ECLI:NL:OGEAC:2024:305

ECLI:NL:OGEAC:2024:305

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 21-08-2024
Datum publicatie 10-06-2026
Zaaknummer 500.00204/22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Curaçao. Afwijzing ontneming.

Uitspraak

Parketnummer: 500.00204/22

Uitspraak: 21 augustus 2024

Verstek

Beslissing van dit Gerecht op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 1:77 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

Procesverloop

De inleidende schriftelijke vordering van 8 februari 2024 van de officier van justitie, mr. S. Polderman, strekt ertoe dat het Gerecht de maatregel van ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 1:77 Sr, oplegt tot betaling aan het Land Curaçao van het geschatte voordeel van NAf 28.765,-.

Onderzoek van de zaak

De veroordeelde is bij vonnis van dit Gerecht van 4 november 2022, veroordeeld ter zake van, kort gezegd, en voor zover hier van belang:

Feit 2.

opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder C van de Opiumlandsverordening 1960, strafbaar gesteld bij artikel 11 van deze Landsverordening.

Blijkens deze kwalificatie gaat het hier om het bezit, aanwezig hebben of aanwenden van cocaïne (op 26 juli 2022).

Op 28 juni 2024 is de veroordeelde hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen bij de behandeling van de ontnemingsvordering. Mr. A.N. Sulvaran, de raadsvrouw van de veroordeelde, is verschenen en heeft ter terechtzitting verzocht om de zaak aan te houden. De rechter heeft, gehoord de officier van justitie, besloten dat de behandeling van de zaak op 10 juli 2024 zal plaatsvinden en dat de raadsvrouw uiterlijk 4 juli 2024 een schriftelijke reactie op de vordering naar de officier van justitie en naar het Gerecht zal e-mailen, waarop de officier van justitie ter terechtzitting op 10 juli 2024 zal kunnen reageren.

De vordering is inhoudelijk behandeld ter openbare terechtzitting van 10 juli 2024. De veroordeelde, is hoewel behoorlijk opgeroepen, wederom niet verschenen. Mr. Sulvaran voornoemd is verschenen. De officier van justitie heeft de vordering toegelicht. De raadsvrouw heeft het standpunt van de veroordeelde mondeling toegelicht.

Beslissing is bepaald op heden.

Wederechtelijk verkregen voordeel

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering. De officier van justitie heeft gesteld dat de veroordeelde zich bezig heeft gehouden met drugshandel en daarmee over de periode van 1 januari 2020 tot en met 26 juli 2022 wederrechtelijk verkregen voordeel genoten ten bedrage van NAf 28.765,00. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan het Land ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. Zij heeft voor de precieze berekening verwezen naar het ”Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel”, opgemaakt op 19 december 2022, en deel uitmakend van het dossier.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van de veroordeelde heeft aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities bepleit dat er geen bewijs is voor drugshandel en dat de veroordeelde daarvoor op 4 november 2022 door het Gerecht is vrijgesproken. Het openbaar ministerie had in appel moeten gaan tegen de uitspraak in de strafzaak en niet via een ontnemingsvordering trachten aan te tonen dat de veroordeelde naast het bezit ook verdovende middelen heeft verkocht, aldus de raadsvrouw. Uit de afgelegde verklaringen van de veroordeelde bij de politie heeft hij te kennen gegeven dat hij zijn geld verdient door losse arbeid te verrichten.

Oordeel van het Gerecht

Uit het (extract)vonnis van 4 november 2022 leidt het Gerecht af dat de veroordeelde partieel is vrijgesproken ter zake van de verkoop van cocaïne op 26 juli 2022, althans in of omstreeks de maand juli 2022 - zoals ten laste gelegd - en dat hij (alleen) is veroordeeld ter zake van het bezit, aanwezig hebben of aanwenden daarvan. De verkoop van verdovende middelen over de periode van 1 januari 2020 tot en met 26 juli 2022 (de periode die blijkens de ontnemingsvordering en het daaraan ten grondslag liggende ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ d.d. 19 december 2022) is niet ten laste gelegd en maakte derhalve geen deel uit van de strafzaak. Het verweer van de raadsvrouw dat de veroordeelde is vrijgesproken ter zake van de handel in cocaïne in de strafzaak en de ontnemingsvordering op die grond moet worden afgewezen, slaagt echter niet, nu de officier van justitie in de ontnemingsprocedure een andere periode aan de ontnemingsvordering ten grondslag heeft gelegd, te weten 1 januari 2020 tot en met 26 juli 2022. Hiertoe is de officier van justitie in beginsel, gelet op het bepaalde in artikel 1:77, lid 2 Sr gerechtigd.

In de ontnemingsvordering is immers, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“gezien de stukken die deel uitmaken van het onderzoek onder bovengenoemd parketnummer en die betrekking hebben op het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van of uit de baten van een of meer van de bij bedoelde dagvaarding tenlastegelegde feiten en/of soortgelijke feiten en/of feiten, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen en waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door verdachte zijn begaan.”

Hieruit leidt het Gerecht af dat de officier van justitie de ontnemingsvordering baseert op artikel 1:77 lid 1 en 2 Sr.

Naar het oordeel van het Gerecht is op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het enkel bezitten, aanwezig hebben of aanwenden van cocaïne op 26 juli 2022. Voor zover de vordering op artikel 1:77 lid 1 Sr is gestoeld, dient deze derhalve te worden afgewezen.

Op grond van artikel 1:77 lid 2 Sr kan een ontnemingsmaatregel mede betrekking hebben op voordeel dat de veroordeelde heeft verkregen door middel van of uit baten van andere strafbare feiten waaromtrent “voldoende aanwijzingen” bestaan dat deze door betrokkene zijn begaan.

Hiervoor is een voordeelberekening nodig waarin eerst wordt vastgesteld voor welke ‘andere strafbare feiten’ er voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. Pas daarna wordt becijferd wat de omvang is van het voordeel dat die andere strafbare feiten hem hebben opgeleverd.

Het Gerecht begrijpt –aan de hand van het opgemaakte ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ d.d. 19 december 2022- dat de officier van justitie met het andere strafbare feit, de verkoop van verdovende middelen bedoelt, en dit over de periode van 1 januari 2020 tot en met 26 juli 2022.

Uit dit rapport en uit het proces-verbaal van bevinding inzake mogelijk handel in verdovende middelen, maakt het Gerecht op dat de aanwijzingen dat de veroordeelde voor de laatstgenoemde periode in verdovende middelen heeft gehandeld, als volgt worden onderbouwd. In de slaapkamer van de veroordeelde is onder andere het volgende gevonden: doorzichtige plastic zakjes elk inhoudende een geringe hoeveelheid witachtig poeder gelijkend op cocaïne, doorzichtige plastic zakjes inhoudende een gering hoeveelheid kruid gelijkend op hennep, verschillende munten en bankbiljetten (totaal: NAf 1.012,40, USD 10,00 en NAf 50,00), boterhamzakjes, een grijze weegschaal met residu van een witachtige poeder gelijkend op cocaïne erop, zeefjes, plastic handschoenen en een doos ‘baking soda’. Bij de weging van de plasticzakjes elke inhoudend een geringe hoeveelheid witte poeder, bleken deze een gezamenlijk brutogewicht van 181 gram te hebben. Bij weging van de plastic zakjes elk inhoudende een geringe hoeveelheid op hennep gelijkend kruid, bleken dezen een gezamenlijk brutogewicht van 8 gram te hebben. De geteste monsters, reageerden respectievelijk positief, als zijnde cocaïne en hennep.

Door de wijze waarop de hennep en de cocaïne in kleine plastic zakjes waren verpakt, samen met de aangetroffen munten en bankbiljetten, is het sterke vermoeden gerezen dat de veroordeelde zich waarschijnlijk bezighoudt met het verkopen van verdovende middelen. Het vermoeden is dat de veroordeelde de samengeperste cocaïne verwerkt en/of vermeerdert en/of naar gewicht in kleine plastic zakjes (geknipte boterhamzakjes) verpakt. Kijkend naar het kasstroomoverzicht, opgesteld aan de hand van de verklaarde gemiddelde inkomsten en uitgaven van de veroordeelde, is het onwaarschijnlijk dat de veroordeelde heeft kunnen rondkomen van zijn verklaarde inkomsten. De inkomsten zijn voor het onderzoeksteam niet controleerbaar dan wel verifieerbaar. Op grond hiervan kan het niet anders dan dat er (een) onbekende (illegale) inkomstenbron(nen) is (zijn) geweest, waarmee de voornoemde contante uitgaven voldaan konden worden, aldus de officier van justitie.

Het Gerecht is van oordeel dat aan de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanwijzingen kunnen worden ontleend voor de verdenking c.q. het oordeel dat de veroordeelde over de periode 1 januari 2020 tot en met 26 juli 2022 in verdovende middelen heeft gehandeld. De vaststelling dat er op de dag van de huiszoeking onder andere verdovende middelen in (kleine) verpakkingen in de woning van de veroordeelde aanwezig waren, samen met de aangetroffen munten en bankbiljetten en een weegschaal met residu erop, en het constateren van een verschil tussen legale inkomsten en (te) hoge uitgaven, ontoereikend is voor de gevolgtrekking dat de veroordeelde over de (volledige) gestelde periode heeft gehandeld in verdovende middelen. Met in achtneming van de door de officier van justitie aangevoerde aanwijzingen, kan het Gerecht niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de veroordeelde het andere strafbare feit (de verkoop van verdovende middelen over de periode van 1 januari 2020 tot en met 26 juli 2022) heeft begaan.

Het Gerecht komt dan ook niet toe aan het bepalen van de omvang van het wederrechtelijk genoten voordeel en dient de ontnemingsvordering ook in zoverre te worden afgewezen.

BESLISSING

Het Gerecht:

Wijst af de vordering van de officier van justitie ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Deze beslissing is gegeven door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. N.R.H. Marsera, (zittingsgriffier), en op 21 augustus 2024 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand