GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE,
UITSPRAAK
[eiser],
DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE,
Wet administratieve rechtspraak BES
Uitspraakdatum: 11 maart 2026
Zaaknummer: SAB202500023
SINT EUSTATIUS EN SABA,
ZITTINGSPLAATS SABA
In het geding van:
wonende te Saba,
eiser,
gemachtigde: mr. G.B. SIMMONS-DE JONG,
tegen
verweerder,
gemachtigde: mr. P.J. DE GRAAF.
Procesverloop
Bij beschikking van 4 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning ingetrokken.
Eiser heeft bij proforma beroepschrift (met producties) van 23 juli 2025, ingediend ter griffie van het Gerecht op 30 juli 2025, tegen de bestreden beschikking beroep ingesteld. Daarna zijn bij aanvullend beroepschrift (met producties) de gronden aangevuld.
Verweerder heeft een verweerschrift (met producties) ingediend.
Eiser heeft aanvullende producties (6 tot en met 13) ingediend.
Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 28 januari 2026. Eiser is in persoon verschenen, vergezeld van [naam echtgenoot] en bijgestaan door zijn gemachtigde (per videolink) voornoemd. Verweerder is verschenen bij diens gemachtigde (per videolink). Partijen hebben op schrift gestelde pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd.
Uitspraak is (nader) bepaald op heden.
Overwegingen
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
Eiser is op 22 april [geboortejaar] geboren te Colombia en heeft de Colombiaanse nationaliteit.
Eiser is op 12 november 2018 in het huwelijk getreden met [naam echtgenoot] (hierna: echtgenoot), die de Nederlandse nationaliteit bezit. In de periode daarna hebben eiser en zijn echtgenoot eerst in Nederland en daarna in Sint Eustatius gewoond.
Op 13 maart 2023 heeft eiser bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst Caribisch Nederland te Bonaire (hierna: de IND) een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning. Bij besluit van verweerder is aan eiser een verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot’, geldig voor de periode van 10 juni 2023 tot en met 9 juni 2028.
Vanaf 2023 stonden eiser en zijn echtgenoot beiden op hetzelfde adres ingeschreven in de basisadministratie van Bonaire. Met ingang van 2024 staan zij beiden op hetzelfde adres ingeschreven in de basisadministratie van Saba.
Uit bij de IND bekende reisgegevens blijkt dat de echtgenoot in 2023 in totaal 28 dagen in Bonaire heeft verbleven, in 2024 in totaal 6 dagen in Saba en in 2025 1 dag in Saba.
Bij brief van 13 mei 2025 heeft de IND aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om de aan hem verleende verblijfsvergunning in te trekken, op de grond dat geen sprake zou zijn van feitelijke samenwoning tussen eiser en zijn echtgenoot.
Bij brief van 19 mei 2025 heeft eiser een zienswijze ingediend naar aanleiding van dit voornemen. Op 3 juli 2025 is eiser in het kader van dit voornemen gehoord.
De inhoud van de bestreden beschikking
2. Verweerder heeft aan eiser een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot’. Op grond van de bij verweerder bekende reisgegevens van de echtgenoot heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van feitelijke samenwoning tussen eiser en zijn echtgenoot, noch van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Daarmee voldoet eiser volgens verweerder niet aan de aan de verleende verblijfsvergunning verbonden voorwaarde en evenmin aan de voorwaarde van artikel 5.10, sub b, van het Besluit toelating en uitzetting BES (hierna: Btu BES). Verweerder heeft bij zijn beoordeling de door eiser naar gebrachte omstandigheden betrokken, inhoudende dat de echtgenoot wegens werkzaamheden woonachtig is in Sint Maarten, dat het hem niet is gelukt om werkzaamheden op Saba te verkrijgen alsmede de intentie van eiser en de echtgenoot om zich in de toekomst gezamenlijk op Saba te vestigen. Verweerder heeft bij de beoordeling echter ook betrokken dat eiser, zoals uit het hoorgesprek is gebleken, werkzaam is op Saba, in zijn eigen levensonderhoud voorziet en niet financieel afhankelijk is van de echtgenoot. Bij de belangenafweging is daarom meegenomen dat eiser een aanvraag kan indienen voor een verblijfsvergunning met een ander verblijfsdoel. Voorts is niet gebleken van objectieve belemmeringen voor eiser om zich bij zijn echtgenoot te voegen in Sint Maarten, alwaar deze thans zijn hoofdverblijf heeft. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken op grond van artikel 14, aanhef en onder e, van de Wet toelating en uitzetting BES (hierna: Wtu BES).
De beroepsgronden
3. Eiser heeft aangevoerd dat hij sinds zijn verblijf op Sint Eustatius het naturalisatieproces voor verkrijging van het Nederlanderschap heeft doorlopen en de vereiste examens in 2022 heeft behaald. Vanwege het werk van zijn echtgenoot, dat hem tijdelijk naar andere eilanden voerde, verbleef eiser aanvankelijk op Bonaire. Vanwege onduidelijkheid over de geldigheid van de (in de Engelse taal) afgelegde examens hebben eiser en zijn echtgenoot op advies van de IND ervoor gekozen zich gezamenlijk op Saba te vestigen. Eiser stelt dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse zorg en overlegt ter onderbouwing daarvan financiële stukken van hem en zijn echtgenoot, waarin hun adres in Saba steeds als woonadres is geregistreerd. Eiser stelt daarbij dat verweerder in de bestreden beschikking ten onrechte verwijst naar artikel 5.10, sub b, van het Btu BES, nu sprake is van een huwelijk. Daarnaast voert eiser aan dat het besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel, nu hij mocht vertrouwen op het advies van de IND. Verder benadrukt eiser dat hij en zijn echtgenoot een duurzame en affectieve relatie hebben en beiden op hetzelfde adres in Saba staan ingeschreven. Het tijdelijk verblijf van zijn echtgenoot elders vanwege werk doet hieraan niet af. Eiser wijst voorts op de zware gevolgen van de bestreden beschikking; hij zal ondanks zijn relatie en huwelijk met zijn echtgenoot moeten terugkeren naar Colombia.
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 14, aanhef en onder e, van de Wtu BES kan de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd door verweerder bij een met redenen omklede beslissing kan worden ingetrokken indien de vreemdeling niet voldoet aan één of meer van de aan zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verbonden beperkingen of voorschriften.
Artikel 5.9, eerste lid, van het Btu BES bepaalt dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking, verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, wordt verleend aan het in artikel 5.10 genoemde gezinslid van de in artikel 5.11 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 5.12 tot en met 5.18 genoemde voorwaarden.
Artikel 5.10, aanhef en onder a, van het Btu BES, bepaalt – voor zover hier van belang – dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend aan de vreemdeling van 21 jaar of ouder die met de hoofdpersoon een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk is aangegaan.
In artikel 5.13 van het Btu BES is voorts bepaald dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling en de hoofdpersoon samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.
In hoofdstuk 11, paragraaf 2.1 van de Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: de Circulaire) is ten aanzien van de verblijfsvoorwaarde zoals opgenomen in artikel 5.13 van het Btu BES voor zover hier van belang opgenomen dat de vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven, feitelijk moeten samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding moeten voeren. Zij moeten ook naar buiten toe, bijvoorbeeld naar de werkgever en de zorgverzekeraar, hetzelfde adres voeren. Daarnaast moeten de vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven op hetzelfde adres in de basisadministratie persoonsgegevens staan ingeschreven.
Grondslag voor intrekking van de verblijfsvergunning?
Het Gerecht stelt voorop dat de verblijfsvergunning aan eiser is verleend onder de beperkende voorwaarde ‘verblijf bij echtgenoot’. Gelet op het bepaalde in artikel 5.13 van het Btu BES en hetgeen hierover is opgenomen in de Circulaire, dient deze voorwaarde aldus te worden uitgelegd dat de vreemdeling en de hoofdpersoon samenwonen én een gemeenschappelijke huishouding voeren. Deze vereisten zijn cumulatief, zodat het ontbreken van één van beide reeds meebrengt dat niet (langer) aan de aan de vergunning verbonden voorwaarde wordt voldaan.
Het Gerecht overweegt voorts dat onder samenwonen in vorenbedoelde zin dient te worden verstaan het hebben van het feitelijk hoofdverblijf in dezelfde woning. Doorslaggevend is waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven van betrokkenen bevindt. De enkele inschrijving op een adres is daarbij niet bepalend; beslissend zijn de feitelijke omstandigheden van het geval.
Niet in geschil is dat eiser sinds 2023 zijn hoofdverblijf had in Bonaire en sinds 2024 in Saba. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de echtgenoot vanaf 2023 overwegend in het buitenland verbleef. De overgelegde gegevens over zijn reisbewegingen tonen aan dat hij in de periode voorafgaand aan de bestreden beschikking slechts incidenteel in Bonaire en Saba aanwezig was. Daarbij betrekt het Gerecht dat de echtgenoot in 2024 slechts zes dagen in Saba heeft verbleven en in 2025, tot aan de datum van de bestreden beschikking, slechts één dag. Gelet op de duur, de frequentie en het structurele karakter van zijn verblijf buiten Bonaire en Saba, is het Gerecht van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van de echtgenoot niet (langer) was gelegen op het adres van eiser. Dat tussen eiser en de echtgenoot nog steeds sprake is van een huwelijk en een affectieve relatie, en dat zij in zekere mate financieel met elkaar zijn verweven, maakt dit niet anders. Deze omstandigheden zijn op zichzelf onvoldoende om feitelijk samenwonen in de zin van artikel 5.13 van het Btu BES aan te nemen.
Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde van het nemen van de bestreden beschikking niet langer werd voldaan aan de aan de verblijfsvergunning verbonden beperking ‘verblijf bij echtgenoot’. Nu niet is gebleken dat eiser en de echtgenoot hun feitelijk hoofdverblijf deelden, was geen sprake van samenwonen in de zin van artikel 5.13 van het Btu BES.
Nu eiser niet langer voldeed aan de aan zijn vergunning verbonden beperking, was verweerder gelet op het bepaalde in artikel 14, aanhef en onder e, van de Wtu BES bevoegd tot intrekking van de verblijfsvergunning over te gaan.
Beroep op vertrouwensbeginsel?
6. Eiser heeft zich beroepen op het vertrouwensbeginsel en daartoe aangevoerd dat hij en zijn echtgenoot zich, op advies van de IND, in Saba hebben gevestigd. Het Gerecht overweegt dat uit de door eiser overgelegde correspondentie geenszins blijkt van een toezegging dan wel van een concreet advies over de vestiging in Saba in verband met (het behoud van) de verblijfsvergunning. Daar komt bij dat, zoals hiervoor is overwogen, niet is gebleken dat eiser en zijn echtgenoot zich beiden daadwerkelijk en duurzaam gezamenlijk in Saba hebben gevestigd. Het betoog van eiser slaagt derhalve niet.
Kon verweerder in redelijkheid tot intrekking van de verblijfsvergunning overgaan?
Eiser heeft aangevoerd dat het langdurige verblijf van zijn echtgenoot in het buitenland het gevolg is van externe omstandigheden, in het bijzonder diens werkzaamheden, en dat op Saba onvoldoende mogelijkheden bestaan om in het levensonderhoud te voorzien. Volgens eiser is de afwezigheid van zijn echtgenoot weliswaar langdurig, maar tijdelijk van aard. Voorts heeft eiser gewezen op de ingrijpende gevolgen van intrekking van zijn verblijfsvergunning, waaronder de noodzaak terug te keren naar Colombia en de belasting die dit voor het huwelijk met zich brengt.
Het Gerecht onderkent dat de intrekking van een verblijfsvergunning ingrijpende gevolgen kan hebben voor het privé- en gezinsleven van betrokkene. Daar staat evenwel tegenover dat, zoals hiervoor is overwogen, reeds gedurende een langere periode geen sprake was van feitelijk samenwonen. De echtgenoot verbleef structureel en grotendeels buiten (Bonaire en) Saba, zodat het aan de vergunning verbonden verblijfsdoel feitelijk niet werd gerealiseerd. De intrekking van de vergunning brengt daarmee in belangrijke mate de juridische situatie in overeenstemming met de reeds bestaande feitelijke situatie.
Verweerder heeft voorts van belang mogen achten dat niet is gebleken van objectieve belemmeringen voor voortzetting van het gezinsleven elders, bijvoorbeeld op Sint Maarten, waar de echtgenoot verblijft. Evenmin is aannemelijk geworden dat eiser financieel volledig afhankelijk is van zijn echtgenoot; uit de stukken blijkt dat eiser eigen inkomsten heeft verworven. Weliswaar heeft verweerder op basis van de door eiser verstrekte informatie te snel aangenomen dat eiser een aanvraag voor een verblijfsvergunning met een ander doel zou kunnen indienen, nu daaruit niet zonder meer volgt dat eiser duurzaam aan het middelenvereiste voldoet. Dit gebrek in de motivering is echter van onvoldoende gewicht om te oordelen dat de belangenafweging tot een onredelijke uitkomst leidt. Doorslaggevend is dat niet is gebleken dat eiser door de intrekking zonder enig reëel verblijfsrechtelijk perspectief komt te verkeren.
Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat verweerder de betrokken belangen kenbaar heeft afgewogen en zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de nadelige gevolgen van de intrekking voor eiser niet onevenredig zijn in verhouding tot het met de handhaving van de aan de vergunning verbonden beperking te dienen belang. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik kunnen maken.
Conclusie
Het Gerecht is gelet op al het voorgaande van oordeel dat verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning niet ten onrechte heeft ingetrokken. Het beroep van eiser is derhalve ongegrond.
Dat verweerder in de bestreden beschikking abusievelijk artikel 5.10, onder b, van het Btu BES heeft vermeld, leidt evenmin tot een gegrond beroep. Niet aannemelijk is immers dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De beslissing
Het Gerecht:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hammer, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 11 maart 2026.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.