GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
in het geding tussen:
[eiser],
eiser,
wonende te Bonaire,
gemachtigde: mr. E.J. Winkel
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
verweerder,
gemachtigde: mr. G. de Jonge.
Partijen worden in deze uitspraak hierna eiser en de minister genoemd.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiser tegen de afwijzende beslissing van de minister op het verzoek van eiser tot omzetting van ongevallengeld in een eenmalige uitkering op grond van artikel 5, achtste lid en onder a, van de Wet ongevallenverzekering BES (Wo BES).
Eiser heeft op 15 april 2025 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing van de minister op zijn verzoek van 28 oktober 2024 tot omzetting van ongevallengeld in een eenmalige uitkering op grond van artikel 5, achtste lid en onder a, van de Wo BES. Eiser heeft dit verzoek herhaald op 19 november 2024 en daartoe een aanvraagformulier voor uitkering op eigen naam ingediend.
De minister heeft op 12 mei 2025 met een verweerschrift op het beroep gereageerd en als bijlage meegezonden een afwijzende beslissing van de minister van 12 mei 2025 op het verzoek van eiser.
Het Gerecht heeft het beroep op 7 oktober 2025 ter zitting behandeld. Op die zitting heeft het Gerecht een toelichting gegeven op de nieuwe lijn die hij hanteert in geval een beroep tegen het uitblijven van een beslissing aanhangig is en het bestuursorgaan alsnog een reële beschikking geeft. Het Gerecht acht voortaan het beroep van rechtswege mede gericht tegen die reële beschikking. Met toepassing van deze nieuwe lijn heeft het Gerecht met partijen afgesproken dat eiser beroepsgronden kan indienen tegen de beschikking van 12 mei 2025 en dat de minister vervolgens met een verweerschrift kan reageren.
Op 29 oktober 2025 heeft eiser beroepsgronden ingediend tegen de beschikking van 12 mei 2025. De minister heeft op 27 november 2025 per email een aanvullend verweerschrift ingediend, met in de bijlage een nieuwe beschikking van de minister van 26 november 2025 onder intrekking van de beschikking van 12 mei 2025. Bij deze beschikking van 26 november 2025 heeft de minister het verzoek van eiser tot omzetting van ongevallengeld in een eenmalige uitkering afgewezen (de bestreden beschikking).
Vervolgens is eiser in de gelegenheid gesteld om beroepsgronden in te dienen tegen de beschikking van 26 november 2025. Dit heeft eiser gedaan op 8 januari 2026. De minister heeft met een verweerschrift van 22 januari 2026 op deze beroepsgronden gereageerd.
Het Gerecht heeft het beroep op 30 januari 2026 ter zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser is na afloop van de zitting alsnog verschenen, maar heeft de behandeling dus niet kunnen bijwonen.
Op de zitting van 30 januari 2026 heeft het Gerecht geconstateerd dat hij per abuis niet in een meervoudige kamer tegenwoordig is, zoals op grond van de artikelen 8 en 11, tweede lid, van de War BES is voorgeschreven voor beroepschriften inzake sociale en volksverzekeringen, voor zover in de daarop betrekking hebbende wetten beroep op het Gerecht is opengesteld. Met instemming van partijen heeft het Gerecht de behandeling enkelvoudig voortgezet en zijn de twee leden van de meervoudige kamer betrokken bij de beoordeling van het beroep en het opstellen van deze uitspraak.
Beoordeling door het Gerecht
Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek tot omzetting van ongevallengeld in een eenmalige uitkering is niet-ontvankelijk. Eiser heeft te laat beroep ingesteld en de minister heeft alsnog op het verzoek van eiser beslist.
Ook het beroep van eiser tegen de aanvankelijke beschikking van 12 mei 2025 is niet-ontvankelijk, omdat de minister deze beschikking heeft ingetrokken.
Het beroep van eiser tegen de bestreden beschikking is ongegrond. De aangevoerde beroepsgrond over een onjuiste interpretatie door de minister van artikel 5, achtste lid en onder a, van de Wo BES slaagt niet. Ook de overige met voornoemde beroepsgrond samenhangende gronden van eiser treffen geen doel.
Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat houdt de nieuwe lijn van het Gerecht in?
Zoals hiervoor onder 1.3 al is vermeld volgt het Gerecht een nieuwe koers in het geval het bestuursorgaan hangende een beroep tegen het uitblijven van een beslissing alsnog een reële beschikking geeft. Het Gerecht acht voortaan het beroep van rechtswege mede gericht tegen die reële beschikking. Deze procedure is in Curaçao wettelijk verankerd in artikel 9c, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar). In lijn met deze wetgeving past het Gerecht de procedure ook toe in de BES, waar een wettelijke grondslag (in de War BES) ontbreekt. De reden hiervoor is gelegen in de wenselijke rechtsbescherming van belanghebbende(n), de proceseconomie en het voorkomen van nieuwe procedures, alsmede in rechtseenheid op het gebied van het procesrecht met de andere landen binnen het Koninkrijk. Het Gerecht wijst voor toepassing van dezelfde nieuwe lijn in Sint Maarten op de uitspraak van het Gerecht aldaar van 10 november 2025 (ECLI:NL:OGEAM:2025:121).
Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek van rechtswege ook betrekking heeft op de beschikking van de minister van 26 november 2025.
Waarom is het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek niet-ontvankelijk?
Eiser heeft aanvankelijk beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek.
Volgens artikel 3, derde lid, van de War BES geldt een beschikking als geweigerd wanneer de wettelijk gestelde termijn is verstreken zonder dat een beschikking is gegeven.
Op grond van artikel 16, eerste lid, van de War BES wordt het beroepschrift ingediend binnen zes weken na de dag waarop de beschikking is gegeven, of geldt als geweigerd. Het derde lid van artikel 16 van de War BES bepaalt dat wanneer het beroepschrift na afloop van de gestelde termijn is ingediend, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien de indiener aantoont dat de termijnoverschrijding het gevolg is van niet aan hem toe te rekenen bijzondere omstandigheden en dat hij het beroep heeft ingesteld zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden.
De Wo BES schrijft in artikel 6a, tweede en derde lid, voor dat een beschikking wordt gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag en dat deze redelijke termijn in ieder geval is verstreken indien de minister binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven en geen mededeling van een verlenging van de beslistermijn is gedaan.
Het verzoek van eiser van 28 oktober 2024 is via een email van zijn voormalige advocaat op 5 november 2024 ingediend. De minister had in ieder geval binnen acht weken na 5 november 2024 op het verzoek moeten beslissen, uiterlijk op 31 december 2024. Een beslissing van de minister is uitgebleven. Uit de stukken blijkt niet dat de beslistermijn is verlengd. Het Gerecht stelt vast dat de beschikking vanaf 1 januari 2025 geldt als geweigerd en dat eiser uiterlijk binnen zes weken daarna, uiterlijk op 12 februari 2025, beroep tegen het uitblijven van een beslissing had moeten instellen. Eiser heeft pas geruime tijd na het verstrijken van de beroepstermijn, op 15 april 2025, beroep ingesteld. Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden die niet aan eiser kunnen worden toegerekend en op grond waarvan niet-ontvankelijkverklaring achterwege zou moeten blijven. Het Gerecht concludeert dat het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing van de minister te laat is ingesteld en daarom niet-ontvankelijk is.
Het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek is ook om een andere reden niet-ontvankelijk, namelijk omdat de minister alsnog inhoudelijk heeft beslist op zijn verzoek.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
Eiser is autolasser van beroep en werkt sinds 25 juli 2023 bij garage [naam garage] in Bonaire. Op 26 januari 2024 heeft eiser tijdens het werk een bedrijfsongeval gehad waarbij hij ernstig oogletsel opliep. Dit heeft geresulteerd in blijvend zichtverlies in zijn rechteroog.
In verband met het ongeval zijn aan eiser uitkeringen op grond van de Wo BES toegekend. Na een periode van volledige arbeidsongeschiktheid is eiser per 28 oktober 2024 weer voor 50% aan het werk gegaan. Vervolgens is eiser met ingang van 31 maart 2025 volledig arbeidsgeschikt verklaard en volledig aan het werk gegaan. Eiser was in juni en juli 2025 gedurende enkele weken arbeidsongeschikt in verband met een operatie waarbij een oogprothese werd geplaatst. Sindsdien heeft eiser zijn werk weer volledig hervat.
Waarom heeft de minister het verzoek van eiser afgewezen?
6. De minister heeft de aanvankelijke afwijzende beschikking van 12 mei 2025 ingetrokken en vervangen door de bestreden beschikking, omdat gebleken is dat de aanvankelijke beschikking geen adequate beslissing was op het verzoek van eiser. Het Gerecht oordeelt gelet op deze intrekking dat het beroep van eiser tegen deze aanvankelijke beschikking van 12 mei 2025 niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang.
7. De minister heeft in de bestreden beschikking zijn beoordeling van het verzoek van eiser gebaseerd op het bepaalde in artikel 5, achtste lid en onder a, van de Wo BES. Daarbij heeft de minister vastgesteld dat voldaan is aan de eerste in dat artikel gestelde voorwaarde dat de arbeidsongeschiktheid langer dan 52 weken heeft geduurd, nu eiser op 27 januari 2024 arbeidsongeschikt werd en per 31 maart 2025 arbeidsgeschikt werd verklaard. De minister heeft verder vastgesteld dat niet wordt voldaan aan de tweede voorwaarde dat geen (verdere) vermindering van de arbeidsongeschiktheid te verwachten is. Blijkens de medische beoordeling is gaandeweg vermindering van de arbeidsongeschiktheid opgetreden, wat heeft geleid tot volledige arbeidsgeschiktheid van eiser per 31 maart 2025. Omdat dus wel sprake is geweest van een verbetering, wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat geen (verdere) vermindering van de arbeidsongeschiktheid te verwachten is, aldus de minister. De minister concludeert daarom tot afwijzing van het verzoek van eiser tot omzetting van ongevallengeld in een eenmalige uitkering.
Wat voert eiser aan en wat vindt het Gerecht daarvan?
8. Eiser betoogt dat de bestreden beschikking berust op een onjuiste uitleg van artikel 5, achtste lid en onder a, van de Wo BES.
Daartoe voert eiser aan dat de minister het onderscheid tussen arbeidsongeschiktheid en blijvende invaliditeit miskent. Eiser stelt dat artikel 5, achtste lid onder a, van de Wo BES in samenhang bezien met artikel 11, achtste lid, van de Wo BES, gaat over een blijvende uitkering bij blijvende invaliditeit. Volgens eiser wordt deze uitkering of lumpsum toegekend wanneer na een bedrijfsongeval blijvend letsel resteert dat leidt tot blijvende invaliditeit, ongeacht of de werknemer inmiddels weer arbeidsgeschikt is. Bij eiser resteert na zijn bedrijfsongeval blijvend oogletsel, permanente blindheid aan zijn rechteroog, en dus is sprake van blijvende invaliditeit. Daarom had de minister aan eiser de uitkering moeten toekennen.
Verder stelt eiser dat de minister een prognostische beoordeling over de vermindering van arbeidsongeschiktheid had moeten maken in plaats van een beoordeling achteraf. De minister heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een cirkelredenering, omdat achteraf de opgetreden vermindering wordt gebruikt als bewijs dat vermindering te verwachten was. Zowel op het moment van het verzoek als op het moment van de 52 weken drempel (omstreeks 25 januari 2025) bestond er geen medische prognose die verbetering voorspelde, aldus eiser.
9. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
Het Gerecht gaat uit van het volgend wettelijk kader.
Artikel 5, achtste lid en onder a, van de Wo BES bepaalt -kort gezegd en voor zover hier relevant- dat het ongevallengeld waartoe de werknemer gerechtigd is, kan worden omgezet in een uitkering ineens, indien de arbeidsongeschiktheid langer dan 52 weken heeft bestaan en vermindering of verdere vermindering daarvan niet is te verwachten.
Volgens artikel 1, eerste lid en onder g, van de Wo BES wordt onder arbeidsongeschiktheid verstaan: de toestand waarin de werknemer verkeert, die als gevolg van een ongeval gedurende een etmaal of langer niet in staat is om zijn normale arbeid te verrichten of deze arbeid zo lang niet mag verrichten hetzij om een medisch noodzakelijk onderzoek mogelijk te maken hetzij om te voorkomen dat zijn genezing wordt belemmerd.
Volgens artikel 1, eerste lid en onder f, van de Wo BES wordt onder ongeval verstaan, kort gezegd: een ongeval dat de werknemer in verband met zijn dienstbetrekking is overkomen.
Het Gerecht is van oordeel dat de minister artikel 5, achtste lid en onder a, van de Wo BES juist heeft geïnterpreteerd en toegepast. In dat artikel wordt de term arbeidsongeschiktheid gehanteerd. Arbeidsongeschiktheid wordt in artikel 1, eerste lid en onder g, van de Wo BES omschreven als de toestand waarin de werknemer verkeert, die als gevolg van een ongeval niet in staat is zijn eigen werk te verrichten. Het gaat dan in artikel 5, achtste lid en onder a, van de Wo BES om de vraag of het door het ongeval veroorzaakte letsel leidt tot blijvende beperkingen bij het verrichten van het eigen werk. Dit wetsartikel ziet dus niet op de vraag of sprake is van blijvend letsel of blijvende invaliditeit na een bedrijfsongeval, zoals eiser betoogt. Evenmin is uit enige andere bepaling van de Wo BES een aanspraak op een uitkering op grond van blijvend letsel of invaliditeit af te leiden, ook niet uit het door eiser genoemde artikel 11, achtste lid, van de Wo BES. Dit artikel gaat over iets anders, namelijk dat degene die aansprakelijk is voor de schade die door de werknemer is geleden als gevolg van een ongeval, ook aansprakelijk is voor de tegemoetkoming die aan de werknemer wordt toegekend op grond van de Wo BES jegens degene te wiens laste die tegemoetkoming komt. Het artikel bepaalt verder dat degene te wiens laste die uitkering komt het betreffende bedrag ook ineens van de aansprakelijke kan vorderen.
Het betoog van eiser over de interpretatie van artikel 5, achtste lid en onder a, van de Wo BES slaagt dus niet.
Het betoog van eiser dat er ten tijde van de aanvragen en de 52 weken drempel geen medische prognose bestond die verbetering voorspelde slaagt evenmin.
Het Gerecht is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat niet voldaan is aan alle voorwaarden om het ongevallengeld om te zetten in een eenmalige uitkering. Uit het controleverslag van 16 januari 2025 opgesteld door de verzekeringsarts blijkt dat de verzekeringsarts op dat moment geschiktheid voor het eigen werk verwachtte door het plaatsen van een oogprothese. Hieruit volgt dat al vóór het verstrijken van de 52 weken grens een verbetering van de medische situatie van eiser werd verwacht. Die verwachting is ook uitgekomen, er was bij eiser uiteindelijk sprake van volledige arbeidsgeschiktheid per 31 maart 2025. Met het bereiken van volledige arbeidsgeschiktheid kwam ook het primaire vereiste van artikel 5, achtste lid en onder a, van de Wo BES, de arbeidsongeschiktheid, te vervallen. Het betoog van eiser dat er ten tijde van de 52 weken drempel geen medische prognose bestond die verbetering voorspelde, slaagt daarom niet. Het betoog van eiser over het achteraf beoordelen door de minister en dat daarmee sprake zou zijn van een cirkelredenering treft gezien het voorgaande ook geen doel.
Als gevolg van voorgaande overwegingen slagen ook de overige gronden van eiser niet. Het Gerecht heeft vastgesteld dat (artikel 5, achtste lid en onder a van) de Wo BES geen recht biedt op compensatie voor (blijvende) invaliditeit na een bedrijfsongeval zoals eiser stelt. Voor het vaststellen van een recht op een uitkering op grond van de Wo BES gaat het om de mate van tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een bedrijfsongeval en niet om de mate van blijvende invaliditeit. De minister was daarom niet gehouden om een deskundigenonderzoek te verrichten naar het percentage blijvende invaliditeit van eiser.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek tot omzetting van ongevallengeld in een eenmalige uitkering is om twee redenen niet-ontvankelijk. De eerste reden is dat eiser het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek te laat, na het verstrijken van de beroepstermijn, heeft ingesteld. Verder is het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek niet-ontvankelijk, omdat de minister alsnog op dat verzoek heeft beslist.
Ook het beroep van eiser tegen de beschikking van 12 mei 2025 is niet-ontvankelijk, omdat de minister deze beschikking heeft ingetrokken.
De beroepsgrond van eiser over de interpretatie van het toepasselijke wetsartikel en eisers overige gronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de bestreden afwijzende beschikking van de minister op het verzoek van eiser in stand blijft.
11. Omdat de beroepen van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek en tegen de aanvankelijke beschikking niet-ontvankelijk zijn en het beroep van eiser tegen de bestreden beschikking ongegrond is, hoeft de minister geen proceskosten aan eiser te vergoeden.
Beslissing
Het Gerecht:
- verklaart het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiser tegen de beschikking van 12 mei 2025 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiser tegen de bestreden beschikking ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, voorzitter, mr. P. Klik en
mr. M.A. Evertsz, leden, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.