GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202600040
datum beslissing: 30 september 2026
in de zaak van
HAPPINESS HOTEL B.V.,
gevestigd op Bonaire,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna: Happiness Hotel,
gemachtigde: mr. R.J. Tromp,
tegen
LEE’S CORNER B.V.,
gevestigd op Bonaire,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna: Lee’s Corner,
gemachtigde: mr. M.D. van den Brink.
1. Het procesverloop
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
het verzoekschrift met producties, ingediend op 15 januari 2026;
de conclusie van antwoord met producties en met een eis in reconventie;
de conclusie van antwoord in reconventie;
de op 18 augustus 2026 overgelegde producties van Lee’s Corner;
de op 19 augustus 2026 overgelegde productie van Happiness Hotel;
de op 22 augustus 2026 overgelegde productie van Lee’s Corner.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2026. Vanwege de bezetting van de zittingszalen van het Gerecht heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in een vergaderzaal van het Divi Flamingo Beach Resort. Namens Happiness Hotel is [directeur Happiness Hotel] (directeur, hierna: [directeur Happiness Hotel]) verschenen, bijgestaan door mr. Tromp. Namens Lee’s Corner is [directeur Lee’s Corner] (directeur, hierna: [directeur Lee’s Corner]) verschenen, bijgestaan door mr. Van den Brink. De spreekaantekeningen die de gemachtigden hebben voorgelezen zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen besproken is.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechter bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
2. De kern van de zaak
Happiness Hotel verhuurt een bedrijfsruimte met drie appartementen aan Lee’s Corner. In de bedrijfsruimte is het restaurant ‘Beer and Burgers’ gevestigd. Happiness Hotel vordert primair vernietiging van de huurovereenkomst vanwege dwaling. Dat wordt afgewezen. Subsidiair wil Happiness Hotel de huurovereenkomst ontbinden, omdat Lee’s Corner tekort schiet in de nakoming van een onderhoudsverplichting. Voor de vraag of sprake is van een onderhoudsverplichting van Lee’s Corner is de rechter voornemens om een bewijsopdracht te gegeven. De vorderingen tot betaling van een bedrag van USD 6.201 per maand en contractuele boetes worden afgewezen.
Lee’s Corner heeft tegenvorderingen ingesteld. Lee’s Corner vindt dat niet op haar, maar op Happiness Hotel een onderhoudsverplichting rust. Zij eist dat Happiness Hotel wordt veroordeeld om aan deze onderhoudsverplichting te voldoen. Bovendien vordert zij gedeeltelijke ontbinding van de huurovereenkomst in die zin dat de huur wordt verminderd totdat aan de onderhoudsverplichting is voldaan. De beslissing op die vorderingen wordt aangehouden.
3. De beoordeling
in conventie en in reconventie
De achtergrond van het geschil
Op 31 oktober 2014 is een huurovereenkomst tot stand gekomen tussen Happiness Hotel en Lee’s Corner. [directeur Happiness Hotel] was op dat moment bestuurder van Happiness Hotel. Lee’s Corner werd op dat moment bestuurd door [voorgaande bestuurder Lee’s Corner] (hierna: [voorgaande bestuurder Lee’s Corner]). Per 1 januari 2016 is [directeur Lee’s Corner] in de plaats getreden van [voorgaande bestuurder Lee’s Corner] als bestuurder van Lee’s Corner.
Met de huurovereenkomst wordt een bedrijfsruimte en drie appartementen aan de [adres] op Bonaire (hierna: het gehuurde) door Happiness Hotel aan Lee’s Corner verhuurd voor een maandelijkse huurprijs van USD 2.000 (exclusief belasting). De maandelijkse huurprijs is tijdens de huurperiode niet verhoogd. De drie appartementen worden door Lee’s Corner als woonruimten aan derden verhuurd.
Over de huurperiode staat het volgende in de huurovereenkomst:
[afbeelding met de volgende tekst: 2. Duur optie 2.0 De verhuur en de huur is aangegaan voor de duur van 2 x 5 jaren en 2 x 5 jaren, gerekend te zijn ingegaan op 1 november 2014. 2.1 Deze overeenkomst zal automatisch ontbonden worden als gevolg van het uitblijven van de maandelijkse betaling van ten minste één (1) maand of bij faillissement.]
In de huurovereenkomst staat in artikel 6.1 de volgende bepaling met de titel ‘Kosten van schoonhouden en onderhoud’:
“Huurder dient op zijn kosten ten genoegen van de verhuurder te zorgen voor:
a. het schoonhouden van het gehuurde;
b. het herstellen van door huurder, zijn personeel of bezoekers aan de horeca of de genoemde nevenruimten aangebrachte schade;
c. het onderhouden en/of repareren van de ruimten van het gehuurde in de bouwkundige sfeer, gas- elektriciteits- en waterleidingen, herstellen lekkages en de daaruit ontstane schade, stopcontacten, schakelaars, kranen, gootstenen, closets, closetreservoirs lozingen. binnensloten, binnenschilderwerk en aI het overige binnenwerk;”
In artikel 6.2 van de huurovereenkomst staat de volgende bepaling met de titel ‘Groot onderhoud’:
“Indien de verhuurder het noodzakelijk oordeelt gedurende de exploitatietermijn reparaties, herstellingen, verbeteringen of veranderingen aan te brengen aan de onder punt 2 genoemde ruimten, zal de huurder dit moeten gedogen onverschillig of zij als dringend of niet dringend zijn aan te merken, zonder daarvoor enige schadevergoeding te kunnen vorderen.
De verhuurder zal van een voorgenomen uitvoering van dergelijke werkzaamheden tenminste 30 dagen tevoren kennis geven aan de huurder, behoudens in de gevallen waarin naar het oordeel van de verhuurder onmiddellijke uitvoering noodzakelijk is. De verhuurder draagt er zorg voor dat de exploitatie van de horeca door de uitvoering van de werkzaamheden zo min mogelijk wordt geschaad.”
Op 8 augustus 2025 is vonnis gewezen in een kort gedingprocedure die is aangespannen door Happiness Hotel tegen Lee’s Corner. In die procedure vorderde Happiness Hotel ontruiming van het gehuurde en betaling van schadevergoeding. De rechter in kort geding heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat Lee’s Corner tekort was geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst en dat de huurovereenkomst per 1 november 2024 was geëindigd.
in conventie
De huurovereenkomst is niet geëindigd
Onderwerp van geschil is of de huurovereenkomst op 1 november 2024 geëindigd is. De rechter ziet aanleiding om dat eerst te beoordelen, omdat dat oordeel van invloed is op de toewijsbaarheid van verschillende vorderingen van Happiness Hotel.
De huurovereenkomst is op 31 oktober 2014 aangegaan voor in ieder geval tien jaar. Dat is geen onderwerp van discussie. Partijen verschillen wel van mening of de huurovereenkomst na het verstrijken van de eerste periode van tien jaar is voortgezet. Artikel 2.0 uit de huurovereenkomst heeft betrekking op de huurperiode (zie rechtsoverweging 3.3). Het is niet in geschil dat partijen aanvankelijk een huurperiode van twintig jaar zijn overeengekomen en dat het woord “optie” voorafgaand aan het ondertekenen van de huurovereenkomst is bijgeschreven.
Het optiebeding uit de huurovereenkomst levert vragen op. Daarom moet de bepaling worden uitgelegd. Daarbij is niet alleen de tekst van de bepaling belangrijk. Het is ook belangrijk wat partijen verder nog gezegd en gedaan hebben, en wat zij op grond daarvan van elkaar mochten verwachten. Omdat Happiness Hotel zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde uitleg van de bepaling, namelijk dat de huurovereenkomst geëindigd is, draagt zij de stelplicht en bewijslast daarvan.
Happiness Hotel stelt dat het niet haar bedoeling is geweest om een huurovereenkomst voor twintig jaar aan te gaan tegen een lage huurprijs van USD 2.000,00 per maand. Volgens Happiness Hotel moet het optiebeding zo uitgelegd worden dat vereist is dat beide partijen akkoord zijn met verlenging van de huurovereenkomst. Pas dan wordt de huurovereenkomst voor nog eens een huurperiode van tien jaar verlengd. Ter onderbouwing daarvan heeft Happiness Hotel een schriftelijke verklaring van [naam] (hierna: [naam]) overgelegd waarin staat dat [naam] het woord ‘optie’ in de huurovereenkomst heeft bijgeschreven en dat het de bedoeling van partijen is geweest dat verlenging alleen mogelijk was als beide partijen daarmee instemmen.
Lee’s Corner heeft gemotiveerd betwist dat het optiebeding zo uitgelegd moet worden dat die alleen ingeroepen kan worden als beide partijen ermee instemmen. Een optiebeding dat alleen door beide partijen kan worden ingeroepen kan net zo goed achterwege worden gelaten. Volgens Lee’s Corner geeft het optiebeding haar het exclusieve recht om de huurperiode met deze periode te verlengen.
Het wettelijk uitgangspunt is dat een optiebeding een niet door herroeping aantastbaar wilsrecht van de gerechtigde om door aanvaarding van het in de optie besloten liggend aanbod de beoogde overeenkomst tot stand te brengen. In een huurovereenkomst is het gebruikelijk dat een optiebeding opgenomen wordt ten behoeve van de huurder. Hoewel ook voorstelbaar kan zijn dat een optiebeding wordt opgenomen ten behoeve van de verhuurder, is een optiebeding waar beide partijen mee moeten instemmen moeilijk te volgen. Als beide partijen moeten instemmen met een optiebeding, maakt dat het opnemen van een optiebeding in een overeenkomst betrekkelijk zinledig. Ook zonder een optiebeding kunnen partijen immers in onderling overleg afspreken dat een huurovereenkomst na het verstrijken van de huurperiode wordt verlengd. In het licht van de gemotiveerde betwisting van Lee’s Corner is de enkele stelling van Happiness Hotel dat het niet haar bedoeling is geweest om een huurovereenkomst voor twintig jaar aan te gaan tegen een huurprijs van USD 2.000,00 per maand onvoldoende. De verklaring van [naam] maakt dat niet anders. De rechter overweegt daarbij overigens dat Happiness Hotel ter zitting heeft verklaard dat het hier om een door haarzelf opgestelde verklaring gaat die door [naam] ondertekend is teruggezonden. Omdat Happiness Hotel onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het optiebeding op haar manier moet worden uitgelegd, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.
Het voorgaande betekent dat de huurovereenkomst niet op 1 november 2024 is geëindigd. Hierna zullen de vorderingen van Happiness Hotel beoordeeld worden.
Happiness Hotel heeft niet gedwaald bij de totstandkoming van de huurovereenkomst
Happiness Hotel vordert primair om de huurovereenkomst te vernietigen of de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van nadeel te wijzigen. Aan die vorderingen legt Happiness Hotel ten grondslag dat zij heeft gedwaald bij het sluiten van de huurovereenkomst. Volgens Happiness Hotel is sprake van een discrepantie tussen wat zij bij het aangaan van de huurovereenkomst voor ogen had en hoe de overeenkomst na de wijziging van het bestuur van Lee’s Corner wordt uitgevoerd. Zij had er geen rekening mee gehouden dat het bestuur van Lee’s Corner kort na het sluiten van de huurovereenkomst zou wijzigen.
Happiness Hotel heeft niet gesteld welke dwalingsgrondslag zij aan haar vorderingen ten grondslag legt: een verkeerde inlichting van de wederpartij, het schenden van een mededelingsplicht van de wederpartij of dat partijen van dezelfde onjuiste veronderstelling zijn uitgegaan. Happiness Hotel heeft niet gesteld dat Lee’s Corner een onjuiste inlichting heeft verstrekt, dat Lee’s Corner een mededelingsplicht heeft geschonden of dat beide partijen van een onjuiste veronderstelling zijn uitgegaan. Happiness Hotel voldoet daarmee niet aan de op haar rustende stelplicht voor een beroep op dwaling. Alleen om die reden is haar vordering al niet toewijsbaar.
Daar komt bij dat het feit dat op 1 januari 2016 een wijziging in het bestuur van Lee’s Corner heeft plaatsgevonden op het moment van sluiten van de huurovereenkomst een toekomstige omstandigheid was. Op grond van artikel 6:228 lid 2 BW BES kan de vernietiging niet worden gegrond op een dwaling die uitsluitend een toekomstige omstandigheid betreft. Dwaling dient op de situatie ten tijde van de contractssluiting te zien. Niet gesteld of gebleken is dat Lee’s Corner bij het sluiten van de huurovereenkomst een onjuiste voorstelling heeft gegeven over wie haar onderneming in de toekomst zal vertegenwoordigen. Het geval van misrekening van een toekomstige omstandigheid wordt beheerst door artikel 6:258 BW BES, maar een geslaagd beroep daarop leidt niet tot vernietiging van een overeenkomst.
Op de mondelinge behandeling heeft Happiness Hotel nog de stelling ingenomen dat als de rechter oordeelt dat de onderhoudsverplichting zo uitgelegd moet worden dat zij verantwoordelijk is voor groot onderhoud, zij ook gedwaald heeft. Maar ook die omstandigheid levert geen geslaagd beroep op dwaling op. Volgens de eigen stellingen van Happiness Hotel zijn [directeur Happiness Hotel] en [voorgaande bestuurder Lee’s Corner] immers bij het sluiten van de huurovereenkomst er beiden van uitgegaan dat de verplichting tot (groot) onderhoud bij de huurder ligt. Volgens Happiness Hotel was dat tussen [directeur Happiness Hotel] en [voorgaande bestuurder Lee’s Corner] geen punt van discussie. Het feit dat de huidige bestuurder van Lee’s Corner de onderhoudsverplichting uit de huurovereenkomst op een andere manier uitlegt, betekent niet dat Happiness Hotel bij het sluiten van de huurovereenkomst heeft gedwaald.
In haar verzoekschrift heeft Happiness Hotel één keer terloops geschreven dat zij een beroep doet op oneigenlijke dwaling. In haar stellingen heeft zij echter consequent artikel 6:228 BW BES, het artikel voor eigenlijke dwaling, genoemd. Oneigenlijke dwaling wordt beheerst door de artikelen 3:33 en 3:35 BW BES. De oneigenlijke dwaling heeft betrekking op vergissingen die het gevolg heeft dat er geen wilsovereenstemming tot stand komt. Happiness Hotel heeft niet gesteld welke vergissing zij bij het sluiten van de huurovereenkomst heeft gemaakt en op grond waarvan haar verklaring en wil toen niet overeenstemde. Integendeel, de stellingen van Happiness Hotel komen er juist op neer dat precies datgene is overeengekomen wat beide partijen wilden.
De vorderingen van Happiness Hotel om de huurovereenkomst te vernietigen of om de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van nadeel te wijzigen zal bij eindvonnis worden afgewezen.
Bewijsopdracht voor de vraag of Lee’s Corner tekort is geschoten
Happiness Hotel vordert subsidiair om de huurovereenkomst te ontbinden en “daaropvolgend schadevergoeding op grond van wanprestatie, onrechtmatige daad en/of de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid”. Aan haar vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst legt zij ten grondslag dat Lee’s Corner tekort is geschoten in de nakoming daarvan. Volgens Happiness Hotel betaalt Lee’s Corner structureel de huurtermijnen niet op tijd en houdt zij zich niet aan haar verplichting tot het uitvoeren van (groot) onderhoud aan het gehuurde.
Lee’s Corner erkent dat zij in het verleden de huur enkele dagen te laat heeft betaald. In 2025 is dat één keer voorgekomen, in 2024 twee keer en in 2023 vier keer. Lee’s Corner voert aan dat dit ermee te maken heeft dat de eerste dag van de maand in het weekend viel en de betaling daarom later door de bank werd verwerkt. De huurovereenkomst bepaalt in artikel 3.0 dat de maandelijkse huurtermijnen bij vooruitbetaling en uiterlijk op de eerste dag van de maand voldaan moeten zijn. Dat is niet altijd gebeurd. Dat de eerste dag van de maand in het weekend valt kan niet aan Happiness Hotel worden tegengeworpen. Lee’s Corner kan de huur ook enkele dagen vóór de eerste dag van de maand overmaken. Dat de huur in het verleden te laat betaald werd, levert een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit de huurovereenkomst op. Lee’s Corner heeft het verweer gevoerd dat deze tekortkoming van te geringe betekenis is om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Dat verweer slaagt. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is geweest van een huurachterstand. Bovendien heeft Lee’s Corner onbetwist aangevoerd dat de huur in 2026 steeds op tijd betaald is. Daarmee heeft Lee’s Corner verbetering getoond. Het enkele feit dat de huur in het verleden een aantal keer een paar dagen te laat werd betaald, rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst niet.
Het is tussen partijen niet in geschil dat de afgelopen jaren geen groot onderhoud aan het gehuurde is verricht en dat dit onderhoud nodig is. Partijen verschillen wel van mening wie verplicht is tot het uitvoeren van het bedoelde groot onderhoud en wie dat moet betalen.
Het wettelijk uitgangspunt is dat de huurder verantwoordelijk is voor gering en dagelijks onderhoud. De verhuurder is verplicht om het gehuurde in alle opzichten in goede staat van onderhoud ter beschikking te stellen. Partijen kunnen anders overeenkomen. Dat hebben partijen in dit geval gedaan door middel van artikel 6.1 uit de huurovereenkomst. Daarin is onder meer bepaald dat het onderhouden en repareren van de ruimten van het gehuurde in de bouwkundige sfeer, de gas-, elektriciteits- en waterleidingen en het herstellen van lekkages op kosten van de huurder moeten plaatsvinden. Dat is ruimer dan het wettelijk uitgangspunt dat huurder alleen verantwoordelijk is voor gering en dagelijks onderhoud.
Happiness Hotel stelt echter dat [directeur Happiness Hotel] en [voorgaande bestuurder Lee’s Corner] zouden hebben afgesproken dat Lee’s Corner het gehuurde volledig zou opknappen en ál het onderhoud van het gehuurde voor haar rekening zou nemen. In ruil daarvoor zou volgens Happiness Hotel een lage huurprijs overeengekomen zijn. Ter onderbouwing daarvan heeft Happiness Hotel een schriftelijke verklaring van [naam] overgelegd waarin staat dat [voorgaande bestuurder Lee’s Corner] de zaak zou opknappen en al het onderhoud voor zijn rekening zou nemen. In een e-mailbericht van 25 september 2015 van [voorgaande bestuurder Lee’s Corner] (geschreven onder zijn bijnaam ‘[bijnaam]’) aan [directeur Happiness Hotel] staat dat Lee’s Corner bezig is met het opknappen van de appartementen en dat zij daarna aan de bar zouden beginnen.
Lee’s Corner heeft gemotiveerd betwist dat de door Happiness Hotel gestelde afspraak gemaakt zou zijn. Lee’s Corner heeft er terecht op gewezen dat die afspraak niet in de huurovereenkomst staat en dat het opmerkelijk is dat de met die afspraak samenhangende lage huurprijs wél in de huurovereenkomst is opgenomen. De rechter wijst er daarbij ook op dat partijen wél een afwijkende afspraak met betrekking tot het onderhoud hebben gemaakt, maar dat daarin niet zonder meer de verstrekkende afspraak zoals Happiness Hotel die stelt is te lezen.
Partijen hebben hun stellingen en betwistingen over en weer voldoende onderbouwd en gemotiveerd. Bij deze stand van zaken komt het aan op bewijslevering. Happiness Hotel beroept zich op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. Het ligt daarom op haar weg om de feitelijke grondslag te bewijzen dat partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst hebben afgesproken dat Lee’s Corner inderdaad ál het onderhoud van het gehuurde op zich zou nemen. De rechter is voornemens om Happiness Hotel op te dragen haar stelling te bewijzen.
Voordat de bewijsopdracht wordt gegeven, worden partijen eerst in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten hoe artikel 6.1 sub c van de huurovereenkomst volgens hen uitgelegd moet worden en hoe ver de daarin opgenomen onderhoudsplicht van de huurder reikt. In het bijzonder wenst de rechter van partijen te vernemen welke – op de verschillende offertes genoemde – reparatie- c.q. onderhoudswerkzaamheden op grond van dit artikel voor rekening van de verhuurder dan wel huurder komen. De manier waarop partijen dat artikel uitleggen is zowel relevant voor de formulering van de bewijsopdracht aan Happiness Hotel als voor de beoordeling van de omvang van de gestelde tekortkoming. De stelling van Lee’s Corner dat beide partijen dit artikel op dezelfde manier uitleggen wordt niet gevolgd. Hoewel Happiness Hotel geen expliciet beroep gedaan heeft op artikel 6.1 sub c van de huurovereenkomst, verschillen partijen fundamenteel van mening wie verantwoordelijk is voor de kosten van (groot) onderhoud van het gehuurde.
Beslissing op verklaring voor recht wordt aangehouden
Happiness Hotel vordert dat de rechter uitspreekt dat het buitenterras en het dakterras geen onderdeel uitmaken van de huurovereenkomst en dat uitsluitend Happiness Hotel gerechtigd is om daarvan gebruik te maken.
De vraag of Happiness Hotel een belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht, is afhankelijk van de vraag of de huurovereenkomst al dan niet wordt ontbonden. Deze beslissing zal daarom worden aangehouden.
De vordering tot betaling van USD 6.201 per maand wordt afgewezen
Happiness Hotel vordert dat Lee’s Corner wordt veroordeeld om vanaf 1 november 2024 tot de dag van de ontruiming een bedrag van USD 6.201 per maand te betalen. Uit het verzoekschrift van Happiness Hotel blijkt niet wat de grondslag van deze vordering is. In het verzoekschrift worden tal van juridische grondslagen genoemd, maar op grond waarvan Lee’s Corner vanaf 1 november 2024 een bedrag van USD 6.201 per maand moet betalen is niet duidelijk. Als Happiness Hotel met deze vordering wil dat de huurprijs nader moet worden vastgesteld, zal zij zich tot de Huurcommissie moeten wenden. Als Happiness Hotel dit bedrag als gebruiksvergoeding te vordert omdat zij meent dat de huurovereenkomst per 1 november 2024 geëindigd is, is die vordering niet toewijsbaar omdat de huurovereenkomst niet geëindigd is.
Deze vordering tot betaling van een bedrag van USD 6.201 per maand zal bij eindvonnis worden afgewezen.
Er zijn geen contractuele boetes verschuldigd
Happiness Hotel vordert dat Lee’s Corner wordt veroordeeld om contractuele boetes te betalen, omdat Lee’s Corner na het einde van de huurovereenkomst het gehuurde niet heeft verlaten. Omdat de huurovereenkomst niet op 1 november 2024 geëindigd is, zullen die vorderingen bij eindvonnis worden afgewezen.
Conclusie
Partijen worden in de gelegenheid gesteld om op de rol van 28 oktober 2026 gelijktijdig een akte in het geding te brengen over wat is bepaald onder rechtsoverweging 3.27. Daarna zal – voor zover nog noodzakelijk – een bewijsopdracht worden gegeven aan Happiness Hotel.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
in reconventie
Lee’s Corner vordert – kort gezegd - dat Happiness Hotel wordt veroordeeld om onderhoudswerkzaamheden te (laten) verrichten en de huurovereenkomst gedeeltelijk te ontbinden in die zin dat de huur wordt verminderd totdat aan de onderhoudsverplichting is voldaan.
De beoordeling van die vorderingen is afhankelijk van het oordeel in conventie hoe artikel 6.1 sub c van de huurovereenkomst moet worden uitgelegd en op wie de verplichting rust om (groot) onderhoud aan het gehuurde te plegen.
Iedere beslissing in reconventie wordt aangehouden.
4. De beslissing
Het Gerecht:
in conventie
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 oktober 2026 voor het nemen van een akte door Happiness Hotel en Lee’s Corner over wat is vermeld onder rechtsoverweging 3.27;
houdt iedere verdere beslissing aan;
in reconventie
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.