ECLI:NL:OGEAC:2024:308

ECLI:NL:OGEAC:2024:308

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 06-11-2024
Datum publicatie 10-06-2026
Zaaknummer 555.00089/24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Curaçao. Vrijspraak poging doodslag.

Uitspraak

Parketnummer: 555.00089/24

Uitspraak: 6 november 2024 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2024. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.N. Sulvaran, advocaat in Curaçao.

De officier van justitie, mr. E. van der Zee, heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte van het onder feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en dat het Gerecht het onder feit 3 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 3 jaren.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder de feiten 1 en 2 tenlastegelegde, zich ten aanzien van feit 3 gerefereerd aan het oordeel van het Gerecht en voorts een strafmaatverweer gevoerd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1 primair

hij op of omstreeks 15 april 2024 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk (en al dan niet met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (en al dan niet na kalm en rustig overleg):

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(2:262/259/2:275/276 j° 1:119 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair

hij op of omstreeks 15 april 2024 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en aldaar opzettelijk genoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: "wil je ook problemen", althans woorden van gelijke dreigende card en/of strekking geuit en/of (daarbij) opzettelijk dreigend:

(artikel 2:255 Wetboek van Strafrecht)

Feit 2 primair

hij op of omstreeks 16 april 2024 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk (en al dan niet met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (en al dan niet na kalm en rustig overleg):

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (2:262/259/2:275/276 j° 1:119 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair

hij op of omstreeks 16 april 2024 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en aldaar opzettelijk dreigend:

(artikel 2:255 Wetboek van Strafrecht)

Feit 3

Hij op of omstreeks 18 april 2024, althans in of omstreeks de periode van 15 april 2024 tot en met 18 april 2024, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten een [vuurwapenmerk/model] van het kaliber 38, althans een vuurwapen en/of een hoeveelheid aan munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.

(artikel 3 j° 11 van de Vuurwapenverordening 1930)

Vrijspraak van de feiten 1 en 2

Met de raadsvrouw en de officier van justitie is het Gerecht van oordeel dat voor het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. De verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder feit 1 primair en subsidiair en feit 3 tenlastegelegde:

Uit de verklaringen van de aangever, de getuige, de drie verdachten, de camerabeelden en overige processen-verbaal in het dossier leidt het Gerecht de volgende gang van zaken af.

Op 15 april 2024 vindt bij tankstation op de Schottegatweg Noord een treffen plaats tussen het voertuig waarin de verdachte en twee medeverdachten zitten (een [automerk/model]) en het voertuig van de aangever (een [automerk/model]). De verdachte [medeverdachte 1] is de bestuurder, de verdachte [medeverdachte 2] is passagier naast de bestuurder gezeten en de verdachte [verdachte] zit achterin de auto achter de passagier. Van de ontmoeting bij het tankstation zijn camerabeelden veilig gesteld die ter terechtzitting zijn afgespeeld. De aangever stopt eerst schuin achter de auto van de verdachten en rijdt vervolgens langszij bij de bestuurderszijde, stopt daar en spreekt [medeverdachte 1] aan. De aangever vraagt aan [medeverdachte 1] waarom hij hem even daarvoor op de Suffisantweg had klemgereden en achtervolgd. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij wilde zien wie in de auto reed en dat het een vergissing was.

Vanaf dat moment lopen de verklaringen uiteen. De aangever verklaart dat hij zag dat [medeverdachte 1] zijn linkerhand tegen zijn heup plaatste alsof hij daar een vuurwapen had. Deze verklaring vindt enigszins steun in de verklaring van de verdachte [verdachte] die echter nog iets verder gaat. [verdachte] verklaart dat hij zag dat [medeverdachte 1] een vuurwapen tussen zijn benen vandaan haalde en daarmee begon te zwaaien richting de aangever. [medeverdachte 1] noch [medeverdachte 2] verklaren over het gebaren op de mogelijke aanwezigheid van een vuurwapen dan wel het zwaaien met een vuurwapen door [medeverdachte 1]. De verklaringen van de aangever en van [verdachte] zijn weliswaar niet geheel gelijkluidend, maar duiden erop dat zich een vuurwapen in de auto van de verdachten heeft bevonden, hetgeen te rijmen is met het feit dat even later een schot vanuit de auto van de verdachten is gelost.

Vervolgens rijdt de aangever weg van het tankstation en rijdt de auto bestuurd door [medeverdachte 1] er direct achter aan. Op de Punto Cardonweg ter hoogte van het voormalig UTS-gebouw in Monte Carmelo horen de aangever en de getuige die bij hem in de auto zat een schot c.q. een hard geluid. Beiden hebben niet waargenomen door wie is geschoten. De aangever verklaart dat hij het schot heeft gehoord precies op het moment dat de auto van de verdachten hem van achteren aan het naderen was en daarna voorbij reed. Er blijkt een kogelperforatie te zitten in de achterbumper van de auto van de aangever, hetgeen later door forensisch onderzoek wordt bevestigd. Enkele dagen later vinden verbalisanten op de bewuste locatie op de Punto Cardonweg ter hoogte van het voormalig UTS-gebouw een huls op straat aan.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het Gerecht komen vast te staan dat vanuit de auto waarin de verdachten zaten een schot is gelost op de auto van de aangever.

De officier van justitie gaat uit van het scenario dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als medeplegers van het schieten op de auto hebben te gelden, in welk scenario [medeverdachte 2] het schot heeft afgevuurd. Aldus de officier van justitie is ten aanzien van [verdachte] onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om hem als medepleger van het schieten op de auto aan te merken.

Het Gerecht ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wie van de drie verdachten heeft geschoten. Nu de aangever en de getuige niet hebben gezien wie heeft geschoten, is relevant wat de verdachten ter zake hebben verklaard.

[medeverdachte 1] heeft aanvankelijk ten overstaan van de hulofficier van justitie en in zijn eerste verhoor een summiere verklaring afgelegd dat hij niet had geschoten. In zijn tweede verhoor heeft hij verklaard dat op het moment dat ze de aangever bij het voormalig UTS-gebouw voorbij reden [verdachte] ([verdachte]) zijn hand uit de auto had gestoken en met een vuurwapen geschoten had. In zijn derde verhoor herhaalt [medeverdachte 1] deze verklaring en zegt dat hij zag dat [verdachte] zijn hand uit het raam aan de zijde van [medeverdachte 2] ([medeverdachte 2]) stak en met een zwarte [vuurwapenmerk/model] schoot.

[medeverdachte 2] verklaart in zijn politieverhoor dat ze hadden besloten de aangever achterna te rijden en dat hij een knal gelijkend op een 38 kaliber vuurwapen had gehoord en dat als de verdenking zo is dat één van hen het heeft gedaan dat dan [verdachte] ([verdachte]) de enige persoon is die het gedaan kan hebben. Bij gelegenheid van zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris heeft [medeverdachte 2] verklaard dat de man die achterin zat, [verdachte], heeft geschoten en dat de man achterin daarbij zijn hand vóór hem stak om te schieten en dat de autoruit naar beneden was.

Tot slot legt ook [verdachte] aanvankelijk vrij summiere verklaringen af ten overstaan van de hulpofficier van justitie en in zijn eerste verhoor bij de politie, respectievelijk inhoudende dat één van de mannen voorin had geschoten en dat hij een knal had gehoord. In zijn tweede verklaring zegt [verdachte] dat [medeverdachte 1] (het Gerecht: [medeverdachte 1]) de [automerk/model] achtervolgde en dat hij op het moment dat de [automerk/model] ter hoogte van de kerk was en linksaf sloeg een harde knal hoorde en dat hij niet zag wie had geschoten. Voorts zegt hij dat de ramen op de plek waar hij zat niet open en dicht kunnen. Tijdens het derde politieverhoor verklaart [verdachte] dat [medeverdachte 1] hem had verzocht de schuld op zich te nemen, dat hij nadat hij het schot hoorde zag dat de ruit aan de kant van [medeverdachte 2] ([medeverdachte 2]) open stond en dat hij zelf linkshandig is en onmogelijk via het raam naast [medeverdachte 2] kan hebben geschoten. Ter terechtzitting heeft [verdachte] wederom verklaard dat hij een schot hoorde.

Hoewel de verklaringen van de verdachten elkaar op onderdelen ondersteunen en in overeenstemming zijn met wat de aangever en de getuige hebben verklaard, kan de vraag wie het schot heeft gelost op basis van de verklaringen -ook in onderling verband bezien- niet worden beantwoord. De verdachten wijzen immers onderling naar elkaar en voor geen van de verklaringen biedt het dossier voldoende aanvullende bewijskracht.

Ook aan het nader onderzoek verricht door het Team Forensische Opsporing aan de auto waarin de verdachten reden, waarvan op 14 oktober 2024 verslag is gedaan, kan onvoldoende (aanvullende) bewijswaarde met betrekking tot het daderschap worden ontleend:

Het inbeslaggenomen voertuig is een zwartkleurige personenauto van het merk [automerk/model] voorzien van het kentekennummer [kentekennummer]. Het voertuig is een linkse besturing en voorzien van twee portieren.

Het is mogelijk dat de passagier op de achterbank vanuit het rechterportier van de [automerk/model] schoot, hoewel dit gezien de ruimtebeperkingen en de risico's niet vaak voorkomt. We sluiten de mogelijkheid niet volledig uit, maar er zijn verschillende factoren die in acht moeten worden genomen, zoals:

Beperkte bewegingsvrijheid: De krappe ruimte kan de schietpositie bemoeilijken.

Zichtlijnen: Het kan uitdagend zijn om een goed zicht op het doel te krijgen.

Controle over het wapen: Er is een verhoogd risico op onopzettelijk afgaan van het wapen.

Verlies van stabiliteit: Het leunen of draaien kan de stabiliteit van de schutter beïnvloeden.

Deze factoren moeten zorgvuldig worden overwogen bij het evalueren van deze mogelijkheid.

Hoewel het theoretisch mogelijk is voor de passagier op de achterbank om te schieten vanuit het rechterportier van de [automerk/model], moeten verschillende belangrijke factoren in overweging worden genomen. De beperkte ruimte binnen het voertuig, samen met de noodzaak om het lichaam te draaien en de arm naar voren te steken, creëert aanzienlijke fysieke en visuele beperkingen. Deze beperkingen kunnen het moeilijk maken om effectief te richten en het vuurwapen gecontroleerd te hanteren, vooral in een dynamische situatie waarbij het voertuig in beweging is. De kans op nauwkeurigheid en controle tijdens het schieten is daardoor aanzienlijk verminderd.

In tegenstelling tot de passagier op de achterbank heeft de mede inzittende op de rechterstoel een duidelijke strategische en praktische advantage/voordeel. Deze positie biedt een beter gezichtsveld, meer bewegingsvrijheid en de mogelijkheid om het vuurwapen met beide handen te hanteren. Hierdoor kan de mede inzittende gericht en gecontroleerd schieten vanuit het rechterportier. De fysieke ruimte en het perspectief van de mede inzittende vergroot de kans dat hij of zij daadwerkelijk betrokken is bij het schietincident, aangezien het schieten vanuit deze positie effectiever kan worden uitgevoerd dan vanaf de achterbank.

Het Gerecht heeft in dit verband ook acht geslagen op een proces-verbaal van bevindingen voorruiten [automerk/model] [kentekennummer] d.d. 16 oktober 2024, waarin de verbalisant relateert dat zowel de voorruit aan de bestuurderskant als die aan de kant van de passagier optimaal werken; beide ruiten gaan door middel van een schakelaar naar beneden open en naar boven dicht.

Uit de onderzoeken aan de [automerk/model] kan worden afgeleid dat het minder waarschijnlijk is dat [verdachte] vanaf de achterbank heeft geschoten en dat [medeverdachte 2] op de passagiersplek naast de bestuurder in de beste positie verkeerde om te schieten. Dit is evenwel onvoldoende om te kunnen vaststellen welke verdachte het schot heeft gelost. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat overigens niets bekend is geworden over de exacte toedracht van het schieten (waaronder de posities van beide voertuigen ten opzichte van elkaar). In theorie is het ook nog mogelijk, hoewel gezien zijn positie minder voor de hand liggend, dat de bestuurder [medeverdachte 1] heeft geschoten.

Alles overziend is het Gerecht van oordeel dat het bewijs tekortschiet om buiten gerede twijfel een uitspraak te doen over het daderschap. Evenmin kan daarom vastgesteld worden of sprake was van medeplegen. In dat verband merkt het Gerecht op dat in het scenario dat [medeverdachte 2] of [verdachte] heeft geschoten wel het medeplegen van [medeverdachte 1] zou kunnen worden aangenomen nu buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat hij op dat moment een vuurwapen in zijn bezit had, maar dat andersom -in geval van daderschap van [medeverdachte 1]- er niet voldoende aanknopingspunten zijn om tot medeplegen door [medeverdachte 2] of [verdachte] te concluderen.

Wat betreft het onder feit 3 tenlastegelegde, het voorhanden hebben van een vuurwapen, stelt het Gerecht voorop dat daarvoor vereist is dat verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van deze goederen en dat hij daarover beschikkingsmacht had. Bij die beoordeling is onder andere relevant waar het wapen is aangetroffen, de wijze waarop het is opgeborgen, wie wanneer toegang had tot het wapen en de verklaring die verdachte hierover heeft gegeven.

Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden met betrekking tot het schietincident op 15 april 2024 -in het bijzonder het feit dat er die dag een schot is gelost vanuit de auto waarin de verdachte zat en de verklaring van verdachte [verdachte] die zag dat de verdachte [medeverdachte 1] een vuurwapen tussen zijn benen had en daarmee zwaaide richting de aangever- is het Gerecht van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte zich op enig moment bewust is geweest van de aanwezigheid van een vuurwapen in de auto. Bewijs ontbreekt echter voor de vereiste beschikkingsmacht van de verdachte over het vuurwapen.

Dit is anders voor het tevens onder feit 3 tenlastegelegde vuurwapenbezit op de dag van de aanhouding van de verdachte op 18 april 2024; dit feit acht het Gerecht wel wettig en overtuigend bewezen. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat ten tijde van de aanhouding van de verdachte op 18 april 2024 in de auto waarin hij samen met de verdachte [medeverdachte 1] reed een [vuurwapenmerk/model] en munitie zijn aangetroffen. De [vuurwapenmerk/model] was verscholen in de middenconsole aan de kant van de mede-inzittende. De verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] de [vuurwapenmerk/model] daar bewaart wanneer zij op straat rijden en voordat de verdachte en de verdachte [medeverdachte 1] door de politie werden aangehouden [medeverdachte 1] hem had gevraagd om de [vuurwapenmerk/model] voor hem te bewaren. De verdachte was zich dus bewust van de aanwezigheid van het vuurwapen en hij had daar ook beschikkingsmacht over. Uit onderzoek van het TFO is komen vast te staan dat het gaat om een vuurwapen respectievelijk munitie in de zin van de Vuurwapenverordening en dat deze deugdelijk zijn.

De verdachte zal daarom ook van het onder feit 1 primair en subsidiair en partieel van het onder feit 3 tenlastegelegde -voor zover het betreft de datum van 15 april 2024- worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 3:

hij op of omstreeks 18 april 2024, althans in of omstreeks de periode van 15 april 2024 tot en met 18 april 2024, in Curacao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten een [vuurwapenmerk/model] van het kaliber 38, althans een vuurwapen en/of een hoeveelheid aan munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door het Gerecht gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling zal vervolgens aan het vonnis worden gehecht.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder feit 3 bewezen verklaarde is, zowel ten aanzien van het voorhanden hebben van het vuurwapen, als ten aanzien van het voorhanden hebben van de munitie, voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor “bezit van een vuurwapen in de auto” waarbij sprake is van een first offender als indicatie een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren gegeven.

De verdachte heeft samen met een ander een vuurwapen en munitie voorhanden gehad in de auto. Het ongecontroleerd bezit van een vuurwapen is gevaarzettend en leidt maar al te vaak tot schietincidenten met dodelijke afloop. Het feit veroorzaakt bovendien gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving. Tegen vuurwapenbezit dient daarom streng te worden opgetreden.

Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die (deels) een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Ten voordele van de verdachte weegt mee dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Het Gerecht heeft acht geslagen op het vroeghulprapport van de Reclassering d.d. 7 juni 2024.

Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat na te noemen deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20 en 1:21 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair en subsidiair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde feit heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 16 (zestien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde straf.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. C. Anselma-Bernsen, zittingsgriffier, en op 6 november 2024 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

uitspraakgriffier:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand