GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202600389
datum beslissing: 21 september 2026
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[N.V.],
gevestigd op Bonaire,
hierna: [N.V.],
eisende partij,
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,
tegen
GARNET BONAIRE B.V.,
gevestigd op Bonaire,
hierna: Garnet Bonaire,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. A.K. Kleinmoedig.
1. Het procesverloop
Op 14 juli 2026 heeft [N.V.] een verzoekschrift met bijlagen ingediend.
In het procesdossier zitten verder de volgende stukken:
de op 3 september 2026 overgelegde producties van Garnet Bonaire;
de op 4 september 2026 overgelegde productie van Garnet Bonaire.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 september 2026. Namens [N.V.] zijn [directeur N.V.] (directeur, hierna: [directeur N.V.]) en zijn zoon [manager N.V.] (manager) verschenen, bijgestaan door mr. Nicolaas. Garnet Bonaire heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. Kleinmoedig. De spreekaantekeningen die de gemachtigden hebben voorgelezen zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen besproken is.
De gemachtigde van [N.V.] heeft per e-mail van 4 september 2026 aan de griffier bezwaar gemaakt tegen de op 4 september 2026 overgelegde productie van Garnet Bonaire. Volgens [N.V.] is die productie te laat ingediend. Op de mondelinge behandeling is het bezwaar besproken en heeft [N.V.] haar bezwaar ingetrokken. De productie behoort daarom tot het procesdossier.
Ten slotte is bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
2. De kern van de zaak
Garnet Bonaire huurt een bedrijfsruimte van [N.V.] waarin zij materiaal, voorraad en bedrijfsmiddelen heeft opgeslagen. [N.V.] wil de huurovereenkomst beëindigen, omdat zij zelf gebruik wil maken van de bedrijfsruimte. Partijen hebben daarover een afspraak gemaakt. Partijen verschillen van mening hoe die afspraak moet worden uitgelegd en of [N.V.] zich op de afspraak kan beroepen. De rechter komt tot de conclusie dat Garnet Bonaire het gehuurde aan het eind van dit jaar moet ontruimen. Dat wordt hierna uitgelegd.
3. De beoordeling
De achtergrond van het geschil
Garnet Bonaire huurt sinds 13 februari 2015 een bedrijfsruimte van [N.V.] aan de [adres] op Bonaire (hierna: het gehuurde). De huurovereenkomst is in eerste instantie aangegaan voor een periode van twee jaar. Daarna is de huurovereenkomst stilzwijgend verlengd, waardoor sindsdien sprake is van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. De maandelijkse huurprijs bedraagt op dit moment USD 1.689,64.
Op 29 januari 2025 heeft [directeur N.V.] een brief gestuurd aan Garnet N.V. (een gelieerde vennootschap van Garnet Bonaire) waarin staat dat [N.V.] de huurovereenkomst wil beëindigen omdat zij de bedrijfsruimte zelf wil gaan gebruiken en dat Garnet een termijn van twaalf maanden heeft om het pand te ontruimen.
Bestuurder Garnet Bonaire] (bestuurder van Garnet Bonaire, hierna: [bestuurder Garnet Bonaire]) heeft op 18 februari 2025 op de brief van [directeur N.V.] gereageerd. In die brief van [bestuurder Garnet Bonaire] staat onder meer:
“ Onder voorbehoud van alle rechten
Desalniettemin is Garnet – uitdrukkelijk onder voorbehoud van alle rechten – bereid om naar een andere bedrijfsruimte uit te kijken. Het belang van Garnet is daarbij dat met de nodige zorgvuldigheid uitgekeken kan worden naar een andere bedrijfsruimte. (…)
(…)
Beëindiging overeenkomst
Garnet stelt in dit verband voor om de volgende afspraken te maken.
Lukt het Garnet voor 28 januari 2026 naar uitsluitend oordeel van Garnet geschikte alternatieve bedrijfsruimte te vinden dan zal de huurovereenkomst beëindigd zijn op de datum waarop het gehuurde ontruimd zal zijn, uiterlijk op 28 januari 2026. Zonder dat [N.V.] aanspraak maakt op enige schadevergoeding of de resterende huurtermijnen.
Lukt het Garnet niet om uiterlijk op 28 januari 2026 een alternatieve bedrijfsruimte te vinden, dan wordt aan Garnet nog een aanvullende periode van zes (6) maanden gegund en het gehuurde aldus uiterlijk op 28 juli 2026 ontruimd te hebben.
In de op te stellen beëindiging overeenkomst kunnen dan ook meteen de verdere stappen voor de beëindiging van de huurovereenkomst vastgelegd worden.
(…)”
Op 28 maart 2025 stuurt [directeur N.V.] een brief aan Garnet Bonaire waarin onder meer staat:
“Na het bestuderen van uw verzoek en rekening houdend met de extra tijd die nodig is om uw activiteiten te her lokaliseren, gaan wij akkoord met de verlenging van de ontruimingstermijn tot 28 januari 2026.
Bovendien accepteren wij uw voorstel om de ontruimingstermijn nogmaals met zes (6) maanden te verlengen, tot uiterlijk 28 juli 2026, als Garnet Bonaire B.V. tegen die tijd geen geschikt lokaal heeft gevonden. (…)
bestuurder Garnet Bonaire] schrijft op 9 april 2025 aan [directeur N.V.] dat hij verheugd is dat [N.V.] het voorstel van 18 februari 2025 aanvaardt.
Op 23 september 2025 stuurt [bestuurder Garnet Bonaire] een brief aan [directeur N.V.] waarin onder meer staat:
“Het is om deze reden dat Garnet Bonaire nu een beroep doet op de in de brief van 28 maart 2025 overeengekomen verlengingsmogelijkheid van de ontruimingstermijn tot uiterlijk 28 juli 2026.
Garnet Bonaire heeft het gehuurde niet uiterlijk op 28 juli 2026 ontruimd.
Het beoordelingskader in kort geding
Op grond van artikel 226 Rv BES kan in alle spoedeisende zaken waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist de belanghebbende partij zich wenden tot de rechter in eerste aanleg met een daarop gericht verzoek. Hieruit volgt dat een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening een vereiste is.
Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De rechter in kort geding moet inschatten of de bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen.
[N.V.] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen
Garnet Bonaire wordt niet gevolgd in haar stelling dat [N.V.] geen spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Op de mondelinge behandeling is namens [N.V.] uitgelegd dat zij het gehuurde wil renoveren en zelf in gebruik wil nemen om een showroom te vestigen. Dat is niet door Garnet Bonaire betwist. Als voldoende aannemelijk is dat partijen zijn overeengekomen dat Garnet Bonaire de bedrijfsruimte uiterlijk op 28 juli 2026 zal ontruimen, heeft [N.V.] er belang bij dat zij thans spoedig over de bedrijfsruimte kan beschikken.
[N.V.] is ontvankelijk in haar vorderingen
Garnet Bonaire meent dat [N.V.] niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen, omdat zij zich op grond van het huurrecht tot de Huurcommissie had moeten wenden met een verzoek tot vaststelling van een datum van beëindiging van de huurovereenkomst. Dat verweer wordt afgewezen. [N.V.] baseert haar vordering op nakoming van een tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst, niet op opzegging van de huurovereenkomst waarvoor de weg van artikel 7A:1603o BW BES zou moeten worden gevolgd. Daarom is [N.V.] ontvankelijk in haar vorderingen en zullen die hierna inhoudelijk beoordeeld worden.
De huurovereenkomst is geëindigd
Partijen verschillen van mening hoe hun afspraak (zie nummers 3.3 tot en met 3.6) over het beëindigen van de huurovereenkomst moet worden uitgelegd. Volgens [N.V.] zijn partijen een beëindigingsovereenkomst overeengekomen op basis waarvan Garnet Bonaire het gehuurde uiterlijk op 28 juli 2026 had moeten verlaten. Garnet Bonaire meent dat de afspraak tot beëindiging van de huurovereenkomst afhankelijk is van een opschortende voorwaarde dat zij eerst over vervangende bedrijfsruimte beschikt.
Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Nadat [N.V.] de huurovereenkomst op 29 januari 2025 had opgezegd, heeft Garnet Bonaire op 18 februari 2025 een voorstel gedaan om een afspraak te maken over de beëindiging van de huurovereenkomst. Garnet Bonaire heeft in haar voorstel tot beëindiging van de huurovereenkomst twee situaties geschetst: de situatie dat zij voor 28 januari 2026 alternatieve bedrijfsruimte heeft gevonden en de situatie dat het haar niet lukt om uiterlijk op 28 januari 2026 alternatieve bedrijfsruimte te vinden. In dat laatste geval stelt Garnet Bonaire voor dat haar een aanvullende periode van zes maanden wordt gegund en het gehuurde dan uiterlijk op 28 juli 2026 ontruimd zal zijn. Op 28 maart 2025 schrijft [N.V.] dat zij het voorstel van Garnet Bonaire om de ontruimingstermijn te verlengen tot uiterlijk 28 juli 2026 aanvaardt. In reactie daarop schrijft [bestuurder Garnet Bonaire] dat hij verheugd is dat [N.V.] zijn voorstel van 18 februari 2025 aanvaardt.
Doordat [N.V.] het aanbod van 18 februari 2025 van Garnet Bonaire heeft aanvaard, is een beëindigingsovereenkomst tot stand gekomen. Dat staat op zichzelf ook niet ter discussie. De vraag is alleen of aan de beëindigingsovereenkomst de door Garnet Bonaire gestelde opschortende voorwaarde is verbonden.
Garnet Bonaire stelt dat uit de correspondentie en gedragingen van partijen volgt dat de beëindiging van de huurovereenkomst afhankelijk is gesteld van de opschortende voorwaarde dat zij over andere bedrijfsruimte zou beschikken. Daarin wordt zij niet gevolgd. Dat Garnet Bonaire in haar brief van 18 februari 2025 een algemeen voorbehoud heeft gemaakt van haar rechten betekent niet dat de door haar voorgestelde gedetailleerde afspraken ook nog voorwaardelijk zouden zijn. In die brief doet zij expliciet een aanbod voor de situatie dat Garnet Bonaire niet uiterlijk op 28 januari 2026 alternatieve bedrijfsruimte heeft gevonden: dan zal een extra termijn van zes maanden worden gegund en zal het gehuurde uiterlijk op 28 juli 2026 worden ontruimd. Dat dan nog steeds de opschortende voorwaarde zou gelden dat Garnet Bonaire een geschikte alternatieve bedrijfsruimte moet hebben gevonden blijkt niet uit de door partijen gevoerde correspondentie. Het zou de afspraak over de extra termijn tot uiterlijk 28 juli 2026 ook betrekkelijk zinledig maken. Garnet Bonaire heeft de afspraken in redelijkheid dan ook niet zo mogen opvatten en [N.V.] heeft deze in elk geval niet zo hoeven te begrijpen. Uit de verdere correspondentie blijkt ook niet dat Garnet Bonaire de afspraken heeft opgevat zoals zij nu stelt. Integendeel, op 23 september 2025 schrijft Garnet Bonaire dat zij een beroep doet op de verlengingsmogelijkheid van de ontruimingstermijn tot uiterlijk 28 juli 2026.
Het betoog van Garnet Bonaire dat de wettelijke huurbescherming van dwingend recht is en dat daarvan niet ten nadele van een huurder kan worden afgeweken is op zichzelf niet relevant voor de vraag of partijen rechtsgeldig een beëindigingsovereenkomst zijn overeengekomen. Het staat twee (professionele) partijen vrij om afspraken te maken over de beëindiging van een huurovereenkomst.
Bij deze stand van zaken is het waarschijnlijk dat een bodemrechter zal oordelen dat partijen rechtsgeldig een beëindigingsovereenkomst zijn overeengekomen zonder dat daarbij sprake is van de opschortende voorwaarde dat Garnet Bonaire over een alternatieve bedrijfsruimte moet beschikken, zodat [N.V.] in beginsel nakoming van deze overeenkomst kan vorderen.
Het beroep van [N.V.] op de beëindigingsovereenkomst is niet onaanvaardbaar
Garnet Bonaire stelt zich op het standpunt dat het beroep van [N.V.] op de beëindigingsovereenkomst in verband met de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Garnet Bonaire voert verschillende omstandigheden aan die betrekking hebben op de door haar gestelde opschortende voorwaarde van de beëindigingsovereenkomst en de rechtsgeldigheid van de opzegging. Hiervoor is echter geoordeeld dat geen sprake is van een opschortende voorwaarde en dat de grondslag voor de vordering niet gelegen is in de opzegging. Dit kan dan ook geen grond opleveren om het beroep van [N.V.] op de beëindigingsovereenkomst onaanvaardbaar te achten.
De omstandigheden dat Garnet Bonaire de bedrijfsruimte sinds 2015 huurt en zich altijd als een goed huurder heeft gedragen, betekenen niet dat Garnet Bonaire niet aan de afspraak tot beëindiging van de huurovereenkomst gehouden kan worden. Op grond van de wet is Garnet Bonaire verplicht om zich als goed huurder te gedragen en ook een huurovereenkomst van een goede huurder moet kunnen worden beëindigd als partijen daarover een afspraak hebben gemaakt.
Verder heeft Garnet Bonaire aangevoerd dat het aanbod op de huurmarkt van Bonaire beperkt is, dat zij goederen met een hoge waarde uit het gehuurde moet verplaatsen en dat onmiddellijke ontruiming ernstige gevolgen kan hebben voor haar bedrijfsvoering. Daar staat tegenover dat Garnet Bonaire al vanaf 18 februari 2025 rekening moest houden met het einde van de huurovereenkomst. Garnet Bonaire heeft daarmee ruim anderhalf jaar de tijd gehad om naar andere bedrijfsruimte te zoeken. De genoemde omstandigheden maken dan ook niet dat het beroep van [N.V.] op de beëindigingsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bij het bepalen van de ontruimingstermijn zal met deze omstandigheden wel rekening worden gehouden.
Garnet Bonaire moet het gehuurde uiterlijk op 11 december 2026 ontruimen
Omdat voldoende aannemelijk is dat [N.V.] rechtsgeldig een beroep doet op de overeenkomst waaruit volgt dat de huurovereenkomst uiterlijk per 28 juli 2026 is geëindigd, moet Garnet Bonaire het gehuurde ontruimen.
Garnet Bonaire stelt dat de huurmarkt op Bonaire krap is en dat haar materiaal, voorraad en bedrijfsmiddelen die liggen opgeslagen in het gehuurde een grote waarde vertegenwoordigen. Dat is niet door [N.V.] betwist. Omdat [N.V.] op de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij het gehuurde pas in het volgende werkjaar wil gebruiken, zal Garnet Bonaire worden veroordeeld om het gehuurde uiterlijk op 11 december 2026 te ontruimen. Zoals [N.V.] ter zitting heeft toegelicht, is dat het einde van het huidige werkjaar.
N.V.] heeft op grond van dit vonnis en de wet de mogelijkheid om de ontruiming zelf of met behulp van een deurwaarder uit te voeren als Garnet Bonaire niet aan dit vonnis voldoet. De vordering om haar daartoe te machtigen wordt daarom afgewezen. Garnet Bonaire voert aan dat zij vrijwillig aan dit vonnis zal voldoen en een machtiging om de sterke arm van politie en justitie in te schakelen daarom moet worden afgewezen. Dat verweer wordt verworpen. Gelet op de eerdere opstelling van Garnet Bonaire is er voldoende aanleiding om de bedoelde machtiging en toestemming te verlenen. Als Garnet Bonaire zich vrijwillig aan de ontruiming zal houden, heeft zij van de sterke arm van politie en justitie niets te vrezen.
Garnet Bonaire moet een gebruiksvergoeding betalen
N.V.] vordert dat Garnet Bonaire wordt veroordeeld om vanaf 29 juli 2026 een gebruiksvergoeding te betalen. Omdat de huurovereenkomst op 28 juli 2026 is geëindigd, moet Garnet Bonaire een gebruiksvergoeding betalen gelijk aan de maandelijkse huurprijs van USD 1.689,64. De vordering van [N.V.] is daarom toewijsbaar. Daarbij geldt dat de al door Garnet Bonaire betaalde bedragen na 29 juli 2026 in mindering strekken op de veroordeling om vanaf 29 juli 2026 een gebruiksvergoeding te betalen.
Garnet Bonaire moet de proceskosten betalen
Garnet Bonaire zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure en de nakosten. Deze kosten worden aan de zijde van [N.V.] begroot op:
USD 159,00 aan betekeningskosten van het verzoekschrift;
USD 251,00 aan griffierecht;
USD 559,00 aan salaris gemachtigde (liquidatietarief voor ontruimingszaak);
USD 140,00 aan nakosten (plus de eventuele verhoging zoals vermeld in de beslissing);
Totaal: USD 1.109,00.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en nakosten wordt toegewezen zoals in de beslissing staat vermeld.
De beslissingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard
De beslissingen in dit vonnis worden, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Een kort geding strekt op grond van de wet en naar haar aard tot het verkrijgen van een voorziening bij voorraad. Dit betekent dat de beslissingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als Garnet Bonaire in hoger beroep gaat. De beslissingen in deze uitspraak gelden in dat geval totdat de rechter in hoger beroep tot een andere beslissing komt.
4. De beslissing
Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:
beveelt Garnet Bonaire om na betekening van dit vonnis uiterlijk op 11 december 2026 de bedrijfsruimte plaatselijk bekend als [adres] op Bonaire met alle personen en zaken die zich van de kant van Garnet Bonaire in en om de bedrijfsruimte bevinden, te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden en, onder afgifte van de sleutels, ter vrije en algehele beschikking van [N.V.] te stellen;
verstaat dat, indien Garnet Bonaire niet aan de veroordeling onder rechtsoverweging 4.1. voldoet, de deurwaarder, door wie de gedwongen ontruiming zal dienen te geschieden, op grond van de wet- en regelgeving (artikel 555 e.v. Rv BES) bevoegd is de sterke arm van politie en justitie in te roepen, en verleent reeds thans toestemming voor de vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 557 jo. 444 lid 2 Rv BES;
veroordeelt Garnet Bonaire om aan [N.V.] een gebruiksvergoeding te betalen van USD 1.689,64 per maand of gedeelte daarvan vanaf 29 juli 2026 tot het tijdstip van de feitelijke en algehele ontruiming waarbij geldt dat de reeds betaalde maandelijkse termijnen na 29 juli 2026 in mindering strekken op deze veroordeling;
veroordeelt Garnet Bonaire tot betaling van de proceskosten en nakosten aan [N.V.], begroot op USD 1.109,00, verhoogd met USD 84,00 in geval van betekening indien nakoming door Garnet Bonaire uitblijft binnen veertien dagen nadat Garnet Bonaire schriftelijk is verzocht om aan het vonnis te voldoen;
veroordeelt Garnet Bonaire tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten en nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald en over het bedrag van de verhoging vanaf veertien dagen na de betekening;
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.L. Wattel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.