en kon beschikken over een deel van de bedragen die naar andere rekeningen waren overgemaakt. Door het geld via de hiervoor genoemde rekeningen verder te verplaatsen en gedeeltelijk contant op te nemen, heeft zij samen met een ander de verplaatsing van die geldbedragen verhuld en zo verborgen wie de geldbedragen voorhanden had. Zoals hierboven al uitgelegd kan niet worden vastgesteld om welk bedrag het precies gaat. Het Gerecht zal daarom niet het ten laste gelegde bedrag van ongeveer USD 191.338, maar ‘een geldbedrag’ bewezen verklaren.
Gewoontewitwassen
Gedurende langere tijd zijn herhaaldelijk geldbedragen naar verschillende rekeningen overgemaakt, verder verplaatst en contant opgenomen. Daarbij werd meermalen dezelfde werkwijze gebruikt. Gelet op de duur, de herhaling, de omvang van de geldbedragen en het structurele karakter van de transacties vindt het Gerecht dat de verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Conclusie
Het Gerecht vindt bewezen dat de verdachte geldbedragen die gedeeltelijk afkomstig waren uit de onder feit 1 bewezenverklaarde belastingfraude, heeft verborgen en verhuld en dat zij daarvan een gewoonte heeft gemaakt.
HOLMPTON - zaak A feit 4 (valsheid in geschrift)
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt feit 4 volledig bewezen. Volgens hem hebben de verdachte en [medeverdachte 1] de drie documenten gezamenlijk opgesteld om een niet-bestaande bouwopdracht, betalingen en een annulering met boete voor te wenden. De documenten moesten het verhaal van [medeverdachte 1] over zijn perceel en de daarop rustende verplichtingen ondersteunen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Volgens de verdachte bestond werkelijk een afspraak over de bouw van een woning, maar is deze later geannuleerd. Zij erkent de aannemingsovereenkomst en de boetebrief te hebben ondertekend, maar stelt dat zij dit op verzoek van [medeverdachte 1] en [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] heeft gedaan. Zij ontkent de betalingsverklaring van 26 februari 2020 te hebben ondertekend. Verder is aangevoerd dat de documenten uiteindelijk niet zijn gebruikt.
Oordeel van het Gerecht
De documenten en hun onderlinge samenhang
De drie documenten zijn als één met een paperclip bijeengehouden set in de woning van [medeverdachte 1] aangetroffen. De set bevat behalve de aannemingsovereenkomst, de boetebrief en de betalingsverklaring ook bankafschriften, een verklaring van finale kwijting en een machtiging waaruit moest blijken dat de verdachte namens JV mocht handelen.
De documenten vormen samen één verhaal. De aannemingsovereenkomst legt een bouwopdracht voor een woning van USD 220.000 vast. De betalingsverklaring moet aantonen dat [medeverdachte 1] daarop al USD 38.107 had betaald. De boetebrief houdt vervolgens in dat [medeverdachte 1] de bouwwerkzaamheden had geannuleerd en daarom een boete van USD 44.000 verschuldigd was. De stukken waren daarmee bedoeld om elkaar te ondersteunen.
De verklaring van [medeverdachte 1]
[medeverdachte 1] heeft uitgebreid over de documenten verklaard. Nadat hij met de stukken en de bijbehorende bankgegevens was geconfronteerd, heeft hij verklaard dat de documenten niet juist waren. Hij heeft verklaard dat hij en de verdachte de stukken samen hadden opgemaakt en dat sprake was van een “een-tweetje met [verdachte]” (het Gerecht begrijpt: de verdachte).
[medeverdachte 1] heeft ook concreet uitgelegd waarom de documenten waren gemaakt. Met de stukken moest worden voorgewend dat op zijn perceel al een woning werd gebouwd. Als het perceel zou worden verkocht of daarop beslag zou worden gelegd, kon hij met de boetebrief aantonen dat het stopzetten van de bouw hem USD 44.000 zou kosten. Volgens [medeverdachte 1] hield dit verband met een geschil met een ander. De bankafschriften waren bij de stukken gevoegd om de indruk te wekken dat [medeverdachte 1] voor de bouw aan JV had betaald.
Het Gerecht gaat uit van deze verklaring van [medeverdachte 1]. Hij heeft gedetailleerd verklaard over de aanleiding voor het gezamenlijke plan, de taakverdeling, de inhoud van de documenten, het beoogde gebruik en zijn eigen aandeel daarin. Zijn verklaring belast niet alleen de verdachte, maar ook hemzelf. Hij heeft daarbij verklaard dat hij zich voor zijn handelen schaamde.
Medeplegen en oogmerk van gebruik
Uit het voorgaande volgt dat sprake was van een gezamenlijk plan van [medeverdachte 1] en de verdachte. [medeverdachte 1] had belang bij de documenten en bepaalde welk verhaal daarmee moest worden ondersteund. De verdachte trad daarbij op namens JV en gaf de documenten door haar betrokkenheid en ondertekening de vereiste schijn van echtheid. Daarmee hebben zij ieder een wezenlijke bijdrage geleverd aan het valselijk opmaken van de stukken. Het Gerecht vindt een nauwe en bewuste samenwerking bewezen.
De documenten legden een vermeende bouwopdracht, ontvangen voorschotten en een annuleringsboete vast. Zij waren daarom bestemd om tegenover derden tot bewijs van die feiten te dienen. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat de documenten waren gemaakt om een verkoop of beslaglegging op zijn perceel af te weren. Ook de verdachte wist dat de documenten voor extern gebruik waren bestemd. Zij heeft immers zelf verklaard dat [medeverdachte 1] de boetebrief “voor de rechter” nodig had. Daarmee staat het oogmerk om de documenten als echt en onvervalst te gebruiken of door [medeverdachte 1] te laten gebruiken vast.
Voor valsheid in geschrift is voldoende dat bij het opmaken het oogmerk bestond om de geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander te laten gebruiken. Werkelijk gebruik is daarvoor niet vereist.
Het Gerecht vindt feit 4 daarom geheel bewezen en verwerpt de gevoerde verweren.
HOLMPTON - zaak A feit 5 (valsheid in geschrift)
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt feit 5 volledig bewezen. De verdachte heeft erkend dat zij de handtekening van [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] onder de machtiging heeft geplaatst. Verder blijkt uit de digitale gegevens dat de dertig facturen van JV aan ATP en de 29 facturen van Kassandra aan J.V. achteraf zijn opgemaakt. Volgens de officier hadden de facturen geen juiste zakelijke grondslag en waren zij bestemd om als echte facturen te worden gebruikt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De verdachte had volgens hem toestemming van [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] om namens hem en JV op te treden. De ATP-facturen zouden door [medeverdachte 1] op de laptop van de verdachte zijn gemaakt. De Kassandra-facturen waren volgens de verdachte digitale versies van eerder op papier opgemaakte facturen. De daarop vermelde werkzaamheden en diensten zijn daadwerkelijk verricht. De digitale aanmaakdata bewijzen volgens de verdediging niet dat de facturen vals zijn.
Oordeel van het Gerecht
Vrijspraak eerste gedachtestreepje ‘machtiging om [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] te vertegenwoordigen’
De verdachte heeft verklaard dat zij de machtiging met toestemming van [voormalig eigenaar J.V. Construction B.V.] heeft opgesteld en ondertekend. Uit het dossier blijkt dat zij daadwerkelijk bevoegd was om namens hem en JV op te treden. Het Gerecht kan daarom niet vaststellen dat de verdachte de machtiging opzettelijk vals heeft opgemaakt en spreekt haar vrij van dit onderdeel.
Tweede gedachtestreepje ‘de dertig facturen van JV aan ATP’
Op de laptop van de verdachte zijn dertig facturen van JV aan ATP aangetroffen. Volgens de factuurdata zouden deze facturen zijn opgemaakt tussen 11 januari 2021 en 8 december 2022. Uit de digitale gegevens blijkt echter dat zij alle dertig binnen ongeveer 38 minuten zijn vervaardigd, tussen 8 april 2023 om 23.22 uur en 9 april 2023 om 00.00 uur.
De bedragen op de facturen komen telkens precies overeen met bedragen die JV eerder naar ATP had overgemaakt met omschrijvingen als “ABB” en “ABB en LB”. Op de facturen is daarentegen vermeld dat ATP deze bedragen aan JV verschuldigd was voor “diverse werkzaamheden”.
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat deze facturen niet hadden mogen bestaan. Volgens hem betroffen de factuurbedragen precies de bedragen die hij van JV had ontvangen of voor JV had doorgestort. Hij heeft verder verklaard dat hij de facturen van de verdachte heeft ontvangen en daarmee niets heeft gedaan. Toen [medeverdachte 1] werd geconfronteerd met de e-mail van 9 april 2023, verklaarde hij dat de verdachte hem had gezegd dat het om een vergissing ging.
De verdachte heeft wisselend verklaard over de totstandkoming van de facturen. Eerst verklaarde zij dat zij deze in april 2024 van [medeverdachte 1] op een USB-stick had ontvangen. Nadat zij was geconfronteerd met de digitale aanmaakdata, verklaarde zij dat [medeverdachte 1] de facturen in april 2023 op haar laptop en in haar kantoor had gemaakt. Het Gerecht vindt deze verklaring niet aannemelijk. De facturen zijn op de laptop van de verdachte aangetroffen en zij heeft ze op 9 april 2023 vanuit haar eigen e-mailaccount aan [medeverdachte 1] verzonden. Haar verklaring dat [medeverdachte 1] de facturen heeft gemaakt, vindt bovendien geen steun in zijn verklaring. [medeverdachte 1] verklaart juist dat hij de facturen van de verdachte heeft ontvangen.
Het Gerecht vindt bewezen dat de verdachte de dertig facturen bewust achteraf heeft opgemaakt. Zij heeft daarop eerdere data vermeld en in strijd met de waarheid voorgewend dat ATP de vermelde bedragen aan JV verschuldigd was voor verrichte werkzaamheden.
Dat [medeverdachte 1] de facturen naar eigen zeggen uiteindelijk niet heeft gebruikt, staat ook hier aan een bewezenverklaring in de weg. Uit het opmaken van een volledige factuurreeks over twee eerdere boekjaren en het vervolgens toezenden daarvan aan [medeverdachte 1], die zich bezighield met de administratie en jaarstukken van JV, volgt dat de verdachte de bedoeling had dat de facturen als echte en onvervalste facturen zouden worden gebruikt. Het Gerecht verwerpt het verweer.
Derde gedachtestreepje; de 29 facturen van Kassandra aan JV
Op de laptop van de verdachte zijn ook 29 facturen van Kassandra aan JV aangetroffen. Deze facturen vermelden data uit eerdere jaren. Uit het digitale onderzoek blijkt dat deze facturen allemaal op 16 april 2024, tussen 14.49 uur en 17.05 uur, na elkaar zijn vervaardigd. De bestanden zijn opgebouwd aan de hand van telkens hetzelfde oudere factuursjabloon. Zij bevatten dezelfde technische kenmerken en zelfs dezelfde typefout. Daarnaast zijn in de e-mailadministratie facturen aangetroffen met dezelfde factuurnummers, maar met andere afnemers, data, bedragen en werkzaamheden.
De verdachte heeft verklaard dat zij slechts eerder bestaande papieren facturen opnieuw digitaal heeft ingevoerd. Het Gerecht vindt die verklaring niet aannemelijk. De gestelde oorspronkelijke facturen zijn niet overgelegd. De gezamenlijke aanmaak op één middag, het gebruik van één bestaand sjabloon en het hergebruik van factuurnummers passen niet bij het digitaliseren van een bestaande, regelmatig gevoerde factuuradministratie.
Uit de loonstaten en de verklaringen van werknemers van JV blijkt bovendien dat de door de verdachte gestelde structurele inzet van meerdere werknemers van Kassandra bij JV niet heeft plaatsgevonden. Zelfs bij een ruime berekening blijft een groot verschil bestaan tussen de mogelijke personeelsinzet en de daarvoor gefactureerde bedragen. Daarmee staat vast dat de als “renta de personal” omschreven diensten in ieder geval niet volledig zijn verricht.
Opzet en oogmerk van gebruik
Uit de wijze waarop complete factuurreeksen achteraf zijn samengesteld, leidt het Gerecht af dat de verdachte wilde dat deze als echte, in de reguliere bedrijfsvoering opgemaakte facturen zouden worden aanvaard. Daarmee is het vereiste oogmerk van gebruik bewezen. Dat niet alle facturen daadwerkelijk zijn gebruikt of uitgeprint, staat daaraan niet in de weg. Voor valsheid in geschrift is daadwerkelijk gebruik niet vereist.
Het Gerecht vindt valsheid in geschrift van de onder het tweede en derde gedachtestreepje genoemde facturen bewezen.
SMIENT - zaak A feit 6 (valsheid in geschrift)
De verdachte heeft bekend dat zij op de genoemde vacatureaanmeldingen onder meer de data en functies heeft gewijzigd en stempelteksten heeft toegevoegd. Haar verklaring wordt ondersteund door de formulieren en de verklaring van [naam] van Plenchi di Trabou. Daardoor werd ten onrechte de indruk gewekt dat de formulieren door Plenchi di Trabou waren afgehandeld. De verdachte heeft deze vervalst om ze bij vergunningaanvragen als echt te gebruiken. Het Gerecht vindt feit 6 daarom bewezen.
LIMA –zaak B - vrijspraak
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de verdachte de vier jaarstukken en de twee bezwaarformulieren heeft vervalst. De ontvangststempels met dezelfde datum en paraaf zijn volgens hem telkens exact gelijk. Ook lopen de lijnen van de formulieren niet door onder de stempels. Dat wijst erop dat afbeeldingen van stempels op de documenten zijn geplaatst. Volgens de officier van justitie is de verdachte de verbindende persoon tussen de zes documenten. Zij heeft de stukken opgesteld en heeft de namen van twee directeuren op de bezwaarformulieren geplaatst. De valse stempels moesten aantonen dat de stukken op tijd bij de Belastingdienst waren ingediend. Daardoor zijn de opgelegde boetes uiteindelijk verminderd tot nihil.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De verdachte heeft erkend dat zij stukken voor haar klanten heeft opgesteld. Ook heeft zij verklaard dat zij de namen van twee klanten op de bezwaarformulieren heeft gezet. Zij heeft dat echter, zo verklaart zij, met hun toestemming gedaan. Zij heeft geen stukken bij de Belastingdienst ingediend – dat hebben haar klanten zelf gedaan.
Oordeel van het Gerecht
De politie heeft de stempels op de jaarstukken vergeleken met stempels van de Belastingdienst en geconcludeerd dat deze vals moeten zijn, omdat de paraaf telkens precies gelijk lijkt te zijn, en ook lijnen niet steeds doorlopen. Van de stukken bevinden zich in het dossier echter enkel kopieën. Het Gerecht stelt vast dat op die kopieën de parafen niet telkens hetzelfde zijn – al kan dat ook verklaard worden doordat een stukje is weggevallen. Slechts twee van de zes stukken bevatten liniering. Nader technisch onderzoek naar de gestelde valsheid is niet verricht. Op deze basis vindt het Gerecht onvoldoende bewezen dat inderdaad van valsheid of vervalsing sprake is.
Evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte dit heeft gedaan of wist dat de stempels niet echt waren. Dat de verdachte de administratie van de betreffende klanten verzorgde, is daarvoor niet voldoende.
De verdachte heeft wel erkend dat zij de namen van twee klanten op de bezwaarformulieren heeft gezet. Maar daaruit volgt niet zonder meer dat zij daarmee de indruk wilde wekken dat de directeuren de formulieren zelf hadden ondertekend.
Alles bij elkaar is niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vastgesteld dat de verdachte de documenten vals heeft opgemaakt of vervalst. De overeenkomst met de werkwijze in het onderzoek Smient, waarop de officier van justitie heeft gewezen, maakt dat niet anders.
Het Gerecht spreekt de verdachte daarom vrij van het in de zaak LIMA ten laste gelegde.
BEWEZENVERKLARING
Het Gerecht vindt op basis van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij dit vonnis wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1, 3 primair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A- feit 1 (HOLMPTON)
zij in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 januari 2023, te Bonaire, tezamen en in vereniging met J.V. Construction BV, die ingevolgde de Belastingwet BES verplicht is tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, meermalen opzettelijk bij de Belastingwet BES voorziene aangiften, te weten de aangiften Algemene bestedingsbelasting en de aangiften Loonbelasting ten name van J.V. Construction BV, niet binnen de gestelde termijn dan wel onjuist heeft gedaan, door over de belastingtijdvakken
- kwartaal 1 2018 en
- kwartaal 2 2018 en
- kwartaal 3 2018 en
- kwartaal 4 2018 en
- kwartaal 1 2019 en
- kwartaal 2 2019 en
- kwartaal 3 2019 en
- kwartaal 4 2019 en
- kwartaal 1 2020 en
- kwartaal 2 2020 en
- kwartaal 3 2020 en
- kwartaal 4 2020 en
- kwartaal 1 2021 en
- kwartaal 2 2021
de aangiften Algemene Bestedingsbelasting en/of Loonbelasting niet binnen de gestelde termijn in te dienen, en over de belastingtijdvakken:
- kwartaal 3 2021 en
- kwartaal 4 2021 en
- kwartaal 1 2022 en
- kwartaal 2 2022 en
- kwartaal 3 2022 en
- kwartaal 4 2022
op de ingediende aangiften een te laag bedrag aan te betalen Algemene bestedingsbelasting en/of Loonbelasting op te geven, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting zou worden geheven.
Zaak A - feit 3 primair (HOLMPTON)
zij in of omstreeks de periode van 8 juli 2020 tot en met 30 juni 2023 te Bonaire tezamen en in vereniging met een ander.
- van geldbedragen de herkomst, en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld,
terwijl zij, verdachte, en haar mededader wisten dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en zij, verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Zaak A - feit 4 (HOLMPTON)
zij op of omstreeks 1 juli 2019 en 26 februari 2020 en 6 mei 2020 , te Bonaire, tezamen en in vereniging met een ander,
- een aannemingsovereenkomst, gedateerd 1 juli 2019, voor de bouw van een woning (DOC 103) en
- een brief, gedateerd 6 mei 2020, gericht aan [medeverdachte 1], betreffende een verschuldigde boete van USD 44.000,- in verband met annulering van bouwwerkzaamheden (DOC-103) en
- een verklaring, gedateerd 26 februari 2020, namens bouwbedrijf JV Construction, waarin is vermeld dat JV Construction in totaal USD 38.107 heeft ontvangen als deelbetaling van een voorschot op de bouw van een woning (DOC-103),
zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, immers hebben verdachte en haar mededader telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in voornoemde stukken voorgewend dat [medeverdachte 1] opdracht heeft gegeven voor de bouw van een woning en/of bouwwerkzaamheden zijn verricht door JV Construction en/of dat er betalingen voor deze bouwwerkzaamheden door JV Construction zijn ontvangen en dat verdere bouwwerkzaamheden zijn geannuleerd.
Zaak A - feit 5 (HOLMPTON)
zij in de periode 8 april 2023 tot en met 16 april 2024 te Bonaire geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, met het oogmerk om die geschrift ( en ) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, immers heeft verdachte
- een aantal (30) facturen van J.V. Construction BV aan Accountancy & Tax Partners BV (dossier: DOC-149) opgemaakt voor diverse werkzaamheden, terwijl deze werkzaamheden in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden en deze facturen in strijd met de werkelijkheid voorzien van een eerdere datum dan de datum waarop deze facturen zijn opgemaakt; en
- een aantal (29) facturen van Kassandra services & consulting BV aan JV Construction BV (dossier: AMB-020) opgemaakt voor ‘renta de personal’ en ‘administracion’, terwijl deze diensten in werkelijkheid niet (volledig) hebben plaatsgevonden en deze facturen in strijd met de werkelijkheid voorzien van een eerdere datum dan de datum waarop deze facturen zijn opgemaakt.
Zaak A - feit 6 (SMIENT)
zij op in de periode van 4 november 2021 tot en met 26 oktober 2023 te Bonaire meerdere vacatureaanmeldingen, te weten:
- een vacatureaanmelding, voorzien van het vacaturenummer [vacaturenummer 1], gedateerd 26 januari 2023 (pag. 248 dossier) en
- een vacatureaanmelding, voorzien van het vacaturenummer [vacaturenummer 2], gedateerd 26 oktober 2023 (pag. 252 dossier) en
- een drietal vacatureaanmeldingen, (telkens) voorzien van het vacaturenummer [vacaturenummer 3], gedateerd 4 november 2021 (pag. 254, 256 en 260 dossier) en
- een vacatureaanmelding, voorzien van het vacaturenummer [vacaturenummer 4], gedateerd 7 juli 2022 (pag. 277 dossier) en
- een vacatureaanmelding, voorzien van het vacaturenummer [vacaturenummer 4], gedateerd 26 oktober 2023 (pag. 279 dossier)
zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens heeft vervalst of valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, immers heeft zij, verdachte, telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op voornoemde vacatureaanmeldingen een willekeurige datum en/of een vacaturefunctie vermeld en/of de stempelteksten ‘digitaal afgehandeld’ en/of ‘geen lokaal aanbod’ toegevoegd en aldus telkens valselijk de indruk gewekt dat deze vacatureaanmeldingen door Plenchi di Trabou waren afgehandeld en/of dat de op deze stukken vermelde vacatures door Plenchi di Trabou waren afgegeven.
Het Gerecht vindt niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
STRAFBAARHEID EN KWALIFICATIE van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 8.74, eerste lid, aanhef en onder d, en derde lid, van de Belastingwet BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk een bij de Belastingwet BES voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
en
medeplegen van een bij de Belastingwet BES voorziene aangifte niet binnen de gestelde termijn doen, meermalen gepleegd.
Het onder 3 primair bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 435b van het Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van het plegen van opzetwitwassen een gewoonte maken
Het onder 4 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 230, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Het onder 5 en 6 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 230, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt telkens als volgt gekwalificeerd:
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
OPLEGGING VAN STRAF
De officier van justitie heeft, uitgaande van de bewezenverklaring in de zaak A van feiten 1, 2 primair, 3 primair, 4, 5 en 6 en bewezenverklaring in zaak B gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie een beroepsverbod van boekhouder voor de duur van 42 maanden geëist.
De raadsman heeft verzocht geen verdere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hij heeft gewezen op het blanco strafblad, de persoonlijke omstandigheden, de lange duur en gevolgen van de strafzaak en de reeds ondergane voorlopige hechtenis. Ook heeft hij aangevoerd dat de verdachte de zorg draagt voor een minderjarig kind met autisme dat extra zorg nodig heeft.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Gerecht gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
In het bijzonder heeft het Gerecht gelet op het volgende.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van meerdere jaren schuldig gemaakt aan belastingfraude, gewoontewitwassen en het plegen van valsheid in geschrift.
Zij heeft samen met J.V. Construction B.V. gedurende een groot aantal belastingtijdvakken niet tijdig aangifte gedaan of bewust te lage bedragen in de aangiften opgenomen. Daardoor is te weinig belasting geheven. Door het doen van onjuiste en te late belastingaangiften heeft zij het stelsel van belastingheffing ondermijnd. Dat stelsel berust erop dat belastingplichtigen tijdig, volledig en naar waarheid aangifte doen. Belastingfraude benadeelt de openbare middelen en doet afbreuk aan een eerlijke verdeling van de belastinglasten. In een kleine gemeenschap als Bonaire zijn de gevolgen daarvan bovendien relatief sterk voelbaar, omdat de beschikbare publieke middelen en de kring van belastingplichtigen beperkt zijn.
Daarnaast heeft de verdachte geld dat uit deze belastingfraude afkomstig was via verschillende bankrekeningen laten lopen en zo de herkomst daarvan verborgen en verhuld. Omdat dit handelen gedurende langere tijd en volgens een terugkerende werkwijze plaatsvond, heeft zij van het witwassen een gewoonte gemaakt. Witwassen maakt het mogelijk dat geld met een criminele herkomst aan het zicht van de autoriteiten wordt onttrokken en in het reguliere financiële verkeer terechtkomt. Daarmee wordt niet alleen de opsporing bemoeilijkt, maar wordt ook de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast.
Verder heeft de verdachte verschillende valse documenten opgemaakt. Ook aan geschriften die in het zakelijke en bestuurlijke verkeer als bewijs worden gebruikt, moet vertrouwen kunnen worden ontleend. Door valse documenten en facturen op te maken, heeft de verdachte dat vertrouwen ernstig geschonden. De vervalste vacatureaanmeldingen raakten bovendien het belang van een eerlijke en controleerbare uitvoering van het arbeidsmarkt- en toelatingsbeleid op Bonaire. Door met valse documenten de daarvoor geldende procedures te omzeilen, heeft de verdachte zich niet gehouden aan de regels waaraan andere ondernemingen zich wel moeten houden. Daarmee worden ondernemingen die de voorgeschreven procedures wel op juiste en eerlijke wijze doorlopen in een nadeliger positie gebracht en wordt een gelijk speelveld tussen ondernemingen verstoord.
Het Gerecht vindt het strafverzwarend dat de verdachte bij haar handelen gebruik heeft gemaakt van haar kennis en positie als financieel medewerker. Het ging daarbij niet om een incidentele gedraging, maar om een langdurige en structurele werkwijze, waarbij zij op uiteenlopende terreinen fraude heeft gepleegd. Daarbij heeft zij het vertrouwen dat vanwege haar functie en werkzaamheden in haar werd gesteld, ernstig beschaamd. Het Gerecht rekent haar dit zwaar aan.
Het Gerecht heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de voor dergelijke feiten geldende oriëntatiepunten en op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet op die uitgangspunten en in het bijzonder op de ernst, de duur en de omvang van de bewezenverklaarde feiten, is een gevangenisstraf van aanzienlijke duur gerechtvaardigd.
Voorlopige conclusie
Gelet op de ernst en de omvang van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van het Gerecht niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In strafmatigende zin houdt het Gerecht rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Alles afwegend acht het Gerecht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden.
Redelijke termijn
Het Gerecht stelt vast dat de verdachte op 28 mei 2024 in verzekering is gesteld. Vanaf dat moment kon zij in redelijkheid verwachten dat zij strafrechtelijk zou worden vervolgd en is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM gaan lopen. Het Gerecht doet uitspraak op 1 oktober 2026. Daarmee is de voor de berechting in eerste aanleg als uitgangspunt geldende termijn van twee jaren overschreden.
Deze overschrijding is niet aan de verdachte te wijten. Het Gerecht ziet daarin aanleiding de hiervoor passend geachte straf te matigen.
Conclusie straf
Gelet op het voorgaande zal het Gerecht aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Beroepsontzetting
Artikel 240 Sr BES bepaalt dat bij een veroordeling wegens valsheid in geschrift als bedoeld in artikel 230 Sr BES ontzetting kan worden uitgesproken van de in artikel 32, eerste lid, onder 1° tot en met 4°, Sr BES genoemde rechten. De uitoefening van bepaalde beroepen (afzonderlijk opgenomen onder 5°) valt daarmee niet onder de in artikel 240 Sr BES genoemde rechten.
Ook het bewezenverklaarde (gewoonte)witwassen biedt geen grondslag voor de gevorderde beroepsontzetting. Artikel 435d Sr BES bepaalt bij een veroordeling wegens een van de in de titel inzake witwassen omschreven misdrijven dat ontzetting kan plaatsvinden van de in artikel 32, eerste lid, onder 1° en 2°, Sr BES genoemde rechten. Ook hier is het onder 5° genoemde recht tot uitoefening van bepaalde beroepen niet opgenomen.
Artikel 33 Sr BES biedt evenmin een grondslag. Die bepaling ziet op de ontzetting van het recht ambten of bepaalde ambten te bekleden en is niet van toepassing op de uitoefening van het beroep van boekhouder of op financieel-administratieve werkzaamheden.
Dit betekent dat geen wettelijke grondslag bestaat voor de door de officier van justitie gevorderde beroepsontzetting. Het Gerecht zal de gevorderde beroepsontzetting daarom niet opleggen.
TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 17b, 31, 49 en 59 Sr BES, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte in zaak A onder 2 en in zaak B ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in zaak A onder1, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door mr. S. Pesch, griffier, en op 1 oktober 2026 uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.
De griffier is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.