GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
in het geding tussen:
[eiseres],
eiseres,
wonende te Bonaire,
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas
en
de minister van Asiel en Migratie,
verweerder,
gemachtigde: mr. P.J. de Graaf.
Partijen worden in deze uitspraak hierna eiseres en de minister genoemd.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiseres tegen de beslissing van de minister om het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren wegens een niet verschoonbare termijnoverschrijding.
De minister heeft deze beslissing op bezwaar genomen bij beschikking van
15 augustus 2025 (de bestreden beschikking).
Eiseres heeft op 12 september 2025 pro forma beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking en op 9 oktober 2025 aanvullend de gronden.
De minister heeft met een verweerschrift van 7 november 2025 op het beroep gereageerd.
Het Gerecht heeft het beroep op 30 januari 2026 ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. S.A Evertsz-Thode. De behandeling vond plaats met bijstand van mevrouw [naam], die voor eiseres heeft vertaald in de Chinese taal.
Beoordeling door het Gerecht
Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. De beroepsgronden slagen niet. De termijnoverschrijding van de indiening van het bezwaar is niet verschoonbaar omdat eiseres de Nederlandse of de Papiamentse taal niet beheerst. Evenmin is de termijnoverschrijding verschoonbaar als gevolg van handelen of nalaten van de minister. De minister heeft terecht beslist dat het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk is wegens een niet verschoonbare termijnoverschrijding.
Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
Eiseres heeft op 18 juni 2024 een verzoek om een verblijfsvergunning met als doel verblijf bij echtgenoot ingediend. De minister heeft dit verzoek afgewezen bij beschikking van 19 november 2024, welke beschikking is uitgereikt aan eiseres op 27 november 2024.
Eiseres heeft op 10 maart 2025 pro forma bezwaar gemaakt tegen deze beschikking en op 28 maart 2025 aanvullende gronden ingediend. Op 7 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. De minister heeft bij beschikking van 15 augustus 2025 het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Waarom heeft de minister het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard?
4. De minister heeft in zijn beschikking overwogen dat de bezwaartermijn liep tot en met 27 december 2024 en dat eiseres haar bezwaarschrift buiten deze termijn heeft ingediend op 10 maart 2025. Tijdens de hoorzitting heeft eiseres aangegeven dat zij de Nederlandse taal niet machtig is en dat zij in de veronderstelling was dat de beschikking van 19 november 2024 een toewijzing betrof, omdat de beschikking op hetzelfde soort papier was uitgeprint als een toewijzing. Verder heeft eiseres verklaard dat degene die haar vergezelde bij het ophalen van de beschikking haar verkeerd had ingelicht en later heeft zij verklaard dat de IND-medewerker haar verkeerd had ingelicht. Volgens de minister blijkt uit de beschikking duidelijk dat het om een afwijzing gaat. De beschikking bevat geen geldigheidsduur en is uitgebreider dan een toewijzing. Verder vindt de minister dat het de verantwoordelijkheid van eiseres is, ook als zij de Nederlandse taal niet machtig is, om zich tijdig te laten informeren over de inhoud van de beschikking.
De minister concludeert dat geen sprake is van een termijnoverschrijding die het gevolg is van eiseres niet toe te rekenen bijzondere omstandigheden. Daarom wordt het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard, aldus de minister.
Wat voert eiseres aan en wat vindt het Gerecht daarvan?
5. Eiseres betoogt in haar beroepschrift dat zij de Nederlandse taal niet beheerst. Volgens eiseres heeft de baliemedewerker bij het uitreiken van de beschikking gezegd dat dit de verblijfsvergunning is en dat zij bij Burgerzaken haar sedula kan ophalen. Het papier van de afwijzende beschikking heeft dezelfde kleur als een verblijfsvergunning, waardoor eiseres ervan uitging dat de afwijzende beschikking een verblijfsvergunning was. De termijnoverschrijding is daarom verschoonbaar, aldus eiseres.
Ter zitting heeft eiseres verklaard dat de baliemedewerker niets heeft gezegd en alleen de beschikking heeft afgegeven, tezamen met die van haar echtgenoot. Omdat de kleur van de beschikkingen hetzelfde was, ging zij ervan uit dat haar beschikking een verblijfsvergunning was net als die van haar echtgenoot. Volgens eiseres zou de baliemedewerker bij een afwijzing wel iets hebben gezegd. Eiseres heeft desgevraagd verklaard dat zij niemand heeft gevraagd de beschikking voor haar te vertalen.
Op het moment waarop eiseres zich bij de afdeling Burgerzaken meldde om haar sedula op te halen kwam zij erachter dat het een afwijzende beschikking betrof. Volgens de gemachtigde van eiseres was dat in maart 2025. Eiseres heeft zich daarop direct tot een advocaat gewend om een beroepschrift in te dienen.
6. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
Het Gerecht gaat uit van het volgend wettelijk kader.
Artikel 19 van de Wet toelating en uitzetting BES bepaalt dat de termijn voor het indienen van een beroep- of bezwaarschrift, in afwijking van de artikelen 16, eerste lid, en 56, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES, vier weken bedraagt.
Volgens artikel 56, eerste lid, van de War BES gaat de termijn lopen na de dag waarop de beschikking is gegeven of geldt als geweigerd. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat de dag waarop de beschikking is verzonden of uitgereikt, geldt als de dag waarop deze is gegeven.
Het derde lid van artikel 56 van de War BES schrijft voor dat wanneer het bezwaarschrift na afloop van de daarvoor gestelde termijn is ingediend, niet ontvankelijkheid op grond daarvan achterwege blijft, indien de bezwaarde aantoont dat de termijnoverschrijding het gevolg is van hem niet toe te rekenen bijzondere omstandigheden en dat hij het bezwaarschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd.
Het gaat bij artikel 56, derde lid, van de War BES om een gebonden bevoegdheid. Als eenmaal is vastgesteld dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en vervolgens wordt geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, moet het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard. Een belangenafweging is niet mogelijk.
Tussen partijen is niet in geschil en ook het Gerecht stelt vast dat eiseres het bezwaarschrift op 10 maart 2025 en dus geruime tijd na afloop van de bezwaartermijn van vier weken (die liep tot en met 27 december 2024) heeft ingediend. De vraag die voorligt is of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Bij de beoordeling of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, moet het bestuursorgaan of de bestuursrechter de vraag beantwoorden of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In dat verband zijn twee aspecten van belang. In de eerste plaats moet worden beoordeeld of het niet tijdig indienen van het bezwaar- of beroepschrift aan de indiener kan worden toegerekend. Voor het oordeel dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend, kan grond bestaan als deze het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook wegens andere redenen. Als de termijnoverschrijding aan de indiener kan worden toegerekend, dan is deze niet verschoonbaar. Kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden toegerekend, dan moet worden beoordeeld of het bezwaar- of beroepschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Is dat het geval, dan is de termijnoverschrijding verschoonbaar. Is dat niet het geval, dan is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar.
Het Gerecht is van oordeel dat het niet beheersen van de Nederlandse taal niet is aan te merken als een bijzondere omstandigheid die eiseres betreft. Het Gerecht sluit aan bij vaste rechtspraak dat slechte beheersing van de Nederlandse taal onvoldoende grond vormt om te oordelen dat eiseres niet in verzuim is geweest. Het valt volgens het Gerecht onder de eigen verantwoordelijkheid van eiseres om, indien zij de taal van de beschikking niet machtig is, te zorgen voor een vertaling daarvan. Dat eiseres bovendien heeft vertrouwd op de kleur van het papier van haar beschikking dat overeenkwam met de verblijfsvergunning van haar echtgenoot, is een omstandigheid die voor haar eigen risico moet komen. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Voor zover eiseres heeft bedoeld te betogen dat wat de baliemedewerker wel of niet tegen haar zou hebben gezegd een bijzondere omstandigheid oplevert, veroorzaakt door het handelen of nalaten van de minister, volgt het Gerecht haar daarin evenmin. Alleen al door de wisselende en tegenstrijdige verklaringen van eiseres over de gang van zaken en wat er precies wel of niet zou zijn gezegd door de baliemedewerker, kan dit betoog geen grond opleveren voor het oordeel dat eiseres niet in verzuim was. Daarbij weegt het Gerecht mee dat de minister ter zitting heeft verklaard dat conform beleid bij een afwijzende beschikking altijd een mededeling wordt gedaan en uitleg wordt gegeven over de afwijzing.
Het Gerecht concludeert dat niet is gebleken van aan eiseres niet toe te rekenen bijzondere omstandigheden op grond waarvan niet-ontvankelijkheid achterwege zou moeten blijven. De slotsom is dan ook dat de minister het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.
Conclusie en gevolgen
7. Omdat de beroepsgrond van eiseres tegen de bestreden beschikking niet slaagt, is haar beroep ongegrond. Dat betekent dat de bestreden beschikking op bezwaar en daarmee ook de primaire beschikking waarbij een verblijfsvergunning is afgewezen in stand blijven. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het Gerecht:
- verklaart het beroep van eiseres tegen de bestreden beschikking ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.