GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202500401
datum beslissing: 25 februari 2026
in de zaak van
1. [eiser 1],
2. [eiser 2],
wonend in Curaçao,
eisende partij,
hierna: [eisende partij],
gemachtigde: mrs. J.E. Thijsen en G. de Hoogd,
tegen
[gedaagde],
wonend op Bonaire,
gedaagde partij,
hierna: [gedaagde],
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verzoekschrift met bijlagen is op 8 augustus 2025 op de griffie van dit Gerecht ingediend.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Mevrouw [eiser 1] is verschenen, bijgestaan door mr. De Hoogd (beide via een digitale videoverbinding). [gedaagde] is fysiek verschenen.
Ten slotte is bepaald dat op 25 februari 2026 uitspraak zal worden gedaan.
2. De kern van de zaak
gedaagde] heeft als aannemer werkzaamheden verricht voor [eisende partij] Bepaalde werkzaamheden zijn gebrekkig uitgevoerd. Voor de schade van [eisende partij] hebben partijen een betalingsregeling getroffen. Die betalingsregeling is [gedaagde] niet volledig nagekomen. [eisende partij] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld het volledige bedrag uit de betalingsregeling aan haar te betalen. Dat wordt toegewezen.
3. De beoordeling
De achtergrond van het geschil
gedaagde] heeft in 2021 als aannemer bouwwerkzaamheden voor [eisende partij] verricht. Het is tussen partijen niet in geschil dat die werkzaamheden gedeeltelijk gebrekkig zijn uitgevoerd.
Voor de schade die [eisende partij] door de gebrekkige werkzaamheden heeft geleden, hebben partijen op 28 september 2021 een betalingsregeling getroffen. Partijen hebben onder meer afgesproken dat [gedaagde] een bedrag van Cg 60.000 binnen een tijdsbestek van 4,5 jaar aan [eisende partij] zal betalen met een minimale maandelijkse aflossing van Cg 1.000. Bovendien is overeengekomen dat [gedaagde] een boete verschuldigd is als hij te laat betaalt. Die boete bedraagt Cg 30 als 1 tot 15 dagen te laat wordt betaald en Cg 250 als 15 tot 30 dagen te laat wordt betaald.
[gedaagde] moet de bedragen uit de betalingsregeling aan [eisende partij] betalen
Het is niet in geschil dat [gedaagde] in 2021 en 2022 betaaltermijnen onbetaald heeft gelaten en vanaf mei 2023 niets meer heeft betaald.
In artikel 4 van de betalingsregeling is overeengekomen dat de betalingsregeling vervalt als meer dan 30 dagen te laat wordt betaald en dat in dat geval de gehele schadevergoedingsvordering van [eisende partij] direct opeisbaar wordt. Die gehele vordering bestaat volgens artikel 4 van de betalingsregeling uit materiaalkosten voor een bedrag van Cg 80.000, een vergoeding in verband met te late oplevering van de woning voor een bedrag van Cg 6.000 en een vergoeding voor zes maanden bouwbegeleiding van 24 uur per week en Cg 45 per uur.
gedaagde] stelt dat [eisende partij] bij het overeenkomen van de betalingsregeling misbruik heeft gemaakt van omstandigheden. Volgens [gedaagde] zijn de bedragen die genoemd staan in artikel 4 van de betalingsregeling te hoog en is hij daar alleen akkoord mee gegaan omdat hij het op dat moment financieel moeilijk had. Het Gerecht verwerpt het beroep van [gedaagde] op misbruik van omstandigheden. [eisende partij] heeft betwist dat zij misbruik heeft gemaakt van omstandigheden en dat is door [gedaagde] op geen enkele manier onderbouwd. Het had op de weg van [gedaagde] als aannemer gelegen om te onderbouwen dat de bedragen uit de betalingsregeling niet in verhouding staan tot de daadwerkelijke (bouw)kosten, bijvoorbeeld door die bouwkosten inzichtelijk te maken. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.
gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de boetes uit de betalingsregeling niet terecht zijn. Volgens [gedaagde] heeft [eisende partij] geen kosten gemaakt en zou zij daarom geen boetes mogen vorderen. Het Gerecht verwerpt dat verweer. De boetes gelden als prikkel tot nakoming van de betalingsregeling. Naar het oordeel van het Gerecht zijn de overeengekomen boetes uit de betalingsregeling niet onredelijk hoog. Omdat [gedaagde] meermaals betaaltermijnen onbetaald heeft gelaten, heeft [eisende partij] het recht om boetes te vorderen.
Omdat [gedaagde] de betalingsregeling niet is nagekomen, is de regeling vervallen. Dat betekent dat [gedaagde] de bedragen die genoemd staan in de betalingsregeling moet betalen. [gedaagde] heeft op grond van de betalingsregeling ongeveer Cg 14.000 aan [eisende partij] betaald. [eisende partij] stelt dat met aftrek van de reeds betaalde bedragen haar openstaande vordering, inclusief boetes, Cg 108.580,00 bedraagt. Dat is niet door [gedaagde] betwist. Daarom wordt [gedaagde] veroordeeld om het bedrag van Cg 108.580,00 aan [eisende partij] te betalen.
eisende partij] vordert bovendien rente. Zij stelt dat de rente over “het totaalbedrag” vanaf november 2021 tot en met “heden” Cg 27.049,81 bedraagt. [eisende partij] heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe dit bedrag is opgebouwd. Het is onduidelijk op welk moment [gedaagde] betalingen aan [eisende partij] heeft verricht. Bovendien is niet duidelijk of het gevorderde bedrag aan rente is opgebouwd uit de in de betalingsregeling genoemde contractuele rente van 7% per jaar of de wettelijke rente. Als [eisende partij] met haar vordering de contractuele rente bedoelt, bepaalt de betalingsregeling dat die rente alleen verschuldigd is over het openstaande bedrag uit de betalingsregeling. Het gevorderde bedrag van Cg 27.049,81 lijkt op basis van de stelling van [eisende partij] uit het verzoekschrift te zijn opgebouwd over “het totaalbedrag” dat op dit moment gevorderd wordt. Maar niet gesteld of gebleken is dat het totaalbedrag dat op dit moment gevorderd wordt vanaf november 2021 opeisbaar is. Daarom is de vordering van [eisende partij] tot betaling van het bedrag van Cg 27.049,81 niet toewijsbaar. Op 10 juni 2025 heeft [eisende partij] een ingebrekestelling gestuurd aan [gedaagde] en hem gesommeerd het openstaande bedrag binnen 14 dagen bij te schrijven. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Daarom moet [gedaagde] de wettelijke rente over het bedrag van Cg 108.580,00 betalen vanaf 24 juni 2025 tot de dag van volledige betaling.
[gedaagde] moet proceskosten betalen
Omdat [gedaagde] ongelijk krijgt, moet hij de proceskosten van [eisende partij] betalen. De proceskosten worden begroot op USD 159,00 aan betekeningskosten van het verzoekschrift, USD 419,00 aan griffierecht, USD 2.234,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief 7) en USD 140,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
De beslissingen in dit vonnis worden, zoals gevraagd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hiertegen heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd en van kenbare bezwaren van [gedaagde] tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring is het Gerecht niet gebleken. Dit betekent dat de beslissingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als [gedaagde] in hoger beroep gaat. De beslissingen in deze uitspraak gelden in dat geval tot door de hogere rechter een andere beslissing genomen wordt.
4. De beslissing
Het gerecht:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van Cg 108.580,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van USD 2.952,00, te vermeerderen met USD 84,00 als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.