Parketnummer: 500.00214/23
Uitspraak : 19 januari 2024 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
1. Op 14 augustus 2023 heeft er naar aanleiding van een bij de Criminele Inlichtingen Dienst van de Kustwacht binnengekomen informatie een huiszoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden in de woning van de verdachte te [adres]. De verbalisant [verbalisant 1] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
2. In een aanbiedingsbrief vuurwapens en/of munitie met nummer [nummer] is vermeld, zakelijk weergegeven:
3. Het op 14 augustus 2023 inbeslaggenomen vuurwapen en de 40 stuks inbeslaggenomen munitie werden brigadier tevens forensisch rechercheur [verbalisant 2] bij aanbiedingsbrief no. 001153/23 voor onderzoek aangeboden. Hij heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], [adres],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2024. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.N. Sulvaran, advocaat in Curaçao.
De officier van justitie, mr. V. Girigoria-Hernandez, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest.
Haar vordering behelst voorts de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen vuurwapen, de munitie en het kogelwerend vest.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte primair zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Zij heeft subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 augustus 2023, althans in of omstreeks de maand augustus 2023 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad een semi-automatisch aanvalsgeweer van het merk/model [vuurwapenmerk/model], kaliber 223/5.56mm in elk geval een vuurwapen, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, althans een aantal scherpe patronen, 40 scherpe patronen kaliber .223, in elk geval munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930;
(artikel 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening 1930)
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 14 augustus 2023, althans in of omstreeks de maand augustus 2023 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad een semi-automatisch aanvalsgeweer van het merk/model [vuurwapenmerk/model], kaliber .223/5.56mm in elk geval een vuurwapen, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en 40 scherpe patronen kaliber .223, zijnde /of munitie, althans een aantal scherpe patronen, in elk geval munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
“(…) Gedurende de huiszoeking werden de navolgende goederen inbeslaggenomen: één (1) lang vuurwapen, drie (3) patroonhouders, veertig (40) scherpe patronen (…).”
“In de zaak van de verdachte [verdachte], [adres], is in beslag genomen een vuurwapen van het merk [vuurwapenmerk], [model], met serienummer [serienummer] en 40 stuks munitie kaliber .223.”
“(…) Het aangeboden aanvalsgeweer is van het merk [vuurwapenmerk], [vuurwapenmodel], van het kaliber .223, voorzien van het serienummer [serienummer]. Tevens werden veertig (40) scherpe patronen van het kaliber .223, voorzien van de bodemstempel “WCC95”, voor onderzoek aangeboden.
Voormeld aanvalsgeweer is een semi-automatisch geweer (…).
Het aanvalsgeweer is bestemd en geschikt om kogels door een loop af te schieten. (…) De patronen (…) zijn geschikt om met aanvalsgeweren van het kaliber .223 te worden afgeschoten. (…)
Conclusie:
4. De verdachte heeft tijdens diens eerste verhoor op 14 augustus 2023 omstreeks 09:00 uur ten overstaan van de politie – voor zover van belang – het volgende verklaard:
“(…) Ik heb het wapen enkele maanden geleden op de plaats waar jullie dat hebben gevonden al zien liggen. Ik moest de stekker van de magnetron in het stopcontact achter de kast doen. Hiervoor heb ik de kast aan de kant geschoven. Toen zag ik een gedeelte van het vuurwapen in de tas. (…) Ik heb toen goed in de tas gekeken wat daarin zat. Ik heb het vuurwapen ook vastgepakt. (…)”
Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft het vuurwapen slechts ontdekt en heeft het nadien nooit meer gezien. Bij de vraag naar de beschikkingsmacht gaat het om de relatie tussen de verdachte en het vuurwapen. Het enkel ontdekken van het vuurwapen ofwel het hebben van de enkele wetenschap dat het op een gegeven moment heeft gelegen, maakt niet dat de verdachte ook de beschikkingsmacht over het wapen heeft gehad en het kon gebruiken als ware het van hem. Voorts is er door het openbaar ministerie, ondanks het verzoek zijdens de verdediging en de verdachte, geen vingerafdrukonderzoek gedaan waarmee het standpunt dat bij de verdachte geen sprake is van beschikkingsmacht kan worden gestaafd, aldus nog steeds de raadsvrouw.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 is naast de aanwezigheid van het vuurwapen (al dan niet in de onmiddellijke nabijheid van de verdachte) en een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat vuurwapen, een zekere macht van de verdachte over het vuurwapen vereist.
Aan deze voorwaarden is in de onderhavige zaak voldaan. Daartoe overweegt het Gerecht als volgt.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen kan het volgende worden vastgesteld. Naar aanleiding van een CID informatie heeft er op 14 augustus 2023 een huiszoeking ter inbeslagneming op het adres van de verdachte plaatsgevonden. Tijdens de huiszoeking zijn onder meer de volgende goederen in beslag genomen, te weten: een vuurwapen ( [vuurwapenmerk/model]), 3 patroonhouders en 40 scherpe patronen kaliber .223. De verdachte is bij de huiszoeking aangehouden voor vuurwapenbezit nadat hij te kennen had gegeven de verantwoordelijkheid voor het vuurwapen en de munitie op zich te nemen. Tijdens zijn eerste verhoor heeft de verdachte verklaard dat hij het vuurwapen al eerder en op dezelfde plek als waar het door de politie is gevonden, in een tas heeft zien liggen. Dit daar hij dagelijks hondenvoer naast de kast waarachter het vuurwapen is aangetroffen, haalt. Hij heeft toen goed in de tas gekeken en heeft het vuurwapen ook vastgepakt. Echter ontkent de verdachte ten stelligste dat het vuurwapen zijn bezit is.
Volgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat een bewoner van een woning in beginsel geacht wordt bekend te zijn met alles wat zich in de woning bevindt en afspeelt. Deze aanname kan echter worden weerlegd als de verdachte een aannemelijke verklaring heeft voor het tegendeel.
Dat hij na de eerste keer dat hij het vuurwapen heeft gezien zijn broer een reprimande heeft gegeven en het vervolgens nooit meer heeft gezien, heeft de verdachte voor het eerst op 29 december 2023, derhalve nadat hij enige maanden in detentie had doorgebracht, bij de politie verklaard. Volgens de raadsvrouw is dit ook gezegd tijdens de pro forma zitting op 24 november 2023. Hoe het ook zij: deze verklaring strookt niet met de door de verdachte bij de politie ter gelegenheid van zijn eerste verhoor op 14 augustus 2023 afgelegde verklaring. Het Gerecht ziet niet in dat en waarom de verdachte, die verklaart onschuldig te zijn, niet onmiddellijk een dergelijk belangrijk detail bij de politie noemt. Het Gerecht vermag evenmin in te zien dat en waarom de verdachte in eerste instantie verklaart niet te weten of de andere verdachte, [medeverdachte], iets met het vuurwapen te maken heeft, maar pas maanden later met stelligheid verklaart dat hij het wapen eerder had gezien, zijn broer [verdachte] had aangesproken die daarop zei contact op te zullen nemen met [medeverdachte]. Een en ander doet afbreuk aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de door de verdachte in zoverre op 29 december 2023 afgelegde verklaring. Het Gerecht houdt de verdachte dan ook aan zijn op 14 augustus 2023 bij de politie afgelegde verklaring. Deze verklaring heeft het Gerecht derhalve als bewijs gebezigd.
Dat de verdachte wetenschap van het vuurwapen en munitie had, staat aldus buiten kijf.
Aan het tweede vereiste, dat de verdachte de beschikkingsmacht had over de goederen, is – anders dan door de raadsvrouw is betoogd – ook voldaan.
De verwijzing door de raadsvrouw naar de casusposities die hebben geleid tot de conclusies A-G ECLI:NL:PHR:2019:1109 en ECLI:NL:PHR:2010:BN7725, stellende dat de verdachte onverhoeds of ongewild kortstondig het vuurwapen van een ander in handen heeft gekregen of dat hij onverwacht kennis van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen en munitie van een ander krijgt, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kon nemen, gaat reeds niet op, nu uit de bewijsvoering van het Gerecht volgt dat de verdachte al enkele maanden wetenschap had van het vuurwapen in zijn woning en daarover de beschikkingsmacht had.
De verdachte heeft volgens zijn verklaring een tas met daarin een vuurwapen, gezien en heeft het ook vastgepakt. Door het zien en aanraken van het vuurwapen en het gedurende enkele maanden verblijven in de woning met daarin dat vuurwapen, was de verdachte zich bewust van de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie en kon hij daarover beschikken, zodat hij het vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.
Een eventueel vingerafdrukonderzoek en de resultaten hiervan zouden – gelet op de bewijsvoering – niet tot een ander oordeel met betrekking tot het daderschap van de verdachte hebben geleid.
Het verweer wordt verworpen.
Wellicht ten overvloede overweegt het Gerecht dat het in deze dus niet gaat om de vraag of de verdachte al dan niet de eigenaar is van het inbeslaggenomen vuurwapen en de munitie. Dat ten laste van de verdachte bewezen is verklaard dat hij het desbetreffende vuurwapen en de munitie voorhanden heeft gehad, laat onverlet dat een ander daar wellicht de eigenaar van is en daarmee ook de desbetreffende voorwerpen voorhanden heeft gehad.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor “vuurwapenbezit” waarbij er sprake is geweest van ‘bezit thuis’, als indicatie voor een ‘first offender’ de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan een deel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, gegeven.
In dit geval heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van vuurwapen en munitie. Een dergelijk feit veroorzaakt gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de kleinschalige samenleving van Curaçao, waar vuurwapenbezit niet zelden tot schietincidenten leidt met ernstige, soms ook dodelijke, afloop.
Ten voordele van de verdachte houdt het Gerecht rekening met het feit dat hij blijkens zijn documentatie niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld, terwijl de overige veroordelingen van de verdachte van enige tijd geleden dateren.
Alles afwegende kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf van na te melden duur. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
In beslag genomen voorwerpen
Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven vuurwapen, munitie en kogelwerend vest.
Het vuurwapen en de munitie zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Met behulp van deze voorwerpen is het feit begaan. Bovendien is het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd met de wet en/of het algemeen belang.
Het kogelwerend vest is ook vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Dit voorwerp is bij de gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, aangetroffen en kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van strafbare feiten.
Het Gerecht zal voormelde voorwerpen daarom onttrekken aan het verkeer.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:74, 1:75, 1:76 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 270 (tweehonderdzeventig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 110 (honderdtien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde straf;
beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: één vuurwapen van het merk [vuurwapenmerk], model [model], serienummer [nummer], kaliber .223; 40 munitie van het kaliber .223 en één kogelwerend vest.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. O.H.M. Leito, zittingsgriffier, en op 19 januari 2024 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.