ECLI:NL:OGEAC:2023:382

ECLI:NL:OGEAC:2023:382

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 12-07-2023
Datum publicatie 25-02-2026
Zaaknummer 555.00092/23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Mishandeling; vuurwapenbezit

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2023. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. R. Martis, advocaat in Curaçao.

De officier van justitie mr. V. Girigoria-Hernandez, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, en met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van het Gerecht gerefereerd. Voorts heeft hij een strafmaatverweer gevoerd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1: mishandeling

hij op of omstreeks 1 mei 2023 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] opzettelijk

-een of meerdere keren met zijn vlakke hand en/of vuisten in/ tegen haar gezicht, althans lichaam heeft geslagen, en/of

-een of meerdere keren tegen haar lichaam heeft geschopt, tengevolge waarvan die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Feit 2: bedreiging met een vuurwapen

hij op of omstreeks 1 mei 2023 te Curaçao, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar opzettelijk dreigend - na/voor de mishandeling van [slachtoffer] –, een of meerdere schoten met een vuurwapen, althans wapen afgelost;

Feit 3: vuurwapenbezit

hij op of omstreeks 1 mei 2023 te Curaçao, een of meer vuurwapen(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, althans (een) soortgelijk(e) voor bedreiging of afdreiging geschikt(e) voorwerp(en) in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.

Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak van feit 2 (bedreiging met een vuurwapen)

Het Gerecht is na het onderzoek op de terechtzitting niet tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de onder 2 ten laste gelegde bedreiging met een vuurwapen heeft begaan. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.

Op 1 mei 2023 heeft [slachtoffer], echtgenote van de verdachte, (hierna: aangeefster) aangifte gedaan van – onder meer – bedreiging met een vuurwapen in hun woning. Aangeefster heeft verklaard dat er op de bewuste dag tussen haar en haar echtgenoot een conflict ontstond naar aanleiding van de aanwezigheid van een man die bij hun woning geparkeerd stond. Aangeefster werd door de verdachte mishandeld waarna zij, samen met haar vriendin, met wie aangeefster en de verdachte de woning delen, zich in een slaapkamer is gaan schuilhouden. Zijnde in de slaapkamer hoorde zij enkele pistoolschoten. Aangeefster geeft verder aan van haar vriendin te hebben vernomen dat de verdachte bij de slaapkamerdeur met een vuurwapen stond en dat hij de slede naar achteren bleef schuiven en de trekker van het vuurwapen over bleef halen. Aangeefster zelf heeft dit doorladen van het vuurwapen niet gehoord.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat sprake was van een discussie, waarna hij zijn echtgenote, aangeefster, heeft mishandeld, en dat hij vervolgens samen met een vriend buiten ging staan roken. De vriend heeft toen zijn pistool tevoorschijn gehaald en beide mannen hebben daarmee in de lucht geschoten. Dat gebeurde uit balorigheid en zonder het opzet om iemand vrees aan te jagen. De verdachte ontkent dan ook dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan voormelde bedreiging met een vuurwapen.

Het Gerecht stelt vast dat het dossier geen steunbewijs bevat voor de verklaring van de vriendin van aangeefster dat de verdachte buiten bij de slaapkamerdeur heeft staan schieten. Integendeel: blijkens het proces-verbaal van forensisch onderzoek zijn er hulzen op de vloer op het achterterras aangetroffen en niet binnenshuis, hetgeen steun geeft aan de toedracht die de verdachte heeft geschetst. Het Gerecht neemt de door de verdachte gegeven lezing van gebeurtenissen dan ook tot uitgangspunt, en daarin is geen ruimte voor de vaststelling dat sprake is geweest van opzet (al dan niet in voorwaardelijke zin) op een doodsbedreiging aan het adres van aangeefster. Ook de overige door de officier van justitie als steunbewijs aangemerkte feiten zijn onvoldoende voor de conclusie dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat de verdachte de bedreiging heeft gepleegd.

De verdachte zal daarom van feit 2 worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1: mishandeling

hij op of omstreeks 1 mei 2023 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] opzettelijk

-een of meerdere keren met zijn vlakke hand en/of vuisten in/ tegen haar gezicht, althans lichaam heeft geslagen, en/of

-een of meerdere keren tegen haar lichaam heeft geschopt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Feit 3: vuurwapenbezit

hij op of omstreeks 1 mei 2023 te Curaçao, een of meer vuurwapen(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, althans (een) soortgelijk(e) voor bedreiging of afdreiging geschikt(e) voorwerp(en) in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

1. [slachtoffer] deed op 1 mei 2023 omstreeks 07:15 uur aangifte van mishandeling, bedreiging met een vuurwapen en overtreding van de Vuurwapenverordening 1930. Zij heeft bij die gelegenheid het volgende – voor zover van belang – verklaard:

2. De verbalisant [verbalisant 1] heeft op 1 mei 2023 omstreeks 06:00 uur op het adres [adres 2] een forensisch sporenonderzoek ingesteld. Hij heeft het volgende – voor zover van belang – gerelateerd:

3. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.

“(…) Ik ben getrouwd met de man genaamd [verdachte]. Bij [adres 2] wonen mijn vriendin genaamd [persoon], [verdachte] en ik. (…) Op maandag 1 mei 2023 omstreeks 04:00 uur gingen [persoon] en ik naar huis. (…) Kort hierna kwam [verdachte] en net op dat moment reed de kennis van [persoon] weg. [verdachte] werd kwaad en begon mij te ondervragen over de kennis van [persoon]. (…) Hierdoor begon [verdachte] mij te mishandelen. Hij gaf mij verschillende klappen met zijn vlakke hand en met zijn tot vuist gebalde handen in mijn gezicht en hoofd. Hierdoor is mijn gezicht opgezwollen. Vervolgens viel ik op de grond en [verdachte] begon mij met zijn geschoeide voeten te schoppen. Ik ondervond veel pijn (…). (…) [persoon] en ik gingen in de slaapkamer. (…)”

“(…) Bij een door mij, verbalisant, ingesteld forensisch onderzoek zag ik zes (6) hulzen van het kaliber 9 mm op de vloer op het achterterras. (…)”

“(…)Vervolgens mengde mijn vrouw zich in de discussie. Toen heb ik een klap uitgedeeld. Vervolgens ging ik met de persoon met wie ik in de auto zat, buiten staan roken en praten. Toen haalde deze persoon een vuurwapen tevoorschijn (…). Hij heeft als eerste in de lucht geschoten. Vervolgens heb ik dat ook gedaan.”

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:273 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Mishandeling.

Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor “vuurwapenbezit” waarbij er sprake is geweest van “bezit thuis”, als indicatie een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan een deel voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar, gegeven.

In dit geval heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het gedurende korte tijd voorhanden hebben van een vuurwapen, waarmee hij op een onbedachtzame manier heeft geschoten. Het feit dat er zomaar wordt geschoten is erg beangstigend en heeft ook veel impact op andere mensen in de maatschappij. Denk maar aan de buren, die mogelijk ook de schoten hebben gehoord. Deze onbedachtzame gedraging van de verdachte kan voor gevoelens van onveiligheid en onrust hebben gezorgd. Daarnaast heeft de verdachte – onder invloed van alcohol – geweld in de relationele sfeer toegepast, waarbij hij zijn echtgenote meermalen heeft geslagen en geschopt. Relationeel geweld maakt niet alleen inbreuk op de lichamelijke integriteit en gezondheid van de slachtoffers, maar heeft vaak ook lange tijd daarna nog (psychische) gevolgen voor hen.

Het Gerecht heeft acht geslagen op de Justitiële Documentatie van de verdachte van 3 mei 2023, waaruit blijkt dat de verdachte eerder – langer dan 5 jaar teug – is veroordeeld voor een opiumdelict.

Het Gerecht slaat voorts acht op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze uit het psychiatrisch rapport van 21 juni 2023 moge blijken.

Door de officier van justitie is een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 10 voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, geëist. De officier van justitie is daarbij uitgegaan van een bewezenverklaring van mishandeling, bedreiging met een vuurwapen en vuurwapenbezit. Het Gerecht heeft mishandeling en vuurwapenbezit bewezen verklaard, maar beschouwt de kern van het onderhavige feitencomplex als huiselijk geweld, en niet het verboden wapenbezit dat weliswaar bewezen is maar slechts luttele seconden of minuten heeft geduurd. De strafoplegging heeft vergelding voor het bewezenverklaarde ten doel, maar dient ook en vooral als stevige waarschuwing tegen nieuw strafbaar gedrag; de verdachte moet beseffen dat hem een lange vrijheidsstraf wacht ingeval hij nogmaals een wapen ter hand neemt of zijn partner mishandelt. Tegelijkertijd biedt de na te noemen straf de verdachte de mogelijkheid om zijn werkzame leven voort te zetten. Het Gerecht acht, na dit een en ander te hebben afgewogen, een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 360 (driehonderdzestig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 270 (tweehonderdzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. J. Snitker, bijgestaan door mr. O.H.M. Leito, (zittingsgriffier), en op 12 juli 2023 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand