Uitspraak
op het verzoek om voorlopige voorziening van:
de naamloze vennootschap CYBERLUCK N.V.,
gevestigd in Curaçao,
verzoekster,
gemachtigde: mr. A.C. Small, advocaat,
en
de Stichting Curaçao Gaming Control Board (GCB),
verweerder,
als gemandateerde van de minister van Financiën optredende als gemandateerde van de Gouverneur,
gemachtigden: mr. T. Breugom, advocaat.
Inleiding
Bij bezwaarschrift van 14 augustus 2024 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen de beschikking van de GCB van 29 juli 2024 (de bestreden beschikking).
Op 29 augustus 2024 heeft verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening ingediend (het verzoek).
Het verzoek is behandeld ter zitting van het Gerecht van 11 september 2024. Namens verzoekster is haar directeur, [A], verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens GCB is de gemachtigde verschenen, vergezeld van de directeur van GCB, [B], en de manager legal, [C].
De beoordeling door het Gerecht
Wettelijk kader
1. Op grond van artikel 85, eerste lid, van de Lar kan een beschikking waartegen een beroepschrift bij het Gerecht is ingediend, of waaromtrent een bestuurlijke heroverweging plaatsvindt als bedoeld in hoofdstuk 4, op verzoek van de indiener van het beroepschrift onderscheidenlijk de bezwaarde geheel of gedeeltelijk door het Gerecht worden geschorst op grond dat de uitvoering van de beschikking voor hem een onevenredig nadeel met zich mee zal brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van de beschikking te dienen belang. Ook kan op zijn verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen ter voorkoming van onevenredig nadeel als in de eerste volzin bedoeld.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
2. Aan verzoekster is met ingang van 1 oktober 1996 een vergunning (de vergunning) zoals bedoeld in artikel 1 van de Landsverordening buitengaatse hazardspelen (LBH) verleend. Op grond van deze vergunning trad verzoekster op als masterlicentiehouder van verschillende sublicentiehouders, die aldus onder de vergunning van verzoekster online kansspelen konden aanbieden. De geldigheidsduur van de vergunning is verlengd in 2007, 2013, 2018 en in 2023.
Vanaf 2020 is de Curaçaose regering bezig met de hervorming van de sector van online kansspelen om effectiever toezicht op de kansspelactiviteiten van exploitanten te bewerkstelligen. Een cruciaal onderdeel van deze hervorming is het afschaffen van de master- en sublicentiestructuur. Dat betekent dat houders van sublicenties die op afstand kansspelen willen blijven aanbieden een eigen vergunning moeten aanvragen. De voorgenomen hervormingen hebben geleid tot een wetsontwerp, de Landsverordening op de kansspelen (LOK). De LOK is, anders dan de Curaçaose regering heeft gehoopt, nog niet in werking getreden. De LBH is dus nog van kracht.
Anders dan eerdere verlengingen, is de geldigheidsduur van de vergunning in 2023 voor maar een jaar verlengd tot 1 oktober 2024. Daarbij is aan verzoekster duidelijk gemaakt dat na het verlopen van deze vergunning geen vergunning meer zal worden verleend voor de exploitatie van kansspelen als masterlicentiehouder met de mogelijkheid van sublicenties. Vanaf september 2023 heeft de minister van Financiën de voorlichting aan betrokkenen daarover middels verschillende voorlichtingsbijeenkomsten en e-mailberichten aan vergunninghouders, onder wie verzoekster, geïntensiveerd. Desondanks heeft verzoekster verzocht om verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning. Die verlenging is op grond van de bestreden beschikking geweigerd met als motivering, kort gezegd, dat hoewel het LBH nog van kracht is het beleid dat de minister van Financiën voert is gewijzigd in die zin dat geen vergunning meer wordt verleend voor het optreden als masterlicentiehouder.
Verzoekster beoogt met de onderhavige procedure te bewerkstelligen dat het Gerecht bepaalt dat zij hangende het bezwaar na het verlopen van haar vergunning op 1 oktober a.s. haar bedrijfsactiviteiten onverkort kan voortzetten als masterlicentiehouder van sublicentiehouders.
spoedeisend belang
3. GCB stelt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het verzoek omdat zij geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat zij nadelige financiële gevolgen zal ondervinden van de bestreden beschikking. Daartoe heeft de GCB, kort gezegd, het volgende aangevoerd. Verzoekster heeft geen financiële gegevens overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat zij zodanig ernstige financiële gevolgen zal ondervinden dat een faillissement niet uitgesloten is. Bovendien heeft verzoekster voldoende tijd gehad om haar bedrijfsvoering aan te passen om ondanks de aangekondigde afschaffing van de master- en sublicentiestructuur haar bedrijf te kunnen voortzetten.
Deze stelling treft doel. Het Gerecht licht dit als volgt toe. Niet in geschil is dat het voor vergunninghouders zoals verzoekster al jaren bekend was dat de Curaçaose regering voornemens was om de structuur van master- en sublicenties binnen de sector van online kansspelen af te schaffen en was voor hen bekend dat daartoe een wetsontwerp is gemaakt. Het is evenmin in geschil dat de minister van Financiën en de GCB in de tweede helft van 2023 de informatievoorziening aan betrokkenen, in ieder geval aan vergunninghouders zoals verzoekster, heeft geïntensiveerd zodat het voor verzoekster duidelijk was dat na het verlopen van de in 2023 nog verlengde vergunning geen verlenging meer zou worden verleend om als masterlicentiehouder op te treden. Dat verzoekster met dat laatste bekend was blijkt ook uit het feit dat verzoekster dat schriftelijk aan haar sublicentiehouders heeft meegedeeld en gelet daarop andersoortige diensten heeft aangeboden aan deze.
Daargelaten het feit dat verzoekster, gelet op het voorgaande, voldoende tijd heeft gehad om in haar bedrijfsvoering rekening te houden met het feit dat zij niet meer als masterlicentiehouder zou mogen optreden na het verlopen van de geldigheidsduur van de tot 1 oktober 2024 verleende vergunning, geldt het volgende. Verzoekster heeft onvoldoende toegelicht dat zij als gevolg van de bestreden beschikking in een zodanig slechte financiële situatie zal komen te verkeren dat zij de beslissing op bezwaar niet zal kunnen afwachten. Daarbij houdt het Gerecht rekening met het feit dat de beslistermijn in de bezwaarprocedure op grond van de Lar vier maanden is en dat de GCB ter zitting heeft verklaard voornemens te zijn uiterlijk op 30 september 2024, althans zo snel mogelijk op het bezwaar te zullen beslissen. Dat faillissement niet uitgesloten is, is geenszins onderbouwd. Dat sprake is van onomkeerbare nadelige gevolgen die toewijzing van het verzoek rechtvaardigen is dan ook niet gebleken. Daarom zal het verzoek wegens het ontbreken van spoedeisend belang worden afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat gelet op het voorgaande geen grond.
Beslissing
Het Gerecht:
- wijst af het verzoek om voorlopige voorziening.
Aldus vastgesteld door mr. N.M. Martinez, rechter in het Gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2024 in Curaçao, in aanwezigheid van de griffier P.N.F. Pereira do Tanque.
Tegen de beslissing staat geen hoger beroep open.