GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak
[eiser],
de Sociale Verzekeringsbank (SVB),
In het geding tussen:
wonend in Curaçao,
eiser,
gemachtigde: mr. M.F. Murray, advocaat,
en
verweerster,
gemachtigden: mrs. K.A. Martis en N. Dare, beiden werkzaam bij de SVB.
Procesverloop
In het beroep met nummer CUR201804489
Bij brief van 18 oktober 2018 heeft de SVB aan eiser een waarschuwing opgelegd voor het niet overleggen van een bewijs van toelating aan een ziekenhuis.
Daartegen heeft eiser bij brief van 16 november 2018 beroep ingesteld bij de SVB. De SVB heeft het beroep bij brief van 26 november 2018 doorgestuurd aan de rechtsgeleerde.
Bij brief van 14 januari 2019 heeft de rechtsgeleerde partijen bericht dat hij zich onbevoegd acht het door de SVB doorgezonden beroep in behandeling te nemen en dat hij dit zal doorzenden naar het Gerecht om daar te worden behandeld als beroep op grond van artikel 8 van de Lar.
De SVB heeft een verweerschrift ingediend.
In het beroep met nummer CUR202102359
Bij brief van 15 juli 2021 heeft de SVB opnieuw aan eiser een waarschuwing opgelegd voor het niet overleggen van een bewijs van toelating aan een ziekenhuis.
Daartegen heeft eiser op 26 augustus 2021 beroep ingesteld.
In beide beroepen
Bij email van 14 september 2021 heeft het Gerecht de gemachtigden van partijen gevraagd een schriftelijk standpunt in te nemen over de vraag of beide waarschuwingen een beschikking zijn in de zin van artikel 3 van de Lar. Het Gerecht heeft partijen verzocht om bij de formulering van hun standpunt kennis te nemen van de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 januari 2018 over de bestuurlijke waarschuwing.
Bij emails van 20 september 2021 hebben de gemachtigden van partijen hun standpunt aan het Gerecht en elkaar kenbaar gemaakt.
Het onderzoek ter zitting in beide beroepen heeft plaatsgevonden op 22 september 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Dare, die is vergezeld door S. Gerstenbluth en G. Spijker, beiden werkzaam bij de SVB.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is werkzaam als longarts en sinds juli 2002 te Curaçao. Eiser is medewerkende van de SVB. Tussen de Vereniging Medisch Specialisten Curaçao (VMSC) en de SVB is op 14 maart 2016 een “Convenant betreffende registratieverplichting” (het convenant) gesloten. In dit convenant hebben de VMSC en de SVB afspraken vastgelegd met betrekking tot de aan de individuele specialisten te stellen kwaliteitseisen. Op 12 december 2018 is een addendum bij het convenant tot stand gekomen. In artikel 16 van het convenant staat dat als een medewerkende specialist niet aan alle kwaliteitsafspraken voldoet, de specialist eerst een waarschuwing krijgt met de mogelijkheid om alsnog aan de gestelde eisen te voldoen. Als de specialist dan nog niet aan de voorwaarden voldoet, zal hij eerst tegen een lager tarief worden uitbetaald en daarna zal de specialist worden uitgeschreven uit het register van medewerkenden. De SVB heeft eiser de onder “Procesverloop” genoemde waarschuwingen gegeven, die hebben geleid tot deze procedures.
Zijn de waarschuwingen een beschikking?
2. In artikel 7 van de Lar staat dat alleen tegen een beschikking beroep kan worden ingesteld bij het Gerecht. In artikel 3, eerste lid, van de Lar staat dat een beschikking een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan is, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is.
3. Het Gerecht is van oordeel dat beide aan eiser gegeven waarschuwingen geen beschikkingen zijn, omdat zij niet op een wettelijk voorschrift berusten. Het Gerecht acht dit oordeel in lijn met wat in paragraaf 5.3. van de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal van 24 januari 2018 over de bestuurlijke waarschuwing is betoogd. Eiser kan tegen de waarschuwingen dus geen beroep instellen bij de Lar-rechter. Het Gerecht zal zich onbevoegd verklaren van de beroepen kennis te nemen. Het Gerecht legt deze beslissing hieronder uit.
4. Een beschikking als bedoeld in artikel 3 van de Lar houdt een publiekrechtelijke rechtshandeling in. Een rechtshandeling is een handeling gericht op rechtsgevolg: het scheppen, wijzigen of tenietdoen van rechten en of plichten. Een rechtshandeling is publiekrechtelijk als zij is gebaseerd op een publiekrechtelijke grondslag. In de regel is daarvoor nodig dat het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het verrichten van die handeling ontleent aan een specifiek wettelijk voorschrift. Het Gerecht is van oordeel dat de gegeven waarschuwingen niet op een wettelijk voorschrift berusten.
De SVB betoogt dat het convenant een gedragslijn is in de zin van de artikelen 9 en 10 van de Regeling Medewerking aan de Sociale Verzekeringen (P.B. 1960, no. 22, de Regeling). Dit staat ook in artikel 17 van het convenant. Omdat het geven van een waarschuwing ook geregeld is in het convenant, zijn de gegeven waarschuwingen volgens de SVB wel gebaseerd op een wettelijk voorschrift. Het convenant fungeert als verlengstuk van de Regeling en is een invulling daarvan.
Het Gerecht volgt dit betoog van de SVB niet. Uit de aard en inhoud van het Convenant blijkt dat dit een privaatrechtelijke overeenkomst is tussen de VMSC en de SVB. Zo staat op pagina 2 van het convenant dat partijen vooruitlopend op te stellen kwaliteitseisen in de Landsverordening Beroepen in de Gezondheidszorg kwaliteitsafspraken in het convenant vastleggen. Verder hebben partijen afspraken gemaakt over opzegging. Deze privaatrechtelijke overeenkomst kan geen publiekrechtelijke grondslag bieden voor het geven van een waarschuwing. Weliswaar heeft de SVB bij brief van 2 januari 2017 aan alle specialisten geschreven dat de richtlijnen uit het convenant gedragslijnen zijn in de zin van artikel 10 van de Regeling en staat in artikel 17 van het convenant dat de VMSC beaamt dat deze bepaling jegens leden en niet-leden een gedragslijn is in de zin van artikel 9 en 10 van de Regeling, maar daarmee is nog geen sprake van een publiekrechtelijke wettelijke bevoegdheid voor het geven een waarschuwing. In de Regeling is wel een grondslag te vinden voor het afvoeren van de medewerkende van het register en voor het geheel of ten dele weigeren van betaling van nota’s, maar niet voor het geven van een waarschuwing.
Voor zover de SVB de zorg heeft dat zij door dit oordeel geen vervolgstappen conform het convenant kan ondernemen jegens eiser, is die zorg onterecht. De gegeven waarschuwingen kunnen alleen op zichzelf niet worden aangevochten bij de Lar-rechter. De rechtmatigheid van de waarschuwing kan in rechte aan de orde worden gesteld in de procedure tegen een naar aanleiding van een volgende overtreding toegepaste bestuurlijke sanctie. In dit geval zal de SVB, zoals zij ter zitting heeft toegelicht, in aparte beschikkingen de betaling van eisers nota’s geheel of gedeeltelijk weigeren als eiser niet voldoet aan de waarschuwingen. Tegen die beschikkingen kan wel beroep worden ingesteld bij de Lar-rechter.
5. Voor een proceskostenvergoeding ziet het Gerecht geen aanleiding.
Beslissing
Het Gerecht verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de beroepen.
Aldus vastgesteld door mrs. S. Lanshage, voorzitter, J. Sybesma en L.C. Hoefdraad, leden, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Aswani, griffier.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving hiervan. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.