GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202502293
Beschikking van 8 september 2025
in de zaak van de naamloze vennootschap
NETHERLANDS ANTILLES & ARUBA ASSURANCE COMPANY (NA&A) N.V. h.o.d.n. CITIZENS INSURANCE,
gevestigd in Curaçao,
eiseres,
gemachtigde: mr. K.D. Keizer.
--tegen--
[Verweerster],
wonend in [woonplaats],
verweerster,
gemachtigde: mr. S.N. Zahedi,
Partijen worden hierna [verweerster] en Citizens genoemd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 30 juni 2025,
de nadere producties van Citizens van 25 juli 2025,
de mondelinge behandeling van 7 augustus 2025, waar de zaak, gelijktijdig met de zaak CUR202501925, is behandeld
de pleitnotities van partijen.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. De feiten
verweerster], thans 63 jaar, is op 25 juli 1983 op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden van Citizens en was laatstelijk werkzaam als Account Manager tegen een bruto maandsalaris van Cg 8.174,38.
Op 11 maart 2016 heeft [verweerster] getekend voor ontvangst van het Huishoudelijk Reglement 2016 van Citizens. In artikel 6 lid 3 van dat Reglement staat dat voor werknemers met pensioenregeling na 1 januari 2014 het dienstverband in elk geval eindigt per 1ste van de maand, nadat de werknemer zijn/haar 62ste verjaardag heeft bereikt.
Op 23 augustus 2023 heeft Citizens aan de minister van Sociale Ontwikkeling Arbeid en Welzijn (SOAW) verzocht om haar toestemming te verlenen voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met [verweerster].
Op 7 september 2023 heeft [verweerster] een aan haar door SOAW in het kader van de ontslagaanvraag van Citizens verstrekt formulier ingevuld en ondertekend. Daarop heeft zij onder meer het volgende geschreven:
“ [verweerster] gaat akkoord met het beëindigen van de arbeidsovereenkomst de datum 1 maart 2024 met Citizens Insurance NA&A wegens pensionering zoals het Huishoudelijk Reglement 2016 artikel 6 lid 3 van Citizens Insurance het citeert.”
Bij beschikking van 18 september 2023 is het hiervoor onder 2.3. vermelde verzoek toegewezen. Daarbij is bepaald dat de geldigheidsduur voor de toestemming drie maanden na datum beschikking bedraagt. Citizens heeft de arbeidsovereenkomst met [verweerster] niet binnen deze termijn opgezegd.
Op 23 februari 2024 is in verband met het vertrek van [verweerster] bij Citizens een afscheidsfeest gegeven. Sindsdien heeft [verweerster] geen werkzaamheden meer verricht voor Citizens.
Bij e-mailbericht van 18 maart 2024 heeft [verweerster] aan de managing director van Citizens het volgende bericht:
“I would like to know under which conditions my employment will continue. Will this be based on my current employment agreement that is still in force?”
Bij e-mailbericht van 20 maart 2024 heeft het hoofd HRM van Citizens aan [verweerster] een van de zijde van Citizens ondertekende concept beëindigingsovereenkomst toegestuurd en daarbij het volgende bericht:
“As promised, I am sending you attached the reference letter and the termination letter from the employee agreement. After this we will make a new agreement with you for the upcoming period as discusses with [belanghebbende 1] and [belanghebbende 2].”
Bij e-mailbericht van 28 maart 2024 heeft [verweerster] de managing director van Citizens het volgende bericht:
“(…) but I have not signed the termination agreement yet as my consent to the termination of my employment by mutual consent is contingent of the contents of the new agreement. (…) I have no objection in the termination of my agreement provided that I can continue working with Citizens as promised.”
Daarop heeft de managing director bij e-mailbericht van dezelfde datum geantwoord dat hij hoopt op een soepele overgang en dat hij openstaat voor de mogelijkheid van “post-pensioen” overeenkomsten met [verweerster] als zelfstandige, zoals besproken.
Bij e-mailbericht van 15 april 2024 aan de managing director van Citizens deelt [verweerster] mee dat zij haar salaris van de maand maart 2024 nog niet heeft ontvangen, dat zij daar nog recht op heeft nu haar dienstverband nog niet is beëindigd en dat zij, indien betaling uitblijft, helaas een advocaat in de arm zal moeten nemen.
Bij e-mailbericht van 2 mei 2024 reageert de managing director van Citizens daarop – voor zover hier van belang – als volgt:
“While I hoped for a smooth transition of your official retirement from Citizens Insurance, there unfortunately seems to be some misunderstanding. Your last employment agreement was terminated automatically (by operation of law) and without any action thereto being required on 29 February 2024. We also kindly refer to article 6 paragraph 3 of our ‘Huishoudelijk Reglement’ which refers to the automatic termination once pension is achieved.
Citizens entered conversations with you about continuing our relationship after you reached the pensionable age, and before your employment was automatically terminated on 29 February 2024 last as mentioned above. As you know, the intention has always been (and still is) to allow you to continue to provide services to our company after reaching pensionable age, however under different terms with a possible contractual basis with less hours. The fact that Citizens entered conversations with you about the possibility of you providing services to our company after you reached the pensionable age, does not change the fact that your last employment agreement with citizens terminated by operation of law on 29 February 2024 (…).
To reiterate, we would still like to offer you the opportunity to enter into a contractual agreement. (…)”
In augustus 2024 heeft [verweerster] haar laptop ingeleverd bij Citizens.
Bij verzoekschrift van 12 juni 2025 heeft [verweerster] een kort geding aanhangig gemaakt tegen Citizens en onder meer looncompensatie, cessantia-uitkering en wettelijke rente gevorderd.
3. Het verzoek en de standpunten van partijen
Citizens verzoekt het gerecht de arbeidsovereenkomst met [verweerster] wegens gewichtige redenen in de zin van gewijzigde omstandigheden, met onmiddellijke ingang voorwaardelijk – namelijk indien en voor zover onherroepelijk in rechte zou komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig zou zijn geëindigd – te ontbinden, zonder aan [verweerster] enige vergoeding toe te kennen, met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten.
Citizens legt aan het verzoek het volgende ten grondslag. Citizens heeft het vertrouwen in [verweerster] verloren. [verweerster] heeft vanaf 28 maart 2024 niets meer van zich laten horen en heeft niet meer met Citizens gecommuniceerd over de eventuele voortzetting van haar arbeidsovereenkomst onder nieuwe voorwaarden. Zij heeft niet meer gereageerd op correspondentie van Citizens ter zake en heeft in augustus 2024 haar werklaptop ingeleverd. Inmiddels zijn ruim zestien maanden verstreken sinds de beëindiging en heeft Citizens vervanging gevonden voor [verweerster]. Onder deze omstandigheden kan van een vruchtbare samenwerking geen sprake meer zijn, aldus Citizens.
verweerster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd strekkende tot afwijzing van het verzoek. [verweerster] heeft in dit verband aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst nimmer formeel tot een einde is gekomen, dat er vanuit Citizens naar haar toe hierover zeer gebrekkig is gecommuniceerd, dat niet aan gestelde voorwaarden is voldaan en gemaakte afspraken niet zijn nagekomen.
4. De beoordeling
Op grond van artikel 7A:1615w lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de werkgever te allen tijde bevoegd zich wegens gewichtige redenen tot de rechter te wenden met het schriftelijk verzoek de arbeidsovereenkomst ontbonden te verklaren. Als gewichtige redenen worden onder meer beschouwd omstandigheden, welke een dringende reden, als bedoeld in artikel 7A:1615o lid 1 BW zouden hebben opgeleverd, indien de dienstbetrekking deswege onverwijld beëindigd ware, alsook veranderingen in de omstandigheden welke van dien aard zijn, dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
Een procedure in een ontbindingsverzoek leent zich in beginsel niet voor uitgebreide bewijslevering. Dat brengt mee dat het gerecht een beslissing moet nemen aan de hand van onbetwiste stukken en onweersproken gelaten stellingen en wat het gerecht aannemelijk voorkomt. Verder geldt dat, nu het verzoek in deze zaak een voorwaardelijk karakter heeft, bij de beoordeling hiervan zal worden uitgegaan van de omstandigheid dat er (nog) sprake is van een bestaande arbeidsovereenkomst. In de regel wordt hetgeen partijen over de rechtsgeldigheid van het einde van de arbeidsovereenkomst in een voorwaardelijke ontbindingsprocedure aanvoeren, dan ook niet bij de beoordeling van een voorwaardelijk ontbindingsverzoek meegenomen.
Het is ten aanzien van dit laatste punt, waar het in deze zaak wringt. Het handelen van [verweerster], op grond waarvan Citizens stelt het vertrouwen in haar te hebben verloren, hangt onlosmakelijk samen met de onduidelijkheid die tussen partijen kennelijk bestaat over de vraag of er nog sprake is van een bestaande arbeidsovereenkomst. Aan Citizens kan worden meegegeven dat vanuit [verweerster] niet altijd even helder en eenduidig is gecommuniceerd, bijvoorbeeld op het moment dat zij in het kader van de procedure voor de ontslagvergunning te kennen heeft gegeven in te stemmen met beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij het bereiken van de leeftijd van 62 jaar, en dat zij zich een afscheidsfeest heeft laten welgevallen. Anderzijds lag het op de weg van Citizens, als werkgever, om duidelijkheid te bieden over het al dan niet tot een einde komen van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Dat had Citizens kunnen doen door tot een formele afronding te komen, waarbij desgewenst nieuwe afspraken konden worden gemaakt voor de toekomstige verhouding tussen partijen. Dat heeft Citizens nagelaten, en het initiatief op dat laatste punt zelfs volledig aan [verweerster] gelaten. Met haar handelen gedurende de laatste werkzame maanden van [verweerster], is het juist Citizens geweest die onduidelijkheid heeft doen ontstaan. Zo heeft Citizens een verzoek ingediend om haar toestemming te verlenen de arbeidsovereenkomst met [verweerster] op te zeggen. Van de daarop gegeven positieve beschikking heeft Citizens evenwel geen gebruik gemaakt. [verweerster] heeft onweersproken gesteld dat Citizens het voor [verweerster] bestemde afschrift van die beschikking in ontvangst heeft genomen en dat zij [verweerster] daarvan niet op de hoogte heeft gebracht. Door het doen van een zodanig verzoek, heeft Citizens ten minste de suggestie gewekt dat die zij die toestemming nodig achtte voor opzegging. In het verlengde hiervan had Citizens, door van die toestemming vervolgens geen gebruik te maken en ook overigens niet formeel op te zeggen, en daarvan geen terugkoppeling naar [verweerster] te geven, er rekening mee moeten houden dat [verweerster] al die tijd van het voortduren van de arbeidsovereenkomst uitging. Ook na het afscheidsfeest voor [verweerster] heeft het handelen van Citizens onduidelijkheid kunnen veroorzaken bij [verweerster]. Zo heeft Citizens [verweerster] nadien nog een concept beëindigingsovereenkomst ter ondertekening toegestuurd. Hiermee is zijdens Citizens de suggestie gewekt dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurde, en dat deze – met wederzijds goedvinden - beëindigd moest worden, alvorens partijen tot nieuwe afspraken konden komen. Aldus is de onduidelijkheid die tussen partijen bestaat over het (voort)bestaan van de arbeidsovereenkomst, in overwegende mate aan Citizens te wijten. Onder deze omstandigheden kan het door Citizens gestelde handelen van [verweerster], dat, zoals door [verweerster] gesteld, voortkomt uit die onduidelijkheid, niet worden aangemerkt als veranderingen in omstandigheden welke van dien aard zijn, dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
Omdat Citizens in het ongelijk wordt gesteld, wordt [verweerster] veroordeeld in de proceskosten. De kosten van [verweerster] worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 1.000 aan gemachtigdensalaris.
Met deze uitspraak wordt geen oordeel gegeven over het al dan niet nog bestaan van de arbeidsovereenkomst. De stellingen van partijen op dit punt staan nog altijd lijnrecht tegenover elkaar. Onder deze omstandigheden acht het gerecht het voorstelbaar dat partijen, mede gelet op de uitkomst van deze procedure en de gelijktijdig gevoerde kortgedingprocedure, aanleiding kunnen zien om met elkaar in gesprek te gaan, ter verkrijging van duidelijkheid ter zake en daarmee ook ter beslechting van mogelijke toekomstige geschillen.
5. De beslissing
Het gerecht:
wijst af het verzochte;
veroordeelt Citizens in de proceskosten van [verweerster] van Cg 1.000 aan gemachtigdensalaris.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en in het openbaar uitgesproken.