GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
Registratienummer: BON202600253
Datum beslissing: 30 september 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[verzoekster],
ingeschreven te Bonaire,
verzoekster,
hierna: de vrouw,
gemachtigde: mr. E.J. Winkel,
tegen
[de curator], in zijn hoedanigheid van curator over [de curandus],
wonend te Bonaire,
verweerder,
hierna: de zoon/de curator respectievelijk de man/de curandus,
gemachtigde: mr. M.G. van Dijk.
1. Het procesverloop
Het verzoekschrift met bijlagen is op 20 mei 2026 ingediend.
Op 26 augustus 2026 is het verweerschrift ingediend en op 28 augustus 2026 heeft verweerder nog een productie ingediend.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 september 2026. Partijen zijn met hun gemachtigden verschenen (de vrouw door middel van een videoverbinding). Ter zitting hebben de gemachtigden pleitaantekeningen overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen is besproken.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
De man, geboren in 1944, is sinds 1967 getrouwd met [naam], wonende in Nederland. Zij leven al vele jaren niet meer samen.
Van juli 2022 tot oktober 2025 hebben de man en de vrouw een relatie onderhouden; eerst in Buenos Aires (Argentinië) en later op Bonaire. Zij hebben in deze periode ook veelvuldig gereisd, veelal samen en de vrouw soms ook alleen.
De man is vanaf 2 januari 2023 ingeschreven op Bonaire, komende vanuit Argentinië. De vrouw is vanaf 7 december 2023 ingeschreven op Bonaire, komende vanuit Brazilië.
Op 23 september 2023 hebben de man en de vrouw een arbeidsovereenkomst gesloten, op grond waarvan de vrouw als ‘live-in help’ te werk werd gesteld tegen een salaris van USD 2.000,- per maand plus accommodatie en maaltijden.
Op 5 december 2023 heeft de man een testament laten maken. Daarin heeft hij zijn kinderen tot zijn enige erfgenamen benoemd en zijn echtgenote als erfgenaam uitgesloten. De vrouw is niet opgenomen in het testament.
De vrouw heeft op 6 december 2023 een tewerkstellingsvergunning verkregen, geldig tot 5 december 2024, en een verblijfsvergunning voor dezelfde tijd.
Op 6 en 14 juni 2024 is de man gezien door de casemanager dementie en specialist ouderengeneeskunde wegens progressie van vergeetachtigheid en verbale agressie. In het schriftelijke bericht hierover van 19 juni 2024 staat als conclusie dat sprake is van een verdenking op dementie bij hoog pre-existent functioneren en dat er risico’s zijn op financiële schade, uitbuiting, isolatie en overbelasting mantelzorg, waarbij er al relationele problemen aanwezig zijn, zowel met de vriendin en familie als in bredere sociale zin. Aan de man en de familie is het advies gegeven om zorgtaken en geldzaken te gaan regelen via mentorschap en bewindvoerderschap zodat bij verminderde wilsbekwaamheid geen problemen ontstaan bij familie en partner.
Op 29 november 2024 hebben de man en de vrouw een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten, voor de duur van een jaar, van 6 december 2024 tot 6 december 2025. Er staat in dat de vrouw in dienst is bij de man in de functie van inwonend huishoudelijk hulp tegen het salaris van USD 2.000,- per maand.
In aansluiting daarop zijn de tewerkstellingsvergunning en de verblijfsvergunning van de vrouw met een jaar verlengd, van 6 december 2024 tot 5 december 2025.
In december 2024 is een bedrag van USD 1.000.000,- overgeschreven van een andere bankrekening naar de MCB-rekening van de man. Er is een ingevuld en door de man ondertekend overschrijvingsformulier d.d. 7 januari 2025 voor een overboeking van USD 1.000.000,- van de MCB-rekening van de man naar een bankrekening van de vrouw in Amerika, met als omschrijving ‘Purchase of apartment’. Het bedrag is niet overgeschreven naar de vrouw.
De kinderen van de man hebben op 18 juni 2025 een verzoek ingediend bij het Gerecht tot ondercuratelestelling van de man. Op 9 juli 2025 heeft de mondelinge behandeling van dit verzoek plaatsgevonden. Bij beschikking van 16 juli 2025 is de man onder curatele gesteld in verband met cognitieve stoornissen die zich uiten in progressieve vergeetachtigheid en waarbij sprake lijkt te zijn van dementie. De zoon is daarbij tot curator benoemd.
Op 9 juli 2025 heeft de vrouw voor zichzelf vliegtickets geboekt naar Buenos Aires ter waarde van USD 11.407,23 ten laste van de creditcard van de man.
Op 22 september 2025 heeft de vrouw haar overeenkomst voor ‘live-in help’ met onmiddellijke ingang opgezegd. Zij is op 4 oktober 2025 vertrokken naar Buenos Aires, waar zij nu nog steeds verblijft.
3. Het verzoek en de beoordeling
Het verzoek van de vrouw
De vrouw verzoekt de curator in zijn hoedanigheid te veroordelen tot betaling van:
- primair: een eenmalige uitkering van USD 1.000.000, - aan de vrouw voor haar levensonderhoud ex artikel 1:408b BW BES;
- subsidiair: een uitkering van USD 1.000.000, - aan de vrouw voor haar levensonderhoud ex artikel 1:408b BW BES, verdeeld in maandelijkse termijnen van USD 27.777.77;
meer subsidiair: een uitkering voor levensonderhoud van USD 27.777,77 (ter zitting gecorrigeerd in USD 20.000,-) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, vanaf 4 oktober 2025 voor de duur van drie jaren;
betaling van de volledige proceskosten.
Het verzoek van de man om zekerheidstelling op grond van artikel 122 Rv BES
De curator doet een beroep op artikel 122 Rv BES. Hij verzoekt het Gerecht te bepalen dat de vrouw eerst zekerheid moet stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zou kunnen worden, tot een bedrag van USD 40.000,-. Voor het geval dit verzoek wordt afgewezen of de bepaalde zekerheid wordt gesteld, voert de curator ook al inhoudelijk verweer.
Het Gerecht wijst het verzoek op grond van artikel 122 Rv BES af. Voor zekerheidstelling met het oog op schadevergoeding waartoe de vrouw zou kunnen worden veroordeeld, bestaat geen aanleiding, alleen al omdat niet duidelijk is om welke schadevergoeding het in deze procedure zou gaan. Voor zekerheidstelling met het oog op de proceskosten bestaat evenmin aanleiding, omdat het hier gaat om een familierechtelijk geschil waarbij de proceskosten plegen te worden gecompenseerd. Het Gerecht ziet geen reden om daarover in deze zaak anders te oordelen. De vraag of aan de verdere voorwaarden voor een beroep op artikel 122 Rv BES is voldaan, behoeft daarom niet te worden onderzocht.
De grondslag van het verzoek en het verweer
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij en de man langdurig hebben samengeleefd als waren zij gehuwd. Volgens haar is de samenleving en affectieve relatie begonnen in juli 2022, toen zij haar intrek nam in de woning van de man in Buenos Aires. Zij stelt dat zij op verzoek van de man haar carrière in de vastgoedsector in Buenos Aires heeft beëindigd en haar woning aldaar heeft opgezegd. De arbeidsovereenkomsten dienden alleen als formeel instrument om voor de vrouw en verblijfs- en werkvergunning op Bonaire te verkrijgen. Zij voert verder aan dat de affectieve relatie ruim drie jaar heeft geduurd, tot oktober 2025, en dat sprake was van samenwoning in één woning, wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding. Zij stelt verder dat de man in december 2024 heeft voorgesteld het bedrag van USD 1.000.000,- te storten op haar Amerikaanse bankrekening om te voorkomen dat zij na jarenlange opoffering met lege handen zou achterblijven en dat met het oog daarop het overschrijvingsformulier van 7 januari 2025 is ingevuld. De brief waarmee zij haar positie als ‘ live-in help’ opzegde, is geschreven op het moment dat haar positie in de woning al onhoudbaar was geworden en beëindigde slechts het formele vehikel waarmee haar verblijf op Bonaire was geregeld, aldus de vrouw. Haar primaire verzoek strekt tot een uitkering ineens op basis van het toegezegde bedrag. Het subsidiaire verzoek betreft een uitkering van hetzelfde bedrag, maar dan in 36 maandelijkse termijnen. Het meer subsidiaire verzoek strekt tot een maandelijkse uitkering van een bedrag dat de vrouw gelet het welstandsniveau van partijen passend acht, voor een duur van drie jaar, gelijk aan de periode dat de samenleving volgens haar heeft geduurd.
De curator voert in de kern als verweer dat de vrouw gedurende ongeveer drie jaar op grote schaal heeft geprofiteerd van een progressief demente, vermogende man, in de vorm van salaris, kost en inwoning, eersteklasreizen en -hotels, sieraden en contanten. Hij betwist dat sprake is geweest van een samenleving als waren de man en de vrouw gehuwd. Hij wijst er daarbij op dat partijen hun relatie zelf hebben vormgegeven als een arbeidsovereenkomst. Verder voert hij aan dat de vrouw, nadat zij ter zitting van 9 juli 2025 was gehoord en vermoedde dat zij niet langer de beschikking zou hebben over de financiën van de man, direct een enkele reis boekte naar Buenos Aires. Met affectie is dat volgens hem moeilijk te rijmen. Daarnaast voert hij aan dat de door de vrouw gestelde 24-uurszorg valt onder de contractuele verplichtingen waarvoor zij salaris, kost en inwoning ontving, dat zij als inwonende verzorgster in hetzelfde huis woonde, maar een eigen slaapkamer had, dat zij de man isoleerde van familie en vrienden en personeel tegen zich in het harnas joeg en dat zij bewust niet is opgenomen in het testament. De arbeidsovereenkomsten zijn volgens hem geen schijnconstructie ter verkrijging van een verblijfsstatus, waarvoor hij onder meer verwijst naar de salarisbetalingen en de opzegging van het dienstverband door de vrouw. Hij betwist dat een bindende toezegging van USD 1.000.000,- is gedaan. Zo nodig beroept hij zich op vernietiging/nietigheid van de betreffende rechtshandeling wegens onbekwaamheid van de man dan wel misbruik van omstandigheden door de vrouw. Verder stelt hij dat in september 2025 een afwikkelingsafspraak is gemaakt, inhoudende dat de vrouw de door haar toegeëigende middelen mocht houden, dat haar overige goederen op kosten van de man zouden worden verscheept en dat zij afzag van verdere financiële aanspraken. Het huidige verzoek is in strijd met deze afspraak en levert misbruik van recht op, aldus de man.
De wettelijke maatstaf
Hebben twee personen langdurig samengeleefd als waren zij gehuwd en is aan deze samenleving anders dan door de dood een einde gekomen, dan kan de rechter, indien dat redelijk is, aan een van hen op diens verzoek ten laste van de ander een uitkering tot levensonderhoud toekennen. Het bepaalde omtrent een uitkering tot levensonderhoud aan een gewezen echtgenoot is van overeenkomstige toepassing (artikel 1:408b BW BES in verbinding met artikel 1:157 BW BES).
In dit artikel zijn twee elementen te onderscheiden die in dit geschil van belang zijn, namelijk het vereiste van een langdurige samenleving als waren partijen gehuwd en de maatstaf van redelijkheid. De Hoge Raad heeft overwogen dat voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van samenleven met een ander als waren partijen gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie bestaat van duurzame aard die meebrengt dat partijen elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Nu dezelfde formulering wordt gebruikt in artikel 1:408b BW, ligt het voor de hand voormelde uitleg ook bij de toepassing van dit artikel te volgen. Bij de vraag of toekenning van alimentatie in deze niet-huwelijkse situatie redelijk is, moet de rechter verder letten op alle omstandigheden. Hierbij valt te denken aan de leeftijd, gezondheidstoestand en arbeidsverleden, de tijdens de samenleving aangehouden rolverdeling, de duur van het (langdurige) concubinaat, het feit dat uit het concubinaat kinderen zijn voortgekomen, de leeftijd van deze kinderen, en eventuele afspraken ter zake. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft de in dit artikel geregelde uitbreiding van de alimentatieplicht buiten het huwelijk opgevat als door de wetgever bedoeld voor sprekende gevallen. Daar gaat het Gerecht ook van uit.
De aard van de relatie tussen de vrouw en de man
Het Gerecht wil op basis van de processtukken en het verhandelde ter zitting aannemen dat sprake is geweest van een affectieve relatie tussen de vrouw en de man. Om te beginnen getuigt de door de vrouw overgelegde reeks foto’s en haar toelichting daarvan. Dat er meer was dan een zakelijke verhouding, zoals neergelegd in de arbeidsovereenkomsten, wordt ook bevestigd door de e-mail van de zoon aan een advocaat van 7 augustus 2023 waarin hij spreekt over de partner van zijn vader, daarmee doelend op de vrouw. In de medische stukken wordt zij ook de partner van de man genoemd. Het Gerecht acht verder aannemelijk dat de man en de vrouw hebben samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. Gelet op de affectieve relatie kan niet worden volgehouden dat dit slechts voortvloeide uit de functie van inwonende huishoudelijke hulp die de vrouw volgens de arbeidsovereenkomsten had.
Over de duurzame aard van de relatie die meebrengt dat partijen elkaar wederzijds verzorgen, kan in dit geval wel worden getwijfeld. Zoals de zoon in de genoemde e-mail schreef, had de man zijn partner echt nodig om hem bij zijn dagelijkse activiteiten te helpen en hadden ze een afspraak dat zij tot zijn dood voor hem zorgt en daarna maandelijks geld krijgt voor haar levensonderhoud. Uit de voorbeelden die de curator in deze procedure heeft genoemd, komt naar voren dat de vrouw het op cruciale momenten op dit punt liet afweten. Zo heeft de curator erop gewezen dat de vrouw op 28 mei 2025 voor USD 17.350,- aan sieraden kocht terwijl de man zich in een delier bevond. Nog sterker is dat zij direct na de behandeling van het curateleverzoek op 9 juli 2025 een enkele reis naar Buenos Aires boekte, voor USD 11.407 op kosten van de man. Dit laatste kan moeilijk anders worden begrepen dan dat de vrouw vertrok zodra haar duidelijk werd dat zij niet meer vrijelijk zou kunnen beschikken over de financiële middelen van de man. Dit past niet goed bij een duurzame relatie waarbij lotsverbondenheid tussen partijen het uitgangspunt is.
Toekenning van alimentatie is in dit geval niet redelijk
Bij de beoordeling of het in dit geval redelijk is een uitkering tot levensonderhoud toe te kennen, zijn de volgende omstandigheden van belang.
Het Gerecht gaat ervan uit dat de vrouw, zoals zij stelt, in juli 2022 bij de man is ingetrokken in Buenos Aires, waar partijen op dat moment beiden woonden. Zoals vermeld stelt de vrouw daarbij dat zij haar carrière in de vastgoedsector toen op uitdrukkelijk verzoek van de man heeft beëindigd en haar woning heeft opgezegd. Dat wordt door de curator betwist. Tegenover die betwisting heeft de vrouw haar stellingen hierover niet nader toegelicht en onderbouwd, zodat het Gerecht daaraan voorbijgaat. Verder staat vast dat de vrouw in oktober 2025 juli 2025 naar Buenos Aires is vertrokken en dat de samenleving daarmee is geëindigd. Dat betekent dat de samenleving ruim drie jaar heeft geduurd. De rolverdeling was zo dat de man en vrouw veelvuldig samen luxueuze reizen maakten en verder afwisselend in Buenos Aires en (later) op Bonaire verbleven, waarbij de man vanwege zijn fysieke en mentale achteruitgang in toenemende mate hulp nodig had waarin de vrouw voorzag. De luxueuze levensstijl zetten zij daarbij voort, waarbij grote uitgaven werden gedaan, met name ook door de vrouw. Toen de samenwoning begon, was de man 78 jaar en de vrouw 63 jaar. Kinderen hebben zij niet gekregen. Toen de samenwoning eindigde, was de vrouw 66 jaar.
Wat gemaakte afspraken betreft geldt het volgende. Zoals hiervoor is vermeld, heeft de zoon in augustus 2023 aan de advocaat geschreven over de afspraak dat de vrouw de man tot zijn dood zou verzorgen en daarna maandelijks geld zou krijgen voor haar levensonderhoud. De advocaat heeft de zoon hierop geadviseerd om de gemaakte afspraak spoedig bij testament via een notaris vast te leggen. Vaststaat dat dit niet is gebeurd: de man heeft in december 2023 wel een testament gemaakt, maar de vrouw is hierin niet opgenomen. De vrouw stelt vervolgens dat de man in december 2024 heeft voorgesteld dat zij USD 1.000.000,- zou ontvangen en dat met het oog daarop in januari 2025 het overschrijvingsformulier is ingevuld. Los van de bedenkingen die hierbij kunnen bestaan vanwege de cognitieve achteruitgang van de man waarvan toen al sprake was blijkens het medische bericht van juni 2024, is het echter ook een feit dat deze overschrijving niet is uitgevoerd. Gelet daarop kan niet zonder meer worden aangenomen dat het de (blijvende) bedoeling van de man was dit bedrag aan de vrouw te geven om voor de toekomst in haar levensonderhoud te voorzien.
Wat overblijft is dan de afspraak dat de vrouw de man tot zijn dood zou verzorgen en daarna een - kennelijk nog nader te bepalen - maandelijkse uitkering tot levensonderhoud zou krijgen. Zover is het echter niet gekomen: zoals hiervoor is beschreven, heeft de vrouw direct na de behandeling van het curateleverzoek ervoor gekozen van het eiland te vertrekken. Daarmee eindigde de samenleving en ook de verzorging van de man waar de afspraak op zag. Daar komt bij dat de vrouw bij haar vertrek - in de woorden van de curator - een fortuin aan geld en goederen heeft meegenomen, wat de vrouw niet heeft weersproken. Het is dus niet zo dat de vrouw noodgedwongen is vertrokken en berooid is teruggekeerd naar de plaats waar het is begonnen.
Een sprekend geval, waarin het redelijk is om een uitkering tot levensonderhoud toe te kennen aan iemand die duurzaam heeft samengewoond met een ander als waren partijen gehuwd, doet zich gelet op dit geheel van omstandigheden niet voor. Het Gerecht wijst het verzoek daarom af.
Proceskosten
Omdat partijen gewezen levensgezellen zijn en het om een familierechtelijk geschil tussen hen gaat, zal het Gerecht de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
Het gerecht:
wijst het incidentele verzoek tot zekerheidstelling van de man af;
wijst het verzoek van de vrouw in de hoofdzaak af;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.L. Wattel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.