Parketnummer: 500.00277/23
Uitspraak : 22 maart 2024 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboorteplaats] 2003 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], [adres],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2024. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A. Perigault-Monte, advocaat in Curaçao.
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.
De officier van justitie, mr. V. Girigoria-Hernandez, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder feit 1 primair, eerste cumulatief/alternatief en feit 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde heeft zij gevorderd dat het Gerecht de verdachte zal vrijspreken.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft zij een strafmaatverweer gevoerd. Ook heeft zij verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:
FEIT 1: DIEFSTAL MET GEWELD C.Q AFPERSING GEPLEEGD OP 11 AUGUSTUS 2023
dat hij op 11 augustus 2023, althans in of omstreeks de maand augustus 2023 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen,
Een motorfiets;
in elk geval (enig) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit,
en/of,
hij op of omstreeks 11 augustus 2023, althans in of omstreeks de maand augustus 2023 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van,
een bromfiets
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld uit het opzettelijk,
(artikel 2:294 jo 2:291 jo 1:123 van het Wetboek van Strafrecht)
SUBSIDIAIR: MEDEPLICHTIGHEID
dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 11 augustus 2023, althans in of omstreeks de maand augustus 2023 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen,
Een bromfiets,
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] in elk geval aan een ander of anderen dan hen en/of hun mededader(s) welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld uit het opzettelijk,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door,
en/of
dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 11 augustus 2023, althans in of omstreeks de maand augustus 2023 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van,
een bromfiets
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of hun mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat, verdachte en of diens mededader(s),
bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door,
(artikel 2:294 jo 2:291 jo 1:124 onder a/b van het Wetboek van Strafrecht)
MEER SUBSIDIAIR: HELING
hij in de periode van 11 augustus 2023 tot en met 27 september 2023, althans in de periode augustus 2023 tot en met september 2023 te Curaçao, een bromfiets heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat/die bromfiets wist of begreeep, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
(artikel 2:397-1a/399-1a Wetboek van Strafrecht)
FEIT 2: VOORHANDEN HEBBEN VAN VUURWAPEN/MUNITIE
hij op of omstreeks 11 augustus 2023 althans in of omstreeks de maand augustus 2023, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s), althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, en/of een voor bedreiging en/of afdreiging geschikt voorwerp in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad;
(artikel 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening 1930)
FEIT 3: BEDREIGING
dat hij op of omstreeks 14 september 2023, althans in of omstreeks de maand september 2023 te Curaçao, [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931,
immers heeft hij verdachte, toen en aldaar opzettelijk dreigend met zijn (linker) hand vanuit de raam van de auto waarvan hij als bestuurder trad, eenmaal en/of meerdere malen het gebaar maakte alsof hij een vuurwapen in zijn hand vasthield en richtte deze toe aan die [benadeelde partij 1] en deed alsof hij die [benadeelde partij 1] ermee schoot.
(artikel 2:255 Wetboek van Strafrecht)
1. [benadeelde partij 1] deed op 11 augustus 2023 aangifte van beroving. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:
3. Op 27 september 2023 omstreeks 09:00 uur, werd de verdachte [betrokkene] verhoord. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:
4. De verdachte heeft ter terechtzitting het volgende verklaard:
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak van feit 1 primair en subsidiair, feit 2 en van feit 3
Het Gerecht is van oordeel dat voor de onder 1 primair en subsidiair, 2 en onder 3 ten laste gelegde feiten onvoldoende wettig bewijs voorhanden is en dat de verdachte daarom van deze feiten dient te worden vrijgesproken. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
Vrijspraak feit 1 primair en subsidiair
Vaststaat dat de aangever [benadeelde partij 1] op 11 augustus 2023 van zijn motorfiets is beroofd. Dat gebeurde bij hem thuis. Daarbij waren ook aanwezig zijn partner, [benadeelde partij 2], en hun twee minderjarige kinderen. In dat verband zijn de verdachte en twee medeverdachten, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], als verdachten aangemerkt. Tijdens de beroving waren drie verdachten aanwezig. Met onder meer de camerabeelden als steunbewijs kan zonder enige twijfel worden vastgesteld dat de verdachte [medeverdachte 1] en de verdachte [medeverdachte 2] zich op het erf van de aangever hebben begeven en aldus bij de beroving betrokken waren. De derde verdachte die als chauffeur optrad, bleef in de blauwe SUV achter.
[benadeelde partij 2] heeft op 2 september 2023 als getuige verklaard dat zij op een gegeven moment iemand achter het stuur van de blauwe SUV zag zitten. Die persoon herkende zij als de verdachte zijnde de neef van haar partner, [benadeelde partij 1]. De verdachte hield zich, volgens [benadeelde partij 2], schuil in de blauwe SUV. Echter staat zij helemaal alleen in haar verklaring. Per slot van rekening, ook mede gelet op de waarneming van het Gerecht tijdens de behandeling ter terechtzitting, is het de vraag hoe zij de bestuurder achter de zwart getinte autoruiten had herkend dan wel had kunnen herkennen. Ook de verklaring van [benadeelde partij 1], die hij pas op 15 september 2023, bij gelegenheid van zijn tweede aangifte (van bedreiging) heeft afgelegd, waarin hij de verdachte als één van de drie verdachten aanwijst, legt voor wat die aanwijzing betreft onvoldoende gewicht in de schaal. Immers, hij geeft niet aan wat zijn redenen van wetenschap zijn en hij legt niet uit wat de verdachte precies zou hebben gedaan. Daar komt bij dat de verdachte ten tijde van het misdrijf op een andere plaats beweerde te zijn, voor welke bewering er voldoende steun in het dossier voorhanden is, en dat hij op die dag – na zijn werkzaamheden te hebben verricht – zijn werkloon uitbetaald heeft gekregen. Zo heeft de werkgever van de verdachte, Distribier, bij schriftelijke verklaring van 19 oktober 2023 verklaard dat de verdachte bij hem als oproepkracht in de functie van helper werkzaam is en dat hij in die hoedanigheid samenwerkt met een chauffeur in de distributieketen. Door de directeur wordt bevestigd dat de verdachte op 11 augustus 2023 gedurende de hele werkdag werkzaam was. De precieze tijden kunnen niet worden aangegeven, nu zij niet met een nauwkeurig registratiesysteem, zoals een prikklok, werken. Ook de verklaringen van de collega’s met wie de verdachte op de bewuste dag werkzaam was bevatten steun voor zijn bewering. Zo heeft de getuige [getuige] die als vrachtwagenchauffeur bij Distribier werkzaam is, verklaard dat hij door de verdachte en soms – op drukke dagen – ook door [persoon] op de vrachtwagen geassisteerd wordt en dat zij dan met z’n drieën op de vrachtwagen werkzaam zijn. Volgens de getuige [getuige] was dat op bewuste dag ook het geval. Op die dag hadden zij hun werkzaamheden tussen 18:30 uur en 19:00 uur afgerond. Voorts wordt door de getuige [getuige] bevestigd dat de verdachte op die dag zijn weekloon uitbetaald heeft gekregen.
Ook de getuige [persoon], eveneens werkzaam als vrachtwagenchauffeur/helper bij Distribier, heeft verklaard dat ook hij op de bewuste dag samen met de verdachte op de vrachtwagen werkzaam was en dat ook hij zijn loon op die dag uitbetaald heeft gekregen.
Ook de bevindingen uit de zendmastgegevens van het telefoonnummer van de verdachte geven steun aan de bewering van de verdachte en aan bovenvermelde getuigenverklaringen. Het enkele feit dat de zus van de verdachte [medeverdachte 2] verklaard heeft dat de verdachte [medeverdachte 1] samen met de verdachte de motorfiets bij hen thuis is komen brengen, is niet voldoende om vast te kunnen stellen dat ook de verdachte bij de beroving betrokken was geweest. Immers, onduidelijk is gebleven wanneer c.q. hoe laat precies de motorfiets naar de woning van de verdachte [medeverdachte 2] is gebracht. Het Gerecht oordeelt dat aldus aannemelijk is geworden dat de verdachte zich ten tijde van het misdrijf elders bevond. Voor het overige biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten om buiten redelijke twijfel vast te kunnen stellen dat de verdachte op enigerlei wijze op 11 augustus 2023 betrokken is geweest bij de beroving als zodanig.
Het Gerecht acht op grond van het voorgaande het onder 1 primair en subsidiair dan niet wettig en overtuigend bewezen.
Vrijspraak feit 2
Het vuurwapenbezit in vereniging is naast de als feit 1 ten laste gelede gewapende beroving in vereniging op 11 augustus 2023, als een zelfstandig feit onder 2 ten laste gelegd. Het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting bieden – anders dan de aangifte – evenwel geen steunbewijs waaruit het vuurwapenbezit in vereniging waarbij de verdachte ook betrokken zou zijn geweest, zou blijken. Aldus ontbreekt het wettige bewijs voor het in vereniging voorhanden hebben van een vuurwapen en dient de verdachte ook van dit feit te worden vrijgesproken.
Vrijspraak feit 3
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is het Gerecht van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte op 14 september 2023 zich heeft schuldig gemaakt aan bedreiging van aangever [benadeelde partij 1], zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Voor de door de aangever in zijn aangifte beschreven gang van zaken kan in het dossier geen enkel aanknopingspunt worden gevonden.
De verdachte zal daarom van feit 1 primair en subsidiair, feit 2 en feit 3 worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 11 augustus 2023 tot en met 27 september 2023, althans in de periode augustus 2023 tot en met september 2023 te Curaçao, een brommotorfiets heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat/die brommotorfiets wist of begreep, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.;
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
“(…) Vanmiddag, vrijdag 11 augustus 2023 omstreeks 16:00 uur, zag ik [medeverdachte 1] voor mijn woning staan in zijn personenauto van het merk[automerk], model [automodel] . Ik zag [medeverdachte 1] vanuit het rechter voorportier uitstappen en een andere man die ik niet ken, stapte uit vanuit het rechter achterportier van de auto. Ik zag dat beide mannen zonder toestemming mijn erf betraden. Ik zei tegen hen om naar buiten te gaan. Zij bleven op mij afkomen. (…) Er ontstond een woordenwisseling tussen ons. Op dat moment trok [medeverdachte 1] een grijs/zwart vuurwapen tevoorschijn (…) en richtte het op mij. (…) De andere man trok ook een grijs, klein vuurwapen tevoorschijn en plaatse dat in mijn rug. (…) Hierna zei [medeverdachte 1] tegen mij om hem de sleutel van de motorfiets te geven zodat hij weg van hier kon gaan. De andere man werd woedend, duwde het vuurwapen hard tegen mijn rug aan en zei tegen mij: “hoor je niet wat de man tegen jou zei? Geef mij de sleutel van de motorfiets.” (…) Op dat moment ging mijn vrouw [benadeelde partij 2] de sleutel van de motorfiets halen en gaf die aan [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] gaf de sleutel aan de andere man. Die startte mijn motorfiets en reed met deze weg. (…)
Weggenomen goed: een motorfiets van het merk [motormerk] model [model], zwartgelakt met een grijze/rode streep op de benzinetank, VIN-nummer [nummer] en voorzien van het kentekenplaatnummer [kentekennummer].”
2. Op 27 september 2023 omstreeks 05:08 uur werd er een huiszoeking op het adres van [betrokkene] te [adres], gedaan. Tijdens de huiszoeking werd er een zwarte motorfiets van het merk [motormerk], model [motormodel] met VIN-nummer [nummer] en motornummer [nummer], aangetroffen op het erf.
“(…) De motorfiets die op 27 september 2023 bij mijn woning te [adres] werd aangetroffen is niet van mij. Die motorfiets werd bij mij thuis door een vriend van mij die ik ken als [verdachte] , afgezet. (…) [verdachte] had mij verzocht om die motorfiets voor hem te bewaren. (…) Gedurende de dagen waarop de motorfiets bij mij thuis was, had [verdachte] geregeld contact met mij over de motorfiets. (…) Als ik wist dat deze motorfiets van enig misdrijf afkomstig was, dan zou ik deze zeker niet bij mij thuis hebben bewaard. (…)”
“(…) Op de volgende dag, de zaterdag dus, ging ik naar [medeverdachte 1] toe om samen met hem de motorfiets bij [medeverdachte 2] thuis te halen. [medeverdachte 1] had mij gevraagd om de motorfiets voor hem te bewaren. Ik heb tegen hem gezegd dat dat geen probleem was. Ik heb de motorfiets uiteindelijk bij [betrokkene] thuis bewaard. (…)”
Bewijsoverwegingen
De verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij er vanuit is gegaan dat de verdachte [medeverdachte 1] een afspraak met [benadeelde partij 1] had aangaande de motorfiets die hij bij Isenia ter bewaring heeft afgegeven. Het Gerecht begrijpt dat de verdachte hiermee bedoelt te zeggen dat hij niet wist dat de motorfiets van misdrijf afkomstig was, zodat hij dient te worden vrijgesproken.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt het Gerecht vast dat de motorfiets die is aangetroffen te [adres] afkomstig is van de beroving die op 11 augustus 2023 bij [benadeelde partij 1] thuis heeft plaatsgevonden en dat deze aan hem toebehoorde.
[betrokkene] heeft verklaard dat hij de motorfiets op verzoek van de verdachte bij hem thuis had bewaard. Dit wordt ook door de verdachte bevestigd. Volgens de verdachte heeft zijn oom, de aangever [benadeelde partij 1], vanwege een schuld die de oom bij hem en de verdachte [medeverdachte 1] open heeft staan, de motorfiets als onderpand aan de verdachte [medeverdachte 1] gegeven.
De motorfiets is in eerste instantie thuis bij de verdachte [medeverdachte 2] bewaard. Hierna heeft de verdachte, door tussenkomst van de verdachte [medeverdachte 1], de motorfiets daar weggehaald waarna de motorfiets helemaal in Banda Abou bij [betrokkene] ter bewaring resulteerde. Deze handelingen roepen vragen op, nu zij niet anders kunnen worden uitgelegd dan handelingen gericht op het verbergen van de motorfiets. Want waarom zou de verdachte [medeverdachte 1] zijnde de buurman van [benadeelde partij 1] met wie hij een beweerdelijke afspraak heeft omtrent het in onderpand nemen van de motorfiets, die motorfiets elders dan bij hemzelf thuis willen doen bewaren? Bovendien, indien de verdachte meende de motorfiets voor de verdachte [medeverdachte 1] te moeten bewaren, waarom heeft hij die niet bij hem thuis bewaard, maar bij [betrokkene]? Aan het dossier kunnen geen aanknopingspunten worden ontleend dat de verdachte zelf met zijn oom contact heeft gehad over het in onderpand geven van de motorfiets en de bewaring daarvan, hetgeen in de omstandigheden van het geval wel op de weg van de verdachte had gelegen.
Gelet op het bovenstaande kan met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte bij het voorhanden hebben daarvan redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de desbetreffende motorfiets, welke motorfiets hij als die van zijn oom had herkend, uit misdrijf afkomstig was. De verklaring van de verdachte dat hij er vanuit is gegaan dat zijn oom diens motorfiets als onderpand aan de verdachte [medeverdachte 1] heeft gegeven, acht het Gerecht ongeloofwaardig. Dit nu hun handelingen juist het tegendeel bewijzen. Zo hebben de verdachte en de verdachte [medeverdachte 1] binnen korte tijd er alles aangedaan om de motorfiets ver uit het zicht en bereik van de aangever te halen. Bovendien heeft hij op geen enkel moment, ook niet toen hij beweerde wel te hebben geweten dat de motorfiets uit misdrijf afkomstig was, actie ondernomen om de motorfiets aan de rechthebbende, zijn oom, terug te geven. Derhalve acht het Gerecht feit 1 meer subsidiair wettig en overtuigend bewezen.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:399 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Schuldheling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling. Heling doet (andere vormen van) misdaad lonen. Immers, het bezit van de motorfiets werd voorafgegaan door de beroving ervan. Schuldheling zorgt derhalve, even goed als andere vermogensdelicten, voor schade en brengt overlast met zich voor de slachtoffers.
Het Gerecht houdt in het voordeel van de verdachte rekening dat hij niet eerder is veroordeeld ter zake van misdrijf. Ook houdt het Gerecht rekening met zijn persoonlijke omstandigheden.
Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat na te melden straf passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
Schadevergoeding
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 13.500,-.
De gevorderde schade bestaat uit de volgende posten:
De verdediging heeft de vordering betwist.
De benadeelde partijen hebben schadevergoeding gevorderd in verband met de materiële schade aan de motorfiets. Het Gerecht is van oordeel dat de gevorderde materiële schade niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor beslissing in de strafzaak. Door de politie is aangegeven dat bij het aantreffen van de motorfiets, deze voorzien was van schade rondom het carrosserie en enkele onderdelen. Echter biedt het dossier onvoldoende informatie omtrent de staat van de motorfiets vóór en na de beroving. Dit maakt dat de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd is. De benadeelde partijen kunnen daarom in zoverre niet worden ontvangen en dat deel van hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering van de benadeelde partijen tot schadevergoeding van de door hen geleden immateriële schade ziet op hetgeen ze thuis hebben meegemaakt, zijnde de beroving. Daarvan zal de verdachte worden vrijgesproken. De gevorderde schade staat in een te ver verwijderd verband tot de schuldheling, waarvoor de verdachte wel zal worden veroordeeld. Nu het Gerecht de verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt, kunnen de benadeelde partijen niet in hun vordering worden ontvangen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op het reeds aangehaalde wettelijke voorschrift, zoals dit luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 primair, subsidiair en onder feiten 2 en 3 ten laste zijn gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 10 (tien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde straf;
verklaart de benadeelde partijen in hun vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. O.H.M. Leito, (zittingsgriffier), en op 22 maart 2024 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.