GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202500656
datum uitspraak: 11 februari 2026
in de zaak van:
de besloten vennootschap [B.V.],
gevestigd te Bonaire,
eiseres, hierna: [B.V.],
vertegenwoordigd op de eerste zitting door haar gemachtigde S. Quist en op de tweede zitting door dhr. [directeur B.V.] (directeur van [B.V.]),
tegen
[gedaagde],
wonend te Bonaire,
gedaagde, hierna: [gedaagde],
procederend in persoon.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het ‘small claim’ verzoekschrift van [B.V.] van 20 maart 2025 met bijlagen
Op de mondelinge behandeling van 7 juli 2025 is [B.V.] vertegenwoordigd door S. Quist en is [gedaagde] niet verschenen. Op de mondelinge behandeling van 7 juli 2025 heeft [B.V.] spreekaantekeningen overgelegd.
In een e-mail van 31 oktober 2025 heeft het Gerecht aan [B.V.] laten weten dat is gebleken dat [gedaagde] niet op Bonaire woont/verblijft en dat deze zaak gelet op het bepaalde in artikel 862 lid 3 Rv BES niet via een bevel tot betaling (small claim) kan worden afgedaan.
In een e-mail van 1 november 2025 heeft [B.V.] aan het Gerecht laten weten dat zij de procedure in een gewone AR-procedure wil voortzetten.
Op 26 januari 2026 is het verzoekschrift aan [gedaagde] betekend en is hij opgeroepen om te verschijnen op de rolzitting van 28 januari 2026 om 09.00 uur.
Op de rolzitting van 28 januari 2026 is [gedaagde] in persoon verschenen en [B.V.] vertegenwoordigd door haar bestuurder dhr. [directeur B.V.]. De rolrechter heeft een nieuwe mondelinge behandeling later die ochtend bepaald. Op die mondelinge behandeling van 28 januari 2026 zijn verschenen [B.V.], vertegenwoordigd door haar bestuurder dhr. [directeur B.V.] en [gedaagde] in persoon. Verder was aanwezig mevr. H.A.P. van Lieshout als tolk in de Engelse taal.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De vordering
B.V.] vordert dat het Gerecht [gedaagde] veroordeelt om aan [B.V.] USD 777,90 te betalen, vermeerderd met rente en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
B.V.] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in opdracht van [gedaagde] voor USD 1.944,75 een pomp heeft geleverd en geïnstalleerd en vordert nakoming van die overeenkomst, te weten betaling van het door [gedaagde] onbetaald gelaten bedrag van USD 777,90. [gedaagde] had een aanbetaling gedaan van USD 1.166,85.
gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering. [gedaagde] voert tot zijn verweer aan dat hem een verkeerde pomp is geleverd omdat de geleverde pomp geen drinkwaterpomp is en omdat de pomp niet goed werkt. [gedaagde] heeft verklaard dat hij de geleverde pomp inmiddels heeft vervangen. Verder voert [gedaagde] aan dat met de pomp en de door [B.V.] verrichte werkzaamheden een veel lager bedrag is gemoeid dan het overeengekomen bedrag van USD 1.944,75. [gedaagde] heeft verklaard dat hij bereid is de werkelijke kosten van [B.V.] te vergoeden.
3. De beoordeling
De inhoud van de overeenkomst
B.V.] heeft een offerte uitgebracht voor de levering en installatie van een pomp voor een bedrag van USD 1.944,75 waarmee [gedaagde] op 21 november 2024 akkoord is gegaan. Daarmee is tussen partijen een overeenkomst ontstaan die voor [B.V.] de verplichting meebracht om de in de offerte omschreven pomp aan [gedaagde] te leveren en te installeren en die voor [gedaagde] de verplichting meebracht om aan [B.V.] een bedrag van USD 1.944,75 te betalen.
Nadien heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat hij [B.V.] daarmee te veel zou betalen. Hij heeft over de door hem te betalen prijs alleen geen nadere overeenstemming met [B.V.] weten te bereiken. Dit betekent dat [gedaagde] gebonden blijft aan de eerder door hem met [B.V.] gesloten overeenkomst en dus tot betaling van USD 1.944,75. [gedaagde] kan niet eenzijdig de inhoud van de overeenkomst wijzigen.
Bevrijding van de koopsom
Ook als het zo is, zoals [gedaagde] stelt en [B.V.] betwist, dat [B.V.] haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting niet is nagekomen (want verkeerde pomp geleverd die het niet doet), dan nog betekent dat niet automatisch dat [gedaagde] [B.V.] niet hoeft te betalen. Dat wordt hierna uitgelegd.
In beginsel geldt dat als een schuldeiser ([B.V.]) betaling vordert van door hem geleverde zaken en verrichte werkzaamheden, de schuldenaar ([gedaagde]) moet betalen ongeacht of de schuldeiser behoorlijk heeft gepresteerd.
Om van zijn betalingsverplichting te worden bevrijd, had [gedaagde] de overeenkomst moeten ontbinden. De op [gedaagde] uit hoofde van de overeenkomst rustende betalingsverplichting had ook teniet kunnen gaan als [gedaagde] zijn schuld aan [B.V.] had kunnen verrekenen met een (minstens) even grote vordering van hem op [B.V.].
Ook als er veronderstellenderwijs (want door [B.V.] betwist) van wordt uitgegaan dat [B.V.] niet aan haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting heeft voldaan, kan [gedaagde] de overeenkomst niet zomaar ontbinden en ook heeft [gedaagde] in dat geval niet zomaar recht op schadevergoeding. Voor beide rechtsgronden is namelijk niet alleen een niet-nakoming nodig, maar in een geval als dit waarin nakoming door [B.V.] nog mogelijk is, ook dat [B.V.] in verzuim verkeert (voor ontbinding, zie artikel 6:265 lid 2 BW BES en voor schadevergoeding, zie artikel 6:74 lid 2 BW BES).
B.V.] had in verzuim kunnen worden gebracht als [gedaagde] [B.V.] met een schriftelijke ingebrekestelling had aangemaand om alsnog binnen een redelijke termijn correct na te komen (artikel 6:82 lid 1 BW BES), bijvoorbeeld door de geleverde en geïnstalleerde pomp te herstellen of deze te vervangen, en [B.V.] daar binnen die termijn geen gehoor aan zou hebben gegeven. Een ingebrekestelling strekt ertoe de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus nader te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is.
gedaagde] heeft [B.V.] niet een laatste gelegenheid gegeven om alsnog na te komen. Op de zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij de pomp inmiddels heeft vervangen. [B.V.] is daarom niet in verzuim komen te keren. Daarom kan [gedaagde] de overeenkomst niet ontbinden en heeft hij geen recht op schadevergoeding. Gelet daarop kan in deze zaak in het midden blijven of [B.V.] wel of niet deugdelijk heeft gepresteerd.
De vordering van [B.V.] zal daarom worden toegewezen. De over de hoofdsom gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis.
Voor zover [B.V.] vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten vordert, wordt deze vordering afgewezen. [B.V.] stelt niet dat zij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en evenmin is dit gebleken.
gedaagde] wordt als de in het ongelijk te stellen partij veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [B.V.] worden tot aan deze uitspraak vastgesteld op USD 276, -, te weten USD 117, - aan griffierecht en USD 159,- aan deurwaarderskosten.
4. De beslissing
Het Gerecht:
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [B.V.] van een bedrag van USD 777,90 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [B.V.] vastgesteld op USD 276, -;
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en uitgesproken op 11 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.