GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202401436
Beschikking d.d. 16 juli 2024
inzake
[Verzoekster],
wonend in [woonplaats],
verzoekster,
gemachtigde: mr. A.K.H. Ayubi,
tegen
de besloten vennootschap
CHATTERBOX BABYSITTING & CHILDCARE SERVICES B.V.,
gevestigd in Curaçao,
verweerster,
gevolmachtigde: [Directrice], directrice.
Partijen zullen hierna [verzoekster] en Chatterbox worden genoemd.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties van 29 april 2024;
- de mondelinge behandeling op 23 mei 2024;
- het verweerschrift met bijlagen, ingediend op 6 juni 2024;
- de mondelinge behandeling op 11 juni 2024.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. De feiten
verzoekster] is sinds 1 juli 2018 in dienst van Chatterbox als leidster tegen een salaris van thans NAf 2.197,91 per maand. Het betreft een dienstverband voor onbepaalde tijd.
Op 19 september 2023 heeft bij Chatterbox een woordenwisseling plaatsgevonden tussen [verzoekster] en [directrice], de directrice van Chatterbox (hierna: [directrice]).
Chatterbox heeft [verzoekster] op 20 september 2023 op staande voet ontslagen. De brief van Chatterbox aan [verzoekster] van die datum (hierna: de ontslagbrief) luidt (in de onweersproken gebleven Nederlandse vertaling) als volgt:
“[…] Middels deze brief wil ik […] de werkrelatie tussen u en Chatterbox met onmiddellijke ingang beëindigen, ingaande op 20 september 2023.
De hoofdreden voor deze beslissing is:
De ongepaste klachten die u gisteren, op dinsdag 19 september 2023, heeft geuit bij Chatterbox in Amerikanenkamp, vanwege klachten over vakantiedagen die u niet beschikbaar had. Klanten, ouders, minderjarige kinderen en werknemers moesten getuige zijn van dit gebrek aan respect op het werk. Ouders merkten op dat een dergelijke gebeurtenis een zeer onaangename aanblik was en hebben uitgedrukt dat zij zich onveilig voelden over de veiligheid van hun kinderen in een dergelijke vijandige omgeving.
Gezien vooral dit incident en andere redenen vermeld in deze brief, acht Chatterbox het niet verstandig om deze werkrelatie voort te zetten, aangezien er reeds sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie tussen het management en de werknemers voor dit incident.
De werkrelatie is onhoudbaar geworden waardoor het onmogelijk is om een vijandige werkomgeving zoals nu het geval is te handhaven.
Aanvullende redenen voor deze beslissing zijn:
[…]”
verzoekster] heeft geprotesteerd tegen het ontslag op staande voet en de nietigheid ervan ingeroepen. In tussen partijen gevoerde correspondentie hebben zij hun respectieve standpunten toegelicht, in welk verband Chatterbox [verzoekster] ook andere verwijten heeft gemaakt dan in de ontslagbrief staan.
verzoekster] heeft zich gewend tot SOAW en SOAW heeft contact opgenomen met Chatterbox. Dit heeft niet geleid tot een wijziging van de respectieve standpunten van partijen of tot een minnelijke regeling.
verzoekster] heeft sinds 6 november 2023 werk bij een andere werkgever.
3. Het geschil
het verzoek
verzoekster] verzoekt
“om bij beschikking, voor zover de wet dat toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
Verzoekster toe te staan kosteloos te mogen procederen;
Voor recht te verklaren dat het door verweerster aan verzoekster gegeven ontslag op staande voet nietig is;
Verweerster te veroordelen aan verzoekster te betalen, primair, het achterstallig loon, gerekend vanaf 20 september 2023 tot en met de dag dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is geëindigd, voorlopig tot 31 mei 2024 begroot op NAf 18.078,21, zulks verhoogd met de vertragingsrente ex artikel 7A:1614q BW alsmede de wettelijke rente vanaf veertien (14) dagen na de datum van deze beschikking tot aan de dag van betaling, subsidiair, een zodanige vergoeding door uw Gerecht naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen, zulks verhoogd met de wettelijke rente vanaf veertien (14) dagen na de datum van deze beschikking tot aan de dag van betaling;
Verweerster te veroordelen tot betaling aan verzoekster van 27 vakantiedagen ad NAf 2.738,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien (14) dagen na de datum van deze beschikking tot aan de dag van betaling;
Verweerster te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten P.M., een en ander te voldoen binnen veertien (14) dagen na dagtekening van het vonnis, en voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.”
Chatterbox heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [verzoekster] in haar verzoek althans tot afwijzing.
het zelfstandig tegenverzoek
Chatterbox verzoekt voorwaardelijk, in het geval het ontslag op staande voet nietig zou zijn, de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zonder toekenning van een vergoeding.
verzoekster] verzet zich niet tegen de verzochte ontbinding, maar ze verzoekt daaraan een door het gerecht te bepalen vergoeding ten gunste van haar en ten laste van Chatterbox te verbinden.
4. beoordeling
de behandeling
Tijdens de mondelinge behandeling op 23 mei 2024 was namens Chatterbox niemand aanwezig, volgens [directrice] omdat de oproep voor die zitting pas nadien is ontvangen. In verband daarmee heeft het gerecht, met instemming van [verzoekster], de voortzetting van de mondelinge behandeling bepaald op een nadere datum, 11 juni 2024.
Chatterbox heeft tijdens de behandeling op 11 juni 2024 nadere stukken in het geding gebracht. [verzoekster] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Gezien het moment waarop Chatterbox die stukken in het geding heeft gebracht, acht het gerecht zulks in strijd met de eisen van een goede procesorde en laat het deze daarom buiten beschouwing, zoals tijdens die behandeling al aan partijen is kenbaar gemaakt.
in het verzoek
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [verzoekster] toegelicht dat het verzoek sub D voorwaardelijk is ingediend, namelijk voor het geval zou worden geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet nietig is.
Een geldig ontslag op staande voet vereist “een dringende, aan de wederpartij onverwijld medegedeelde reden” (art. 7A:1615o lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)). Voor de werkgever worden als dringende redenen “beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de arbeider, die ten gevolge hebben, dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de dienstbetrekking te laten voortduren” (art. 7A:1615p lid 1 BW).
Volgens vaste jurisprudentie mogen bij de beoordeling of een ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, uitsluitend de redenen die aan het verzoek ten grondslag zijn gelegd, bij de beoordeling worden betrokken. In dit geval betreft dat de redenen die staan vermeld in de ontslagbrief. De redenen die Chatterbox nadien heeft genoemd in de correspondentie en tijdens de behandeling, blijven bij deze beoordeling dus buiten beschouwing.
Verder moet volgens vaste jurisprudentie de rechter bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking nemen. Hij moet hierbij de aard en de ernst van de dringende reden afwegen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant zijn bijvoorbeeld de aard en de duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, de wijze waarop de werkgever reageerde op eerdere soortgelijke gedragingen. Van belang zijn ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder de gevolgen van het ontslag. Echter, ook als de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de conclusie leiden dat het ontslag op staande voet gerechtvaardigd is.
Aan het ontslag op staande voet heeft Chatterbox een zogenaamde samengestelde dringende reden ten grondslag gelegd, namelijk, volgens de ontslagbrief, een ‘hoofdreden’ en ‘aanvullende redenen’. Naar het oordeel van het gerecht rechtvaardigen die niet het verleende ontslag op staande voet. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Aan de woordenwisseling die op 19 september 2023 heeft plaatsgevonden en die de hoofdreden vormde voor het ontslag op staande voet, lagen volgens de ontslagbrief ten grondslag ‘klachten over vakantiedagen die u niet beschikbaar had’ die Chatterbox daarin kwalificeert als ‘ongepaste klachten’.
Om welke reden die klachten in de ogen van Chatterbox ‘ongepast’ waren, omdat in de ogen van Chatterbox [verzoekster] geen vakantiedagen beschikbaar had dan wel [verzoekster] op ongepaste wijze is opgetreden tijdens de woordenwisseling over de vakantiedagen, wordt in de ontslagbrief niet toegelicht.
Voor het geval de ontslagbrief zo moet worden begrepen dat die ongepastheid is gelegen in het feit dat [verzoekster] geen vakantiedagen beschikbaar had, gaat dat op grond van hetgeen hierna wordt overwogen niet op.
In haar inleidend verzoekschrift, randnummer 2.2, heeft [verzoekster] een gespecificeerde opgave van haar vakantiedagen opgenomen en volgens die opgave bedroeg in 2023 het eindsaldo 46,5 vakantiedagen. Volgens artikel 9 lid 1 van de Vakantieregeling 1949 mag [verzoekster] jaarlijks 30 nog niet genoten vakantiedagen meenemen van het ene naar het volgende jaar. Dit laatste is in aanmerking genomen in de nadere opgave die is opgenomen in het verzoekschrift, randnummer 4.1. Volgens die nadere opgave was in 2023 het eindsaldo een tegoed van 26,2 vakantiedagen.
Chatterbox heeft eveneens, als onderdeel van bijlage 2 bij haar verweerschrift, een opgave van de vakantiedagen van [verzoekster] in het geding gebracht. Volgens die opgave heeft [verzoekster] in 2022 6 dagen en 4 uren verlof opgenomen en in 2023 21 dagen en 2 uren. Volgens die opgave resteren, op 19 september 2023, 2 dagen en 3 uren.
Tussen partijen bestaat dus een verschil van inzicht over het saldo vakantiedagen van [verzoekster]. Zoals ook reeds tijdens de behandeling met partijen is besproken, komt dit naar het oordeel van het gerecht voort uit het feit dat Chatterbox geen rekening houdt met de vakantiedagen die [verzoekster] heeft meegenomen uit eerdere jaren. Volgens [verzoekster]’s genoemde opgave in randnummer 4.1 van haar verzoekschrift had zij eind 2021 namelijk een saldo van 36 dagen, waarvan zij er 30 mocht meenemen. Dit heeft Chatterbox niet weersproken, maar heeft zij evenmin in aanmerking genomen in haar eigen opgave. Uit het in zoverre onweersproken blijven van de opgave van [verzoekster] moet worden geconcludeerd dat deze juist is en dat zij op 19 september 2023 een saldo van 26,2 vakantiedagen had. Dit betekent dat [verzoekster] op 19 september 2023 wel degelijk voldoende vakantiedagen had om betaald vakantie te kunnen opnemen.
Namens Chatterbox heeft [directrice] tijdens de behandeling nog aangevoerd dat [verzoekster] telkens een appje stuurde dat zij er niet zou zijn en dat dat voor Chatterbox geldt als een vakantiedag. In het licht van dat laatste gaat het gerecht er vanuit dat de hiervoor bedoelde dagen die door Chatterbox zijn aangemerkt als vakantiedagen, in haar overzicht zijn opgenomen.
Voor zover Chatterbox zou menen dat de opbouw van vakantiedagen tijdens de covidpandemie niet op de gebruikelijke voet is doorgegaan, vindt deze opvatting geen steun in het recht.
Op grond van het bovenstaande staat vast dat in het geschil over vakantiedagen dat de aanleiding was tot de woordenwisseling, het gelijk aan de zijde van [verzoekster] ligt.
Het was daarom niet ongepast van [verzoekster] om de vakantiedagen ter sprake te brengen. Daaruit kan ook niet worden afgeleid dat [verzoekster] een gebrek aan respect heeft.
Indien [verzoekster] aanvankelijk, voor deze procedure, een ander standpunt heeft ingenomen over het aantal vakantiedagen dat zij heeft opgenomen, maakt dat de conclusie niet anders.
Voor het geval de ongepastheid van de klachten volgens Chatterbox zou zijn gelegen in de wijze van optreden van [verzoekster] tijdens de woordenwisseling, wordt overwogen dat [verzoekster] de verwijten van Chatterbox ter zake alle weerspreekt. Dit geldt onder meer wat betreft de volgende verwijten: de verheven stem, het uiten van scheldwoorden aan het adres van [directrice], de agressieve houding en het uiten van persoonlijk informatie van ouders.
Van de ‘aanvullende redenen’ omschreven in de ontslagbrief betwist [verzoekster] het bestaan. Daartegenover heeft Chatterbox de door haar aangevoerde aanvullende redenen onvoldoende onderbouwd.
Bovendien voert [verzoekster] aan dat Chatterbox haar, op een keer na, nooit heeft aangesproken op die als aanvullende redenen gekwalificeerde verwijten, in die zin dat zij haar functioneren op die punten zou moeten verbeteren. Dit heeft Chatterbox niet weersproken. Er zijn ook geen verslagen van functioneringsgesprekken o.i.d. in het geding gebracht.
De conclusie uit al het bovenstaande is dat de door Chatterbox aangevoerde ‘hoofdreden’ geen dringende reden vormt in de zin van artikel 7A:16150 lid 1 BW en dat het bestaan van de door Chatterbox aangevoerde ‘aanvullende redenen’ niet is komen vast te staan en [verzoekster] daarop in elk geval nooit is aangesproken, zodat deze niet met succes aan het ontslag op staande voet ten grondslag kunnen worden gelegd.
Van een dringende reden die grond kan zijn voor een ontslag op staande voet is dan ook geen sprake. Dat daarvan geen sprake is, zou ook al kunnen worden afgeleid uit de door Chatterbox in de ontslagbrief gebruikte bewoordingen. Daarin staat immers dat “Chatterbox het niet verstandig [acht] om deze werkrelatie voort te zetten” en dat is iets heel anders dan een dringende reden in de zin van artikel 7A:1615o lid 1 BW.
Het ontslag op staande voet is nietig en de gevorderde verklaring voor recht en het primaire verzoek sub C tot betaling van het achterstallig loon en doorbetaling van het loon zullen worden toegewezen, met dien verstande dat de loondoorbetalingsverplichting van Chatterbox naar het oordeel van het gerecht om de navolgende reden eindigt op 6 november 2023. [verzoekster] heeft ander werk per 6 november 2023. Dit feit heeft [verzoekster] niet in haar verzoekschrift opgenomen, maar is tijdens de behandeling door Chatterbox aangevoerd. Het feit dat [verzoekster] werk heeft gevonden, is voor de beslissing op de vordering tot doorbetaling van loon van belang en artikel 18c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verplichtte [verzoekster] daarom dit feit aan te voeren. Door dat na te laten, heeft [verzoekster] dus in strijd met dat artikel gehandeld. Daaraan kan de rechter de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Het gerecht zal daaraan de gevolgtrekking verbinden dat [verzoekster] vanaf 6 november 2024 niet langer beschikbaar was de overeengekomen werkzaamheden in dienst van Chatterbox te verrichten, zulks hoewel omtrent de voorwaarden van haar nieuwe dienstverband is niets gesteld. Het verzoek tot doorbetaling van loon tot en met 5 november 2023 zal daarom worden toegewezen en voor het overige worden afgewezen.
Het gerecht begrijpt het verzoek sub D aldus dat dit wordt ingesteld voor het geval de arbeidsovereenkomst eindigt – en dus niet uitsluitend voor het geval het ontslag op staande voet niet nietig is -. Gezien de beslissing op het zelfstandig tegenverzoek wordt deze voorwaarde vervuld, zodat op het verzoek sub D moet worden beslist.
De vordering tot betaling van 27 vakantiedagen is overeenkomstig de eigen opgave van [verzoekster], die als juist wordt beoordeeld (r.o. 4.11) en is wat betreft de afronding in overeenstemming met artikel 10 lid 2 Vakantieregeling 1948. De vordering sub D is daarom toewijsbaar.
De wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen worden toegewezen als hierna geformuleerd.
in het zelfstandig tegenverzoek
Nu het ontslag op staande voet nietig wordt geoordeeld, is de voorwaarde waaronder het zelfstandig tegenverzoek is ingesteld, vervuld en zal daarop worden beslist.
Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsovereenkomst tussen hen dient te eindigen. Daarom zal het verzoek tot ontbinding worden toegewezen.
Geen van partijen heeft zich uitdrukkelijk erover uitgelaten op welke grond van artikel 7A:1615w lid 2 BW die ontbinding dient plaats te vinden, gewichtige redenen bestaande uit omstandigheden die een dringende reden zouden hebben opgeleverd dan wel gewijzigde omstandigheden.
Hoe dat ook zij, voor toekenning van een vergoeding als bedoeld in lid 5 van genoemd artikel ziet het gerecht geen aanleiding. Daartoe zijn de volgende omstandigheden redengevend. Het staat vast dat [verzoekster] sinds 6 november 2023 ander werk heeft. [verzoekster] heeft na haar ontslag op staande voet foto’s en video’s van het bedrijf van Chatterbox naar het ministerie gestuurd. [verzoekster] heeft onvoldoende uitgelegd wat zij daarmee beoogde. Daardoor is, zo heeft [directrice] namens Chatterbox onweersproken verklaard, haar bedrijf gesloten, wat later is teruggedraaid, en heeft Chatterbox schade geleden. Chatterbox heeft, zo heeft zij eveneens onweersproken verklaard, geen financiële middelen tot betaling van enige vergoeding.
voorts in het verzoek en het zelfstandig tegenverzoek
Gezien het door [verzoekster] in het geding gebrachte bewijs van onvermogen staat naar het oordeel van het gerecht voldoende vast dat zij niet in staat is de kosten van deze procedure te dragen. Daarom zal haar verzoek kosteloos te mogen procederen worden toegewezen.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Dit heeft tot gevolg dat de vordering van [verzoekster] met betrekking tot de nakosten zal worden afgewezen.
5. De beslissing
Het gerecht:
in het verzoek
staat [verzoekster] toe kosteloos te procederen;
verklaart voor recht dat het door Chatterbox aan [verzoekster] gegeven ontslag op staande voet nietig is;
veroordeelt Chatterbox aan [verzoekster] te betalen het loon, gerekend vanaf 20 september 2023 tot en met 5 november 2023, dat bedrag te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7A:1614q BW, tot maximaal 20% over het verschuldigde loonbedrag, alsmede – in het geval betaling uitblijft – met de wettelijke rente daarover vanaf veertien (14) dagen na de datum van deze beschikking tot aan de dag van betaling;
veroordeelt Chatterbox aan [verzoekster] te betalen een bedrag van NAf 2.738,88 wegens niet-genoten vakantiedagen, te vermeerderen – in het geval betaling uitblijft – met de wettelijke rente daarover vanaf veertien (14) dagen na de datum van deze beschikking tot aan de dag van betaling;
in het zelfstandig tegenverzoek
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van heden;
voorts in het verzoek en het zelfstandig tegenverzoek
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;
compenseert de kosten van dit geding in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. O. Nijhuis, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.