ECLI:NL:OGEAC:2024:196

ECLI:NL:OGEAC:2024:196, Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 02-05-2024, CUR202303749

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 02-05-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer CUR202303749
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0003738 BWBR0006358 BWBR0013605

Samenvatting

Beroep tegen de weigering om optieverklaring te bevestigen. Artikel 1, eerste lid aanhef en onder 9 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Het Gerecht komt tot het oordeel dat verweerder terecht heeft geweigerd om de optieverklaring te bevestigen. Verweerder heeft namelijk kunnen oordelen dat niet aan het vereiste van een onafgebroken periode van ten minste vijftien jaren toelating is voldaan.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

In het geding tussen:

[naam eiser],

verblijvende te Nederland,

eiser,

gemachtigde: mr. G.C.A. Scheperboer, advocaat,

en

de Gouverneur van Curaçao,

verweerder,

gemachtigden: mrs. P.T. Benschop en drs. R.V. van der Zeeuw, beiden werkzaam bij het Kabinet van de Gouverneur.

Inleiding

1. Bij beschikking van 14 juni 2023 (hierna: de weigering) heeft verweerder geweigerd de door eiser afgelegde verklaring ter verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen.

Verweerder heeft het daartegen door eiser gemaakte bezwaar bij beschikking

van 27 oktober 2023 (hierna: de bestreden beschikking) ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 20 maart 2024 ter zitting van het Gerecht behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder is drs. R.V. van der Zeeuw verschenen vergezeld door [naam medewerker] die ook werkzaam is bij het Kabinet van de Gouverneur.

Overwegingen

2. Het Gerecht beoordeelt in deze zaak de weigering van verweerder om de optieverklaring van eiser te bevestigen.

3. Het Gerecht komt tot het oordeel dat verweerder terecht heeft geweigerd om de optieverklaring te bevestigen. Verweerder heeft namelijk kunnen oordelen dat niet aan het vereiste van een onafgebroken periode van ten minste vijftien jaren toelating is voldaan. Hierna legt het Gerecht uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Wat is relevant om te weten in deze zaak?

Eiser is geboren op [geboortedatum eiser] en heeft de Libanese nationaliteit. Hij is op [trouwdatum] gehuwd met [naam echtgenote], die de Nederlandse nationaliteit heeft. De minister van Justitie van Curaçao (hierna: de minister) heeft gedurende de periode van 23 april 2007 tot en met 13 september 2017 telkens vergunningen tot tijdelijk verblijf aan eiser verleend. De vergunningen hadden steeds als verblijfsdoel arbeid in loondienst als winkel chef bij het bedrijf [naam bedrijf]. De minister heeft bij beschikking van 23 augustus 2017 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verleend aan eiser.

Op 3 mei 2022 heeft eiser een optieverklaring afgelegd ter verkrijging van het Nederlanderschap als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Rijkswet).

Waarom heeft verweerder geweigerd de optieverklaring te bevestigen?

5. Verweerder heeft aan de weigering, zoals gehandhaafd bij de bestreden beschikking, ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan de in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rijkswet opgenomen voorwaarde van ten minste vijftien jaren toelating in Curaçao te hebben gehad. Volgens verweerder moet eiser geacht worden niet te zijn toegelaten tot Curaçao in de periode van 23 april 2007 tot en met 13 juli 2014. Hij voldeed in die periode immers niet aan de aan zijn verblijfsvergunningen verbonden voorwaarde dat hij bij het bedrijf [naam bedrijf] werkzaam diende te zijn. Eiser heeft gedurende twee telefoongesprekken met medewerkers van het Kabinet van verweerder zelf verklaard dat [naam bedrijf] het bedrijf was van zijn neef, dat hij daar op oproepbasis werkte, contant werd uitbetaald en dat zij voor hem hebben getekend zodat hij een verblijfsvergunning kon krijgen. Verder heeft eiser, ondanks dat hij daartoe in de bezwaarfase in de gelegenheid is gesteld, niet kunnen aantonen dat hij in dienst was van [naam bedrijf]. Hij heeft geen arbeid- of oproepcontract van [naam bedrijf] overgelegd. Ook uit de door eiser overgelegde documenten van de belastingdienst over de jaren 2009, 2011 en 2012 blijkt niet dat hij in dienst was van [naam bedrijf]. Uit voornoemde documenten blijkt immers niet dat eiser over zijn verdiensten bij [naam bedrijf] belasting heeft betaald.

Mocht verweerder onderzoeken of eiser aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning heeft voldaan?

6. Eiser betoogt allereerst dat verweerder ten onrechte heeft onderzocht of hij aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning heeft voldaan. Weliswaar heeft verweerder een eigen bevoegdheid en moet hij beoordelen of sprake is van onafgebroken toelating, maar hij moet daarbij uitgaan van de door de minister steeds opnieuw verleende verblijfsvergunningen. Eiser heeft over de gestelde periode steeds beschikt over een verblijfsvergunning. Die vergunningen zijn niet ingetrokken en zijn steeds opnieuw verleend. De minister heeft met de verlening van elke vergunning ingestemd met eisers verblijf in Curaçao.

7. Dit betoog slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rijkswet verkrijgt na het afleggen van een daartoe schriftelijke verklaring door een bevestiging als bedoeld in het derde lid, het Nederlanderschap: de vreemdeling die gedurende ten minste drie jaren de echtgenoot is van een Nederlander en gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijftien jaren toelating en hoofdverblijf heeft in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rijkswet, wordt onder toelating verstaan: instemming door het bevoegd gezag met bestendig verblijf in Curaçao.

Ingevolge artikel 10 van de Landsverordening Toelating en Uitzetting (hierna: de LTU) wordt hij die handelt in strijd met de hem verleende vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf, geacht gehandeld te hebben zonder vergunning.

Het derde lid van artikel 6 van de Rijkswet bepaalt dat de autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, aan de hand van de aan haar overgelegde stukken de gronden beoordeelt waarop de verklaring berust. Indien aan de vereisten is voldaan, bevestigt zij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap.

8. Het Gerecht is van oordeel dat verweerder beoordelingsruimte toekomt bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rijkswet, waarvan de invulling primair tot verweerders verantwoordelijkheid behoort. Daarbij past dat verweerder zelf kan onderzoeken of sprake is van een onafgebroken periode van ten minste vijftien jaren toelating in Curaçao. Verweerder hoeft daarbij niet uit te gaan van de door de minister steeds verleende verblijfsvergunningen. Verweerder kan zelf toetsen of aan de voorwaarden die aan de verblijfsvergunningen zijn verbonden is voldaan.

Moest eiser volgens zijn verblijfsvergunningen werkzaam zijn bij [naam bedrijf]?

9. Eiser voert verder aan dat het werken als winkel chef bij [naam bedrijf] geen voorwaarde is in de verblijfsvergunningen.

10. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht stelt vast dat in de verblijfsvergunningen staat vermeld dat eiser is toegelaten tot tijdelijk verblijf onder de voorwaarden dat het verblijfsdoel arbeid is, dat het beroep van eiser Winkelchef is en dat zijn werkgever [naam bedrijf] is. Uit het zesde lid van artikel 7 van de LTU volgt ook dat de minister voorwaarden betreffende onder andere het uitoefenen van een bepaald beroep kan verbinden aan een verblijfsvergunning. Het Gerecht is dan ook van oordeel dat het werken als winkel chef bij [naam bedrijf] wel een voorwaarde is die verbonden is aan eisers verblijfsvergunningen.

Heeft eiser zich gehouden aan de aan zijn verblijfsvergunningen verbonden voorwaarde?

11. Eiser voert ten slotte aan dat hij zich wel heeft gehouden aan de aan zijn verblijfsvergunningen verbonden voorwaarde dat hij in dienst moest zijn van [naam bedrijf]. Hij beschikt echter niet over de stukken die verweerder vereist om dat te kunnen bewijzen. Hij werkte als oproepkracht en kan daarom geen arbeidsovereenkomst overleggen. Een arbeidsovereenkomst had hij ook niet eerder nodig. Een arbeidsovereenkomst wordt immers niet vereist bij het verlengen van een verblijfsvergunning, zoals blijkt uit de lijst van vereiste documenten voor het verlengen van een verblijfsvergunning. Eiser beschikt ook niet over werkgeversverklaringen voor de desbetreffende periode, omdat hij die samen met zijn aanvragen om verlenging van zijn verblijfsvergunning bij de minister heeft ingediend.

12. Ook dit betoog slaagt niet. Verweerder heeft naar oordeel van het Gerecht op basis van de eigen verklaring van eiser tijdens de twee telefoongesprekken met de medewerkers van het Kabinet van verweerder kunnen concluderen dat niet is voldaan aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning. Eiser heeft noch in de bezwaarprocedure noch in de beroepsprocedure bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in periode in geding gewerkt heeft in de functie van winkel chef bij [naam bedrijf]. Weliswaar is er volgens eiser nooit een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen, maar hij had ook andere stukken kunnen overleggen om te onderbouwen dat hij zich aan de in de verblijfsvergunningen vermelde voorwaarden heeft gehouden. Zo had hij een overeenkomst van oproep, bewijs dat loon aan hem is uitbetaald, een (nieuw opgestelde) werkgeversverklaring of gegevens van de belangdienst kunnen overleggen waaruit zou blijken dat hij als winkel chef werkzaam was bij [naam bedrijf].

Conclusie en gevolgen

13. De beroepsgronden van eiser slagen niet. Verweerder heeft kunnen oordelen dat niet aan het vereiste van een onafgebroken periode van ten minste vijftien jaren toelating is voldaan. Verweerder heeft daarom terecht geweigerd om de optieverklaring te bevestigen. Het beroep is dan ook ongegrond.

14. Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. drs. S. Lanshage, rechter in het Gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2024 te Curaçao, in tegenwoordigheid van P.N.F. Pereira do Tanque, griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving hiervan. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?