GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202301555
Vonnis van 27 mei 2024
in de zaak van
[eiser]pro se,
alsmede in zijn hoedanigheid van erfgenaam van de heer [erflaater], wonend in [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. M.T.J. Cicilia,
tegen
[gedaagde],
zonder bekende woon- of verblijfplaats in [plaats], gedaagde, niet in recht verschenen.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:- het vonnis van 11 maart 2024 (hierna: het tussenvonnis),
- de akte uitlating met producties van [eiser], ingediend op 8 april 2024,
- de akte uitlating met een productie van [eiser], ingediend op 15 april 2024.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De verdere beoordeling
Bij het tussenvonnis heeft het gerecht de zaak naar de rol verwezen teneinde [eiser] in de gelegenheid te stellen zijn vorderingen onder a, b en c nader toe te lichten.
Die toelichting heeft [eiser] gegeven in zijn genoemde akte van 8 april 2024.
Daarna heeft [eiser] in zijn akte van 15 april 2024 gesteld dat zijn gemachtigde in Nederland eindelijk het geheim adres van [gedaagde] heeft achterhaald. Dit is, zo stelt hij: [adres].
Het gerecht zal bepalen dat [eiser] [gedaagde] alsnog aan dit adres zal dienen op te roepen. Het feit dat tegen [gedaagde] inmiddels verstek is verleend, staat daaraan niet in de weg: de verstekverlening is een bindende eindbeslissing, waarop kan worden teruggekomen indien aan de voorwaarden voor het terugkomen op een bindende eindbeslissing is voldaan. Dit laatste is naar het oordeel van het gerecht het geval, waartoe het volgende wordt overwogen.
Volgens vaste rechtspraak is uitgangspunt – kort gezegd – dat van een eindbeslissing niet in dezelfde instantie kan worden teruggekomen, behoudens indien bijzondere omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan de eindbeslissing in kwestie zou zijn gebonden. Dit laatste kan met name het geval zijn indien sprake is van een evidente feitelijke of juridische misslag van de rechter of indien de desbetreffende beslissing blijkt te berusten op een, niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen, onjuiste feitelijke grondslag (Hoge Raad 16 januari 2004, LJN AM2358, Hoge Raad 15 september 2006, LJN AW9375, Hoge Raad 23 november 2007, LJN BB3733).
In het inleidend verzoekschrift staat dat [gedaagde] zonder bekende woon- en verblijfplaats te [plaats] is maar dat bekend is dat [gedaagde] in [land] woont, op een geheim adres. Op basis daarvan is het inleidend verzoekschrift betekend door publicatie in het dagblad “EXTRA” en door overgifte van afschriften aan de Officier van Justitie op Curaçao.
Nu, aldus [eiser], tijdens de procedure het geheim adres van [gedaagde] alsnog is achterhaald, vormt dit een bijzondere omstandigheid die onaanvaardbaar maakt dat het gerecht aan die beslissing tot het verlenen van verstek is gebonden. [gedaagde] is immers slechts openbaar, op de in r.o. 2.5 vermelde wijze, opgeroepen en daardoor is er een aanmerkelijke kans dat zij van de oproeping geen kennis heeft gekregen, hetgeen kan verklaren dat zij niet in de procedure is verschenen. De kans dat zij van de oproeping geen kennis heeft gekregen, is in elk geval aanzienlijk groter dan het geval zou zijn geweest indien aan haar woonadres zou zijn betekend. In dat licht en in aanmerking genomen haar grote belang bij de mogelijkheid in deze procedure verweer te voeren tegen de vordering, zal het gerecht terugkomen op de bindende eindbeslissing houdende verstekverlening en [eiser] in de gelegenheid stellen [gedaagde] opnieuw op te roepen, deze keer aan haar geheime woonadres.
Dat [gedaagde], zoals [eiser] aanvoert, in een eventueel verstekvonnis zal berusten is niet meer dan speculatief. En dat [gedaagde] de mogelijkheid zal hebben na een verstekvonnis in verzet te gaan, moge zo zijn, maar dat neemt niet weg dat zij een groot rechtens te respecteren belang heeft alsnog aan haar woonadres te worden opgeroepen.
De zaak zal, het bepaalde in artikel 10 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in aanmerking nemend alsmede rekening houdend met het zomerreces, worden verwezen naar de na te noemen rolzitting voor oproeping van [gedaagde].
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De beslissing
Het gerecht:
beveelt de deurwaarder aan wie dit vonnis ter hand gesteld zal worden om [gedaagde], wonende aan [adres], [land], opnieuw op te roepen om op maandag 26 augustus 2024 om 9.30 uur te verschijnen ter terechtzitting van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curacao, in het gerechtsgebouw aan de Emancipatie Boulevard F „Don“ Martina 18;
houdt iedere verdere beslisssing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.