GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202500604
datum beslissing: 25 februari 2026
BESCHIKKING
op het verzoek van
VOOGDIJRAAD CARIBISCH NEDERLAND,
gevestigd te Bonaire,
hierna: de Voogdijraad,
met betrekking tot de minderjarige:
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats],
hierna: [minderjarige].
Als belanghebbenden wordt aangemerkt:
[belanghebbende],
wonende op Bonaire,
hierna: de moeder,
en als gerekwestreerde wordt aangemerkt:
[gerekwestreerde],
wonende te Rotterdam, Nederland.
hierna: [gerekwestreerde].
1. Het procesverloop
Het verzoekschrift met bijlagen van de Voogdijraad, tot vaststelling van een bijdrage van [gerekwestreerde] in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige], is op 25 november 2025 op de griffie van dit gerecht ingediend.
Op 7 januari 2026 vond de eerste mondelinge zitting plaats. Vanwege het ontbreken van voldoende inkomensgegevens is partijen verzocht deze aan de Voogdijraad aan te leveren en is de zaak aangehouden.
De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 februari 2026. De moeder en [gerekwestreerde] (via een videoverbinding vanuit Nederland) zijn verschenen. Namens de Voogdijraad is mevrouw [medewerker voogdijraad] verschenen.
2. De feiten
De moeder heeft van rechtswege eenhoofdig gezag.
gerekwestreerde] heeft [minderjarige] niet erkend.
3. De beoordeling
Het verzoek van de Voogdijraad strekt tot het vaststellen van een bijdrage van [gerekwestreerde] in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] ten bedrage van $ 457,- totaal per maand.
gerekwestreerde] heeft aangevoerd dat niet vaststaat dat hij de vader is van [minderjarige]. Ter zitting is gebleken dat [gerekwestreerde], in de periode dat [minderjarige] is verwekt, een relatie had met de moeder. Ook is gebleken dat hij afgelopen jaren omgang heeft gehad met [minderjarige] en dat hij incidenteel een bijdrage heeft geleverd in de kosten van zijn verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Gelet daarop is het vermoeden gerechtvaardigd dat hij de vader is en is het aan hem om dat vermoeden te weerleggen door middel van een DNA-onderzoek. Ter zitting heeft de vader verklaard dat hij niet bereid is de kosten van dat onderzoek te dragen. Nu hij dat tegenbewijs dus niet levert, wordt hij in deze procedure geacht de vader van [minderjarige] te zijn. Op hem rust daarmee de verplichting een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding te leveren.
Vader heeft niet meegewerkt aan inzage in zijn inkomensgegevens. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader verklaard dat hij op dit moment geen werk heeft en ook geen inkomsten. De enkele stelling dat hij geen inkomen heeft, heeft hij niet kunnen onderbouwen.
De Voogdijraad heeft een berekening gemaakt waarbij, voor wat betreft het inkomen van de vader, is uitgegaan van het minimuminkomen in Nederland. Dit uitgangspunt acht het gerecht gerechtvaardigd. Die berekening leidt ertoe dat het bedrag aan kinderalimentatie, door de man aan de vrouw te betalen, $ 457,00 totaal per maand is. Naar het oordeel van het gerecht moet dit bedrag in overeenstemming worden geacht met de draagkracht van de man. Het gerecht zal de verzochte kinderalimentatie daarom dienovereenkomstig vaststellen.
De datum waarop de door het gerecht vast te stellen kinderalimentatie ingaat zal worden bepaald op de eerste van de maand volgend na de datum van deze beschikking, dus op 1 maart 2026.
De vader moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand worden gemaakt en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
4. De beslissing
Het gerecht:
bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats], met ingang van 1 maart 2026 op $ 457,00 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen aan de Belastingdienst Caribisch Nederland.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.