Parketnummer: 555.00091/24
Uitspraak: 6 november 2024 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2024. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.K.H. Ayubi, advocaat in Curaçao.
De officier van justitie, mr. E. van der Zee, heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte van het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en dat het Gerecht het onder feit 1 primair en feit 3 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1 primair
hij op of omstreeks 15 april 2024 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk (en al dan niet met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (en al dan niet na kalm en rustig overleg):
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(2:262/259/2:275/276 j° 1:119 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair
hij op of omstreeks 15 april 2024 te Curacao, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en aldaar opzettelijk genoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: "wil je ook problemen", althans woorden van gelijke dreigende card en/of strekking geuit en/of (daarbij) opzettelijk dreigend:
(artikel 2:255 Wetboek van Strafrecht)
Feit 2 primair
hij op of omstreeks 16 april 2024 te Curacao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk (en al dan niet met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (en al dan niet na kalm en rustig overleg):
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (2:262/259/2:275/276 j° 1:119 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair
hij op of omstreeks 16 april 2024 te Curacao, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en aldaar opzettelijk dreigend:
(artikel 2:255 Wetboek van Strafrecht)
Feit 3
Hij op of omstreeks 18 april 2024, althans in of omstreeks de periode van 15 april 2024 tot en met 18 april 2024, in Curacao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten een [vuurwapenmerk] van het kaliber 38, althans een vuurwapen en/of een hoeveelheid aan munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.
(artikel 3 j° 11 van de Vuurwapenverordening 1930)
Vrijspraak van de feiten 1, 2 en 3
Met de raadsman en de officier van justitie is het Gerecht van oordeel dat voor het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. De verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het onder feit 1 primair en subsidiair en feit 3 tenlastegelegde:
Uit de verklaringen van de aangever, de getuige, de drie verdachten, de camerabeelden en overige processen-verbaal in het dossier leidt het Gerecht de volgende gang van zaken af.
Op 15 april 2024 vindt bij tankstation op de Schottegatweg Noord een treffen plaats tussen het voertuig waarin verdachte en twee medeverdachten zitten (een [automerk/model]) en het voertuig van de aangever (een [automerk/model]). De verdachte [medeverdachte 1] is de bestuurder, de verdachte [verdachte] is passagier naast de bestuurder gezeten en de verdachte [medeverdachte 2] zit achterin de auto achter de passagier. Van de ontmoeting bij het tankstation zijn camerabeelden veilig gesteld die ter terechtzitting zijn afgespeeld. De aangever stopt eerst schuin achter de auto van de verdachten en rijdt vervolgens langszij bij de bestuurderszijde, stopt daar en spreekt [medeverdachte 1] aan. De aangever vraagt aan [medeverdachte 1] waarom hij hem even daarvoor op de Suffisantweg had klemgereden en achtervolgd. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij wilde zien wie in de auto reed en dat het een vergissing was.
Vanaf dat moment lopen de verklaringen uiteen. De aangever verklaart dat hij zag dat [medeverdachte 1] zijn linkerhand tegen zijn heup plaatste alsof hij daar een vuurwapen had. Deze verklaring vindt enigszins steun in de verklaring van de verdachte [medeverdachte 2] die echter nog iets verder gaat. [medeverdachte 2] verklaart dat hij zag dat [medeverdachte 1] een vuurwapen tussen zijn benen vandaan haalde en daarmee begon te zwaaien richting de aangever. [medeverdachte 1] noch [verdachte] verklaren over het gebaren op de mogelijke aanwezigheid van een vuurwapen dan wel het zwaaien met een vuurwapen door [medeverdachte 1]. De verklaringen van de aangever en van [medeverdachte 2] zijn weliswaar niet geheel gelijkluidend, maar duiden erop dat zich een vuurwapen in de auto van de verdachten heeft bevonden, hetgeen te rijmen is met het feit dat even later een schot vanuit de auto van de verdachten is gelost.
Vervolgens rijdt de aangever weg van het tankstation en rijdt de auto bestuurd door [medeverdachte 1] er direct achter aan. Op de Punto Cardonweg ter hoogte van het voormalig UTS-gebouw in Monte Carmelo horen de aangever en de getuige die bij hem in de auto zat een schot c.q. een hard geluid. Beiden hebben niet waargenomen door wie is geschoten. De aangever verklaart dat hij het schot heeft gehoord precies op het moment dat de auto van de verdachten hem van achteren aan het naderen was en daarna voorbij reed. Er blijkt een kogelperforatie te zitten in de achterbumper van de auto van de aangever, hetgeen later door forensisch onderzoek wordt bevestigd. Enkele dagen later vinden verbalisanten op de bewuste locatie op de Punto Cardonweg ter hoogte van het voormalig UTS-gebouw een huls op straat aan.
Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het Gerecht komen vast te staan dat vanuit de auto waarin de verdachten zaten een schot is gelost op de auto van de aangever.
De officier van justitie gaat uit van het scenario dat [medeverdachte 1] en [verdachte] als medeplegers van het schieten op de auto hebben te gelden, in welk scenario [verdachte] het schot heeft afgevuurd. Aldus de officier van justitie is ten aanzien van [medeverdachte 2] onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om hem als medepleger van het schieten op de auto aan te merken.
Het Gerecht ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wie van de drie verdachten heeft geschoten. Nu de aangever en de getuige niet hebben gezien wie heeft geschoten, is relevant wat de verdachten ter zake hebben verklaard.
[medeverdachte 1] heeft aanvankelijk ten overstaan van de hulofficier van justitie en in zijn eerste verhoor een summiere verklaring afgelegd dat hij niet had geschoten. In zijn tweede verhoor heeft hij verklaard dat op het moment dat ze de aangever bij het voormalig UTS-gebouw voorbij reden [medeverdachte 2] ([medeverdachte 2]) zijn hand uit de auto had gestoken en met een vuurwapen geschoten had. In zijn derde verhoor herhaalt [medeverdachte 1] deze verklaring en zegt dat hij zag dat [medeverdachte 2] zijn hand uit het raam aan de zijde van [verdachte] ([verdachte]) stak en met een zwarte [vuurwapenmerk/model] schoot.
[verdachte] verklaart in zijn politieverhoor dat ze hadden besloten de aangever achterna te rijden en dat hij een knal gelijkend op een 38 kaliber vuurwapen had gehoord en dat als de verdenking zo is dat één van hen het heeft gedaan dat dan [medeverdachte 2]([medeverdachte 2]) de enige persoon is die het gedaan kan hebben. Bij gelegenheid van zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris heeft [verdachte] verklaard dat de man die achterin zat, [medeverdachte 2] [medeverdachte 2], heeft geschoten en dat de man achterin daarbij zijn hand vóór hem stak om te schieten en dat de autoruit naar beneden was. Ter terechtzitting blijft [verdachte] erbij dat hij een schot heeft gehoord maar voegt hij toe dat hij niet weet wie heeft geschoten.
Tot slot legt ook [medeverdachte 2] aanvankelijk vrij summiere verklaringen af ten overstaan van de hulpofficier van justitie en in zijn eerste verhoor bij de politie, respectievelijk inhoudende dat één van de mannen voorin had geschoten en dat hij een knal had gehoord. In zijn tweede verklaring zegt [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 1](het Gerecht: [medeverdachte 1]) de [automerk/model] achtervolgde en dat hij op het moment dat de [automerk/model] ter hoogte van de kerk was en linksaf sloeg een harde knal hoorde en dat hij niet zag wie had geschoten. Voorts zegt hij dat de ramen op de plek waar hij zat niet open en dicht kunnen. Tijdens het derde politieverhoor verklaart [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 1] hem had verzocht de schuld op zich te nemen, dat hij nadat hij het schot hoorde zag dat de ruit aan de kant van [verdachte] ([verdachte]) open stond en dat hij zelf linkshandig is en onmogelijk via het raam naast [verdachte] kan hebben geschoten.
Hoewel de verklaringen van de verdachten elkaar op onderdelen ondersteunen en in overeenstemming zijn met wat de aangever en de getuige hebben verklaard, kan de vraag wie het schot heeft gelost op basis van de verklaringen -ook in onderling verband bezien- niet worden beantwoord. De verdachten wijzen immers onderling naar elkaar en voor geen van de verklaringen biedt het dossier voldoende aanvullende bewijskracht.
Ook aan het nader onderzoek verricht door het Team Forensische Opsporing aan de auto waarin de verdachten reden, waarvan op 14 oktober 2024 verslag is gedaan, kan onvoldoende (aanvullende) bewijswaarde met betrekking tot het daderschap worden ontleend:
Het inbeslaggenomen voertuig is een zwartkleurige personenauto van het merk [automerk/model] voorzien van het kentekennummer [kentekennummer]. Het voertuig is een linkse besturing en voorzien van twee portieren.
Het is mogelijk dat de passagier op de achterbank vanuit het rechterportier van de [automerk/model] schoot, hoewel dit gezien de ruimtebeperkingen en de risico's niet vaak voorkomt. We sluiten de mogelijkheid niet volledig uit, maar er zijn verschillende factoren die in acht moeten worden genomen, zoals:
Beperkte bewegingsvrijheid: De krappe ruimte kan de schietpositie bemoeilijken.
Zichtlijnen: Het kan uitdagend zijn om een goed zicht op het doel te krijgen.
Controle over het wapen: Er is een verhoogd risico op onopzettelijk afgaan van het wapen.
Verlies van stabiliteit: Het leunen of draaien kan de stabiliteit van de schutter beïnvloeden.
Deze factoren moeten zorgvuldig worden overwogen bij het evalueren van deze mogelijkheid.
Hoewel het theoretisch mogelijk is voor de passagier op de achterbank om te schieten vanuit het rechterportier van de [automerk/model], moeten verschillende belangrijke factoren in overweging worden genomen. De beperkte ruimte binnen het voertuig, samen met de noodzaak om het lichaam te draaien en de arm naar voren te steken, creëert aanzienlijke fysieke en visuele beperkingen. Deze beperkingen kunnen het moeilijk maken om effectief te richten en het vuurwapen gecontroleerd te hanteren, vooral in een dynamische situatie waarbij het voertuig in beweging is. De kans op nauwkeurigheid en controle tijdens het schieten is daardoor aanzienlijk verminderd.
In tegenstelling tot de passagier op de achterbank heeft de mede inzittende op de rechterstoel een duidelijke strategische en praktische advantage/voordeel. Deze positie biedt een beter gezichtsveld, meer bewegingsvrijheid en de mogelijkheid om het vuurwapen met beide handen te hanteren. Hierdoor kan de mede inzittende gericht en gecontroleerd schieten vanuit het rechterportier. De fysieke ruimte en het perspectief van de mede inzittende vergroot de kans dat hij of zij daadwerkelijk betrokken is bij het schietincident, aangezien het schieten vanuit deze positie effectiever kan worden uitgevoerd dan vanaf de achterbank.
Het Gerecht heeft in dit verband ook acht geslagen op een proces-verbaal van bevindingen voorruiten [automerk/model] [kentekennummer] d.d. 16 oktober 2024, waarin de verbalisant relateert dat zowel de voorruit aan de bestuurderskant als die aan de kant van de passagier optimaal werken; beide ruiten gaan door middel van een schakelaar naar beneden open en naar boven dicht.
Uit de onderzoeken aan de [automerk/model] kan worden afgeleid dat het minder waarschijnlijk is dat [medeverdachte 2] vanaf de achterbank heeft geschoten en dat [verdachte] op de passagiersplek naast de bestuurder in de beste positie verkeerde om te schieten. Dit is evenwel onvoldoende om te kunnen vaststellen welke verdachte het schot heeft gelost. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat overigens niets bekend is geworden over de exacte toedracht van het schieten (waaronder de posities van beide voertuigen ten opzichte van elkaar). In theorie is het ook nog mogelijk, hoewel gezien zijn positie minder voor de hand liggend, dat de bestuurder [medeverdachte 1] heeft geschoten.
Alles overziend is het Gerecht van oordeel dat het bewijs tekortschiet om buiten gerede twijfel een uitspraak te doen over het daderschap. Evenmin kan daarom vastgesteld worden of sprake was van medeplegen. In dat verband merkt het Gerecht op dat in het scenario dat [verdachte] of [medeverdachte 2] heeft geschoten wel het medeplegen van [medeverdachte 1] zou kunnen worden aangenomen nu buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat hij op dat moment een vuurwapen in zijn bezit had, maar dat andersom -in geval van daderschap van [medeverdachte 1]- er niet voldoende aanknopingspunten zijn om tot medeplegen door [verdachte] of [medeverdachte 2] te concluderen.
Wat betreft het onder feit 3 tenlastegelegde, het voorhanden hebben van een vuurwapen, stelt het Gerecht voorop dat daarvoor vereist is dat verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van deze goederen en dat hij daarover beschikkingsmacht had. Bij die beoordeling is onder andere relevant waar het wapen is aangetroffen, de wijze waarop het is opgeborgen, wie wanneer toegang had tot het wapen en de verklaring die verdachte hierover heeft gegeven.
Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden met betrekking tot het schietincident op 15 april 2024 -in het bijzonder het feit dat er die dag een schot is gelost vanuit de auto waarin de verdachte zat en de verklaring van verdachte [medeverdachte 2] die zag dat de verdachte [medeverdachte 1] een vuurwapen tussen zijn benen had en daarmee zwaaide richting de aangever- is het Gerecht van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte zich op enig moment bewust is geweest van de aanwezigheid van een vuurwapen in de auto. Bewijs ontbreekt echter voor de vereiste beschikkingsmacht van de verdachte over het vuurwapen.
De verdachte zal daarom ook van het onder feit 1 primair en subsidiair en het onder feit 3 tenlastegelegde worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair en subsidiair en feit 3 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. C. Anselma-Bernsen, zittingsgriffier, en op 6 november 2024 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.
uitspraakgriffier: