GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202400615
datum beslissing: 4 maart 2026
Op het verzoek van
ZORG EN JEUGD CARIBISCH NEDERLAND
gevestigd te Bonaire,
hierna: ZJCN,
met betrekking tot de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige]).
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder],
wonende te Bonaire,
hierna: de moeder,
[de vader]
wonende te Bonaire,hierna: de vader.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) BES is in de procedure gekend de Voogdijraad Caribisch Nederland (hierna: de Voogdijraad)
1. Het procesverloop
Op 10 februari 2026 heeft het gerecht het verzoekschrift met bijlagen ontvangen van ZJCN.
Op 4 maart 2026 heeft de moeder een e-mailbericht gestuurd aan de rechter.
De rechter heeft, in aanwezigheid van de persoonlijk begeleider van ZJCN, gesproken met [minderjarige].
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Daarbij zijn verschenen de moeder en de vader en de stiefvader, de heer [stiefvader]. Namens de Voogdijraad is verschenen de heer [medewerker voogdijraad] en namens ZJCN mevrouw [medewerker ZJCN].
De rechter heeft na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak gedaan.
2. Het verzoek en de beoordeling
De moeder heeft eenhoofdig gezag over [minderjarige]. De vader heeft [minderjarige] erkend. Bij beschikking van 5 maart 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van ZJCN voor de duur van 1 jaar. [minderjarige] woonde sinds november 2024 al in een vrijwillig kader bij de vader. Bij dezelfde beschikking is de plaatsing bij de vader geformaliseerd voor de duur van de ondertoezichtstelling, dat wil zeggen tot 5 maart 2026.
Het schriftelijke verzoek van ZJCN betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader voor de duur van 1 jaar. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ZJCN het verzoek voor wat betreft de duur van de uithuisplaatsing bij de vader gewijzigd in 6 maanden. In haar e-mailbericht heeft de moeder verklaard het eens te zijn met het verzoek, maar wel bezorgd te zijn over de verblijfplaats van [minderjarige]. De vader heeft verklaard dat hij, door zijn drukke werkzaamheden, niet langer de zorg voor [minderjarige] kan dragen.
Op grond van de wet kan de rechter een kind voor een termijn van ten hoogste 1 jaar onder toezicht stellen als het zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. De rechter kan, indien dat in het belang van de verzorging en opvoeding noodzakelijk is, het kind voorts doen opnemen in een inrichting of elders dan een inrichting voor de duur van ten hoogste 1 jaar. De termijn van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing kan telkens met ten hoogste 1 jaar worden verlengd.
Uit het verzoekschrift en uit wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat er nog steeds zorgen zijn met betrekking tot de ontwikkeling van [minderjarige]. Er zijn ernstige zorgen op sociaal-emotioneel gebied, onderwijs en dagbesteding. Beide ouders zijn onvoldoende in staat gebleken deze ontwikkelingsbedreiging af te wenden. Aan de gronden voor een ondertoezichtstelling is dan ook voldaan; iedereen is het er ook over eens dat de ondertoezichtstelling moet worden verlengd. De ondertoezichtstelling geeft ruimte om [minderjarige] intensieve begeleiding te bieden. Het gerecht is daarom van oordeel dat een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is en zal deze voor de duur van 1 jaar verlengen, dat wil zeggen tot 5 maart 2027.
Voor wat betreft de verlenging van de uithuisplaatsing is de situatie complex. [minderjarige] woont nu bij haar vader. Maar de situatie bij haar vader is eigenlijk niet langer houdbaar. De vader heeft ter zitting verklaard dat hij niet voor haar wil en kan zorgen, omdat hij veel aan het werk is. Het gaat tussen [minderjarige] en vader ook niet goed. Een andere oplossing is daarom noodzakelijk. Plaatsing bij de moeder is op dit moment (nog) niet mogelijk, omdat de moeder ook onvoldoende veiligheid en stabiliteit biedt. Tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over alternatieve verblijfplaatsen voor [minderjarige]. ZJCN verklaart dat in een eerder stadium meerdere opties zijn besproken, maar dat deze nog niet voldoende zijn onderzocht. Met name de plaatsing in een begeleid wonen project op Bonaire of plaatsing in een besloten residentie in Nederland moeten nog worden onderzocht. Het gerecht is van oordeel dat er sprake is een urgente situatie en verzoekt ZJCN met spoed onderzoek te doen naar de concrete mogelijkheden voor de locatie van een verdere uithuisplaatsing voor [minderjarige] en binnen een maand de resultaten van dit onderzoek met het gerecht te delen. De Voogdijraad en ZJCN hebben zich bereid verklaard dit onderzoek binnen een maand te voltooien. De mondelinge behandeling zal daarom op 1 april 2026 worden voortgezet. Tot die tijd zal het gerecht de uithuisplaatsing bij de vader voor de duur van 1 maand verlengen, dat wil zeggen tot 5 april 2026.
3. De beslissing
Het gerecht:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] voor de duur van 1 jaar, tot 5 maart 2027.
bepaalt dat een gezinsvoogd van Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN) wordt belast met het toezicht op [minderjarige].
verlengt de uithuisplaatsing van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats], bij de vader voor de duur van 1 maand, tot 5 april 2026.
houdt het verzoek voor wat betreft de resterende periode van de verlenging van de uithuisplaatsing, vanaf 5 april 2026, aan tot de zitting van 1 april 2026 om 13.00 uur.
bepaalt dat het concrete (aanvullende) verzoek met betrekking tot de locatie van de uithuisplaatsing van [minderjarige] uiterlijk 5 dagen voor de zitting door ZJCN aan het gerecht moet worden gestuurd, met een afschrift aan de ouders en de Voogdijraad.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproeping van partijen, de Voogdijraad en ZJCN.
verstaat dat de griffier aantekening maakt in het gezagsregister van de beslissing onder 3.1 en 3.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier en op schrift gesteld op 16 maart 2026.