GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202500014
datum uitspraak: 28 januari 2026
in de zaak van:
[eiser],
wonende te Bonaire,
eiser, hierna: [eiser],
gemachtigde: [vakbondadviseur] (vakbondsadviseur),
tegen
de naamloze vennootschap [gedaagde],
gevestigd te Bonaire,
gedaagde, hierna: [gedaagde],
gemachtigde: mr. S.C. van Lint,
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift van [eiser] met bijlagen
het verweerschrift van [gedaagde] met bijlagen
de mondelinge behandeling van 3 december 2025, waar zijn verschenen:
o [eiser] bijgestaan door zijn gemachtigde
o namens [gedaagde] mevrouw [medewerker 1] van de afdeling personeelszaken en de heer [medewerker 2] teamleider operations, bijgestaan door de gemachtigde van [gedaagde]
en tijdens welke mondelinge behandeling de gemachtigden van partijen mede het woord hebben gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen
Vervolgens is de zaak aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen onderling tot overeenstemming te komen. Nadat partijen hebben laten weten dat dit niet is gelukt, is vonnis bepaald op heden.
2. De kern van de zaak
Het gaat in deze zaak om het antwoord op de vraag of [eiser] een loonvordering heeft op [gedaagde] op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
3. De feiten
gedaagde] is een afvalverwerkingsbedrijf.
eiser] is op 19 juli 2021 bij [gedaagde] in dienst getreden in functie van allround medewerker tegen een loon van uiteindelijk USD 1.400, - bruto per maand.
eiser] en [gedaagde] zijn drie elkaar opvolgende schriftelijke arbeidsovereenkomsten voor een half jaar aangegaan (op 15 juli 2021, 25 januari 2022 en 1 juli 2022). In de arbeidsovereenkomst van 1 juli 2022 staat dat de laatste werkdag van [eiser] 31 december 2022 is.
Bovenaan de drie arbeidsovereenkomsten staat dat het gaat om Projectcontract: E brug pa oportunidat. Op de arbeidsovereenkomst van 25 januari 2022 is daaraan toegevoegd Tweede tranche en op de arbeidsovereenkomst van 1 juli 2022 Derde tranche.
Het project E brug pa oportunidat is een gezamenlijk project van [gedaagde] met ook het Openbaar Lichaam Bonaire met als doel om arbeidsplaatsen te creëren voor personen die vanwege de coronapandemie geen werk meer hadden. Vijftien personen hebben deelgenomen aan dit project. Aan een aantal daarvan heeft [gedaagde] na de derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangeboden. [eiser] was niet één van hen. Aan degenen aan wie geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangeboden (en dus aan [eiser]) is een re-integratietraject aangeboden om elders aan het werk te komen. Dit project is gestart op 23 september 2022. [eiser] heeft daaraan meegedaan.
Op 20 december 2022 heeft [eiser] ondertekend een schriftelijk stuk met de kop Conclusie van het project waarin onder meer is opgenomen Het was ook niet duidelijk voor diegene die nog geen andere werk hebben gekregen wat precies met hun zal gaan gebeuren. Het feit is wel dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege zal beëindigen op 31 december 2022.
In de periode van 2 tot en met 6 januari 2023 is [eiser] bij [gedaagde] op de werkvloer verschenen. [eiser] heeft toen de dienstbus uitgeruimd en materialen opgehaald en geïnventariseerd. Op 6 januari 2023 is [eiser] door [gedaagde] naar huis gestuurd.
In mei 2023, september 2023 en in februari 2024 heeft [eiser] bij [gedaagde] aanspraak gemaakt op betaling van achterstallig loon.
In de periode van 20 maart 2023 – 20 maart 2025 heeft [eiser] op basis van een arbeidsovereenkomst van 36 uur per week werkzaamheden verricht voor Fundashon Bas Bonairiano.
4. Het geschil
eiser] vordert dat het gerecht bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om aan hem over de periode vanaf 1 januari 2023 tot en met de datum van dit vonnis achterstallig loon te betalen, vermeerderd met 50% vertragingsrente althans de wettelijke rente vanaf 1 januari 2023 en met veroordeling van [gedaagde] in de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat tussen hem en [gedaagde] een vierde arbeidsovereenkomst is ontstaan die op grond van artikel 7A:1615fa BW BES moet worden beschouwd als te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd, althans dat de derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd stilzwijgend is verlengd als bedoeld in artikel 7A:1615f BW BES).
gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser], althans tot matiging van de loonvordering.
5. De beoordeling
Ter beantwoording ligt de vraag voor of tussen partijen een overeenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen omdat tussen partijen een vierde (de eerder arbeidsovereenkomsten opvolgende) arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen (artikel 7A:1615fa lid 1 aanhef en onder a BW BES). Dat is wat [eiser] aan zijn vordering ten grondslag legt.
eiser] stelt dat de vierde opvolgende arbeidsovereenkomst tussen partijen op twee wijzen tot stand is gekomen, te weten (1) in een gesprek dat hij had met de voormalige directeur van [gedaagde] en ook (2) omdat de derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd stilzwijgend is verlengd.
In het gesprek met de toenmalige directeur is geen vierde arbeidsovereenkomst tussen partijen tot stand gekomen
eiser] baseert zijn stelling dat tussen partijen een vierde overeenkomst tot stand is gekomen op een gesprek dat hij met de toenmalige directeur van [gedaagde] had tijdens een toevallige ontmoeting rond de jaarwisseling in een supermarkt. [eiser] stelt dat hij de directeur in dat gesprek heeft verteld dat hij geen werk meer bij [gedaagde] had, waarna de directeur tegen hem heeft gezegd dat er genoeg werk was en dat hij zich na 1 januari 2023 maar bij [gedaagde] moest melden.
Met dit gesprek is naar het oordeel van het gerecht tussen partijen geen vierde arbeidsovereenkomst tot stand gekomen. Vaststaat dat [gedaagde] kort vóór die toevallige ontmoeting aan [eiser] duidelijk had gemaakt dat zij met [eiser] niet opnieuw een arbeidsovereenkomst wilde aangaan. Niet alleen staat in de derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd staat dat de laatste werkdag van [eiser] op 31 december 2022 is, dit staat ook in de door [eiser] op 20 december 2022 ondertekende verklaring. Verder heeft [eiser] meegedaan aan een re-integratietraject dat werd aangeboden aan de werknemers binnen het project met wie geen overeenkomst voor onbepaalde tijd werd aangegaan.
Gelet daarop en omdat het gesprek plaatsvond tijdens een toevallige ontmoeting in een supermarkt, kon [eiser] aan de woorden van de voormalige directeur van [gedaagde] in redelijkheid geen verderstrekkende betekenis toekennen dan als een uitnodiging om te komen solliciteren.
Het gerecht kent geen betekenis toe aan de omstandigheid dat [eiser] op 6 januari 2023 de voormalig directeur een e-mail heeft gestuurd over de plannen over zijn werk bij [gedaagde] omdat de voormalig directeur daar niet op heeft gereageerd.
Het feit dat [eiser] in de periode van 20 maart 2023 – 20 maart 2025 bij een andere onderneming in dienst is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst van 36 uur per week wijst er op dat ook [eiser] zelf niet uitging dat hij een arbeidsovereenkomst met [gedaagde] had.
de derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is niet stilzwijgend verlengd
De wet bepaalt dat een stilzwijgende verlenging van een derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd de vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd vormt (artikel 7A:1615f BW BES). Als komt vast te staan dat de derde arbeidsovereenkomst tussen partijen stilzwijgend is verlengd, wat [gedaagde] betwist, dan wordt deze vierde arbeidsovereenkomst van rechtswege wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (artikel 7A:1615fa lid 1 aanhef en onder a BW BES).
Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt verlengd als zij zonder tegenspraak wordt voortgezet (artikel 7A:1615f BW BES). Aan die vereisten is niet voldaan. [eiser] was in de eerste week van januari 2023 weliswaar weer bij [gedaagde] op de werkvloer aanwezig, maar [eiser] heeft zijn stelling dat hij toen zonder tegenspraak van [gedaagde] hetzelfde werk is blijven doen, onvoldoende onderbouwd. Dat wordt hierna uitgelegd.
- zonder tegenspraak
Niet is komen vast te staan bovendien dat van tegenspraak van [gedaagde] geen sprake was. [gedaagde] heeft dat gemotiveerd betwist. [gedaagde] voert aan dat [eiser] begin januari 2023 door de toenmalige teamleider meerdere keren is aangesproken op het feit dat hij op het milieustation aanwezig was terwijl hij niet langer voor [gedaagde] werkzaam was. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] toen verklaard dat hij zijn voormalige collega’s (die wel een vast dienstverband hadden gekregen) kwam begroeten en dat hij wilde observeren hoe de werkzaamheden gingen. Na advies van de afdeling personeelszaken heeft de teamleider [eiser] op 6 januari 2023 van de werkplek weggestuurd. [eiser] weerspreekt dat alles niet maar stelt dat hij naar huis is gestuurd in afwachting van een oproep om weer te komen werken. Zonder toelichting evenwel, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe die stelling zich verhoudt tot de stelling van [eiser] dat hij zonder tegenspraak van [gedaagde] zijn werk kon blijven verrichten.
Gelet op die gemotiveerde betwisting en omdat (zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.4. al is overwogen) [gedaagde] kort daarvóór aan [eiser] duidelijk had gemaakt dat zij met [eiser] niet opnieuw een arbeidsovereenkomst wilde aangaan, mocht van [eiser] worden verwacht dat hij zijn stelling dat hij zonder tegenspraak van [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht voldoende onderbouwt met feiten en/of omstandigheden waar dat uit blijkt. [eiser] heeft die onderbouwing niet verstrekt.
- voortzetting van de derde arbeidsovereenkomst
Niet is komen vast te staan dat de derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd na 1 januari 2023 feitelijk is voortgezet. [gedaagde] heeft dat gemotiveerd betwist.
eiser] stelt dat hij ook na 1 januari 2023 werkzaamheden voor [gedaagde] is blijven verrichten. [gedaagde] zegt daarover dat zij aan een oud-collega van [eiser], die ook deelnam aan het project E brug pa oportunidat maar die op 1 januari 2023 wél een vast dienstverband had gekregen opdracht had gegeven tot het verrichten van de werkzaamheden die [eiser] heeft uitgevoerd: het leegmaken van de dienstbus en het ophalen en inventariseren van materialen. Gelet hierop lag het op de weg van [eiser] om feiten en/of omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat hij van [gedaagde] die werkinstructies kreeg (en van wie) en dat hij daarbij onder toezicht van [gedaagde] stond (en bij wie). Dat alles heeft [eiser] nagelaten.
Het gerecht komt daarom tot de conclusie dat de derde arbeidsovereenkomst tussen partijen niet is verlengd op de voet van artikel 7A:1615f BW BES.
Conclusie
De conclusie is dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. De loonvordering van [eiser] wordt daarom afgewezen. Omdat de hoofdvordering wordt afgewezen, worden de nevenvorderingen eveneens afgewezen.
eiser] wordt als de in het ongelijk te stellen partij veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot aan deze uitspraak vastgesteld op USD 1.396, - aan salaris van de gemachtigde (2 x tarief 5 van USD 698, - per punt).
6. De beslissing
Het gerecht:
wijst af het gevorderde;
veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure die tot aan de datum van deze uitspraak worden vastgesteld op USD 1.396, -.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en uitgesproken op 28 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.