GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer : BON202500644
datum beslissing : 11 februari 2026
BESCHIKKING
In de zaak van:
[eiser],
wonend te Bonaire,
eiser, hierna: [eiser],
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,
tegen:
de besloten vennootschap [B.V.],
gevestigd te Bonaire,
gedaagde, hierna: [B.V.],
vertegenwoordigd door haar bestuurder [bestuurder B.V.].
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van [eiser] van 22 december 2025, met producties
Op de mondelinge behandeling van 19 januari 2026 is [B.V.] niet verschenen. Uit telefonisch contact op dat moment is gebleken dat [B.V.] niet van de mondelinge behandeling op de hoogte was, waarna op 28 januari 2026 een nieuwe mondelinge behandeling is bepaald.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 28 januari 2026 heeft [B.V.] een verweerschrift ingediend met producties. Op de zitting van 28 januari 2026 zijn verschenen:
[eiser] bijgestaan door zijn gemachtigde
[B.V.] vertegenwoordigd door haar bestuurder [bestuurder B.V.], vergezeld van [naam persoon]
Tijdens de mondelinge behandeling van 28 januari 2026 heeft [eiser] producties overgelegd, te weten een concept payslip van Payroll Pro van januari 2025 en afschriften van de bankrekening van [eiser] bij Maduro & Curiel’s Bank (MCB) van februari, maart, mei, juni en juli 2025.
Ten slotte is beschikking bepaald.
2. De feiten
B.V.] is een financiële holding. Op grond van een tussen partijen mondeling gesloten overeenkomst heeft [eiser] vanaf 1 februari 2025 vanuit huis administratieve boekhoudkundige werkzaamheden verricht voor [B.V.]. [eiser] deed dit naast een fulltime baan van 40 uur in de week bij Accountantskantoor Catc.
Op 8 juli 2025 heeft [B.V.] de samenwerking met [eiser] mondeling opgezegd omdat [eiser] volgens [B.V.] niet naar behoren functioneerde. Op 14 juli 2025 heeft [B.V.] dat aan [eiser] via de e-mail bevestigd. In die e-mail heeft [B.V.] aan [eiser] laten weten dat zij [eiser] het loon over de maand juli 2025 nog zal uitkeren en dat partijen elkaar verder niets meer verschuldigd zijn.
In een e-mail van 15 juli 2025 heeft [eiser] tegen het beëindigen van zijn werkzaamheden voor [B.V.] bezwaar gemaakt. In een brief van 21 november 2025 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen het hem op 8 juli 2025 gegeven ontslag op staande voet.
Inmiddels berust [eiser] in de beëindiging van zijn werkrelatie met [B.V.] per 1 augustus 2025
3. Het geschil
eiser] vordert, zakelijk weergegeven, dat het gerecht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
[B.V.] veroordeelt om aan [eiser] te voldoen aan achterstallig loon in natura over de maanden mei en juni 2025 USD 2.080, - vermeerderd met wettelijke vertragingsrente ex artikel 7A:1614q BW BES en vermeerderd met wettelijke rente;
voor recht verklaart dat het door [B.V.] aan [eiser] op 8 juli 2025 gegeven ontslag onrechtmatig is;
[B.V.] veroordeelt om aan [eiser] een schadevergoeding te betalen van USD 14.560, - wegens inkomensschade, althans een in goede justitie te bepalen schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente;
[B.V.] veroordeelt in de proceskosten en in de nakosten.
eiser] vordert onder a) nakoming van de arbeidsovereenkomst die hij stelt te zijn aangegaan met [B.V.] per 1 februari 2025 voor de duur van één jaar voor 52 werkuren per maand voor USD 2.080, - (USD 40, - per uur) waarvan USD 1.040, - in natura. Onder c) vordert [eiser] de gefixeerde wettelijke schadevergoeding van artikel 7A:1615o BW BES gelezen in samenhang met artikel 7A:1615r lid 1 BW BES op de grond dat [B.V.] de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd.
B.V.] concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser]. [B.V.] betwist de door [eiser] gestelde inhoud van de overeenkomst en [B.V.] betwist ook dat zij tegenover [eiser] schadeplichtig is.
4. De kern van de zaak
In deze procedure ligt vooral de vraag voor hoe de werkrelatie tussen [eiser] en [B.V.] juridisch moet worden geduid: een overeenkomst van opdracht of een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, en indien dat laatste het geval is, hoe lang die tijd is.
5. De beoordeling
Tussen partijen heeft een arbeidsovereenkomst bestaan
Om de vraag te kunnen beantwoorden of [B.V.] haar werkrelatie met [eiser] op 8 juli 2025 mondeling dan wel op 14 juli 2025 schriftelijk heeft kunnen beëindigen, is van belang hoe die werkrelatie juridisch moet worden gekwalificeerd; als arbeidsovereenkomst of als overeenkomst van opdracht. Een overeenkomst van opdracht kan door de opdrachtgever ([B.V.]) te allen tijde worden opgezegd (artikel 7:408 lid 1 BW BES) terwijl een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in beginsel niet eerder eindigt dan op het moment dat de door partijen overeengekomen tijd is verstreken.
Tussen partijen staat vast dat het aanvankelijk de bedoeling was dat [eiser] voor zichzelf zou beginnen. Dat duidt erop dat partijen de intentie hadden om een overeenkomst van opdracht aan te gaan. Ook de door [B.V.] aangevoerde omstandigheden dat zij geen zeggenschap had over de werktijden, de agenda en de vakanties van [eiser] wijzen in die richting. Daar staat tegenover dat [eiser] van zijn voornemen om zelfstandig aan de slag te gaan heeft afgezien waardoor een nieuwe situatie is ontstaan.
Artikel 7A:1613ca BW BES bepaalt dat degene die ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden wekelijks tenminste acht uren dan wel gedurende tenminste vijfendertig uren per maand arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te verrichten krachtens arbeidsovereenkomst.
eiser] komt een beroep op dit bewijsvermoeden toe. In deze procedure is namelijk komen vast te staan dat [eiser] in de (vijf) maanden februari t/m juni 2025 tenminste vijfendertig uren per maand arbeid voor [B.V.] heeft verricht. Tegen een bewijsvermoeden staat tegenbewijs open.
B.V.] heeft niet aannemelijk weten te maken dat zij het vereiste tegenbewijs kan leveren. Ten eerste bestempelt [B.V.] de overeenkomst die partijen hebben gesloten zelf als een nulurencontract, wat (ook) een arbeidsovereenkomst is. Ten tweede heeft [B.V.] aan [eiser] loon betaald. [eiser] heeft zijn bankafschriften van februari, maart, mei, juni en juli 2025 overgelegd en daaruit blijkt [B.V.] haar betalingen van steeds hetzelfde bedrag van (netto) USD 731,74 aan [eiser] heeft omschreven als salaris. Dat netto salaris staat ook in de concept payslip van Payroll Pro van januari 2025, net als een bruto salaris van USD 1.040, -. Verder heeft [B.V.] het in haar e-mail van 14 juli 2025 (waarin zij het einde van de samenwerking met [eiser] aankondigde) over loon. De conclusie is daarom dat partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten.
voor de duur van een half jaar
Partijen zijn het erover eens dat zij een overeenkomst voor bepaalde tijd zijn aangegaan. Tussen partijen is in geschil voor welke tijd.
De bepaalde tijd waarvoor een arbeidsovereenkomst kan worden aangegaan, kan worden gekoppeld aan een kalenderperiode of aan het voltooien van bepaalde werkzaamheden. [eiser] betoogt dat een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar is overeengekomen omdat hij administratieve werkzaamheden zou uitvoeren voor de afronding van de boekhouding van 2024 en de boekhouding van 2025 en hij inschat dat hij voor elke boekhouding een half jaar nodig heeft. Het Gerecht maakt daaruit op dat [eiser] stelt dat is overeengekomen dat het einde van de arbeidsovereenkomst afhankelijk is van een toekomstige objectieve gebeurtenis, te weten de afronding van de boekhoudingen van 2024 en 2025.
eiser] verbindt rechtsgevolgen aan zijn stelling dat de arbeidsovereenkomst voor (die) bepaalde tijd is overeengekomen. Volgens [eiser] heeft immers [B.V.] die overeenkomst onregelmatig – want: niet na afloop van de overeengekomen termijn - opgezegd als gevolg waarvan [B.V.] tegenover hem schadeplichtig is. Daarom rust op grond van de hoofdregel van artikel 129 Rv BES op [eiser] de stelplicht en de bewijslast van de inhoud van de overeengekomen bepaalde tijd van de arbeidsovereenkomst. Hoewel bij twijfel de omstandigheid dat er geen duidelijke schriftelijke arbeidsovereenkomst is, voor rekening komt van de werkgever, heeft het gerecht die twijfel niet.
eiser] heeft niet aannemelijk weten te maken dat partijen als einddatum de afronding van de boekhouding van zowel die van 2024 als die van 2025 zijn overeengekomen. [B.V.] heeft de stelling van [eiser] als volgt gemotiveerd betwist.
B.V.] voert aan dat partijen een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden zijn aangegaan. Dat is in lijn met het volgende (ongedateerde) appbericht van [eiser] aan [B.V.]:
Planning is dan eind augustus jaarcijfers van 2024 klaar.
Dus stel voor om 2024 in 6 termijnen te verrekenen. Beginnen eind febr en dan laatste termijn eind augustus. Daarna volgt maandelijks een termijn
Het Gerecht merkt hier nog over op dat de laatste maand van zes maanden vanaf februari, de maand juli is en niet de maand augustus zoals [eiser] schrijft.
Bovendien is het feitelijk ook zo gegaan zoals het in dit appbericht is omschreven: [B.V.] heeft [eiser] in ieder geval van februari 2025 tot en met juni 2025 maandelijks een (netto) loon van USD 731,74 betaald. Verder gaat het in de door [B.V.] overgelegde correspondentie tussen partijen alleen over de jaarcijfers van 2024 en niet ook over die van 2025.
Gelet op die gemotiveerde betwisting van [B.V.], lag het op de weg van [eiser] om de door hem gestelde (andersluidende) inhoud van de overeenkomst nader te onderbouwen. Op de zitting heeft [eiser] verklaard dat hij in juli 2025 is begonnen met het verrichten van werkzaamheden voor de jaarrekening van [B.V.] van 2025. Hieruit blijkt niet dat tussen partijen is afgesproken dat [eiser] dit zou doen op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. [eiser] heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat hij dat hij gerechtvaardigd heeft mogen begrijpen dat hij (ook) de administratieve werkzaamheden voor de jaarrekening van [B.V.] van 2025 op grond van een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zou uitvoeren. [eiser] heeft zijn stelling daarmee onvoldoende onderbouwd. Op basis van de door [B.V.] ingenomen stellingen gaat het Gerecht ervan uit, dat partijen een arbeidsovereenkomst voor de periode februari 2025 tot augustus 2025 zijn aangegaan.
De overeenkomst voor bepaalde tijd is niet stilzwijgend verlengd
Op de zitting heeft [eiser] (subsidiair) aangevoerd dat de overeenkomst voor bepaalde tijd van een half jaar stilzwijgend met een half jaar is verlengd omdat [eiser] in augustus voor [B.V.] dezelfde werkzaamheden is blijven uitvoeren. Dat is, gelet op de tussen partijen in juli 2025 gevoerde correspondentie, niet aannemelijk. [B.V.] heeft [eiser] op 8 juli 2025 mondeling en op 14 juli 2025 schriftelijk laten weten dat hij niet meer hoefde te komen. Uit niets blijkt dat [eiser] desondanks toen werkzaamheden voor [B.V.] is blijven verrichten. [eiser] schrijft dat ook niet in zijn berichten aan [B.V.] naar aanleiding van de e-mail van [B.V.] van 14 juli 2025. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] – daarnaar gevraagd – ook niet kunnen bevestigen dat hij na 8 juli 2025 nog werkzaamheden voor [B.V.] heeft verricht. Van stilzwijgende verlenging is geen sprake.
[B.V.] is [eiser] over de maand juli 2025 achterstallig salaris van bruto USD 1.040, - verschuldigd
eiser] stelt dat partijen voor zijn werkzaamheden naast het (netto) loon van USD 731,74 ook loon in natura zijn overeengekomen. Hoewel in het verzoekschrift dat loon in natura op een bedrag gelijk aan het loon wordt gesteld, heeft [eiser] op de zitting toegelicht dat het loon in natura daaruit bestond dat hij van computers gebruik mocht maken die [B.V.] in samenspraak met hem speciaal voor hem had aangeschaft en ook van andere kantoorartikelen als computerschermen. [eiser] heeft verder verklaard dat hij die spullen heeft behouden. Het Gerecht stelt daarom vast dat [B.V.] het loon in natura aan [eiser] heeft betaald.
Het Gerecht begrijpt dat [eiser] onder a) ook het achterstallig loon over de maand juli 2025 vordert. [B.V.] is [eiser] dat loon verschuldigd. Partijen zijn immers een arbeidsovereenkomst voor de periode februari 2025 tot augustus 2025 aangegaan en [B.V.] heeft op 14 juli 2025 nog aan [eiser] laten weten dat zij [eiser] het loon over de maand juli 2025 zal uitkeren. Uit de door [eiser] overgelegde bankafschriften blijkt niet dat [B.V.] het loon over de maand juli 2025 aan [eiser] heeft betaald. Het gerecht begrijpt daaruit dat dit niet is gebeurd. De vordering onder a) zal daarom in zoverre worden toegewezen dat het Gerecht de loonvordering over juli 2025 zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke verhoging van artikel 7A:1614q BW BES, die zal worden gemaximeerd op 10% en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2025 (de datum van het inleidende verzoekschrift) omdat een eerdere datum van verzuim van [B.V.] gesteld noch gebleken is.
Als het zo is dat [B.V.] [eiser] het loon over de maand juli 2025 wel al heeft betaald, dan is deze vordering door die betaling teniet gegaan en hoeft [B.V.] [eiser] niet nog eens het loon over juli 2025 te betalen en evenmin de wettelijke verhoging van artikel 7A:1614q BW BES en wettelijke rente.
[B.V.] heeft de overeenkomst niet onregelmatig beëindigd
eiser] stelt dat [B.V.] de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd omdat [B.V.] hem op staande voet heeft ontslagen zonder dat daarvoor een dringende reden was. [eiser] vordert als gefixeerde wettelijke schadevergoeding zeven maanden loon omdat volgens hem de overeenkomst op 31 januari 2026 van rechtswege zou aflopen.
Wat [eiser] voor zijn vorderingen onder b) en c) aanvoert, gaat niet op. Artikel 7A:1615e lid 1 BW BES bepaalt dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in beginsel, zich in deze zaak niet voordoende uitzonderingen daargelaten, eindigt wanneer de overeengekomen tijd is verstreken. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen partijen is dus van rechtswege per 1 augustus 2025 geëindigd. De e-mail van [B.V.] van 14 juli 2025 is naar het oordeel van het Gerecht niet meer dan een aankondiging dat [B.V.] niet meer wil dat [eiser] hoe dan ook voor haar werkt.
De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is dus niet onregelmatig beëindigd. De vorderingen onder b) en c) zullen worden afgewezen.
Proceskosten
eiser] zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [B.V.] worden vastgesteld op nihil.
6. De beslissing
Het Gerecht:
veroordeelt [B.V.] om aan [eiser] te betalen het achterstallige loon over de maand juli 2025 van bruto USD 1.040, -, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van artikel 7A:1614q BW BES, die zal worden gemaximeerd op 10% en de wettelijke rente vanaf 22 december 2025 tot aan de dag der voldoening;
verklaart de veroordeling onder 6.1. uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [B.V.] vastgesteld op nihil.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en uitgesproken op 11 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.