GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
zaaknummer: CUR202404437
Beschikking van 11 september 2025
inzake:
[De vrouw],
wonend in [woonplaats],
verzoekster, hierna te noemen: de vrouw,
gemachtigde: mr. L.G. Da Costa Gomez,
tegen
[De man],
wonende in [woonplaats],
verweerder, hierna te noemen: de man,
procederend in persoon,
waarin als belanghebbende wordt aangemerkt:
[De minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: de minderjarige.
1. Het (verdere) verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de tussenbeschikking van 6 mei 2025;
de mondelinge rolbehandeling van 20 mei 2025 waarbij de gemachtigde van de vrouw en een vertegenwoordiger van de Voogdijraad zijn verschenen. Namens de vrouw is een akte financiële gegevens overgelegd;
de mondelinge behandeling op 28 augustus 2025, waarbij aanwezig waren: de vrouw, bijgestaan door haar gemachtigde en een vertegenwoordiger van de Voogdijraad.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. De (verdere) beoordeling
Bij voormelde tussenbeschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Daarbij is tevens bevolen over te gaan tot verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Ter beoordeling van het gerecht ligt de definitieve beslissing omtrent de kinderalimentatie.
Artikel 1:404 lid 1 BW bepaalt dat ouders verplicht zijn om naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Uit het bepaalde in artikel 1:392 BW volgt dat ten aanzien van de minderjarige kinderen de behoeftigheid vaststaat.
Behoefte van de minderjarige
De vrouw heeft gesteld dat de behoefte van de minderjarige Cg 998,32 per maand is.
De man betwist de hoogte van de door de vrouw gestelde behoefte van de minderjarige. Daartoe voert hij aan dat hij bereid is bij te dragen óf in de kosten van benzine en eten ten behoeve van de minderjarige, óf in de kosten van schoolbustransport, maar niet in beide. Daarnaast stelt hij dat, afhankelijk van de situatie van partijen, mogelijk aanspraak bestaat op subsidie. Voorts acht hij de post “onvoorzien” overbodig.
Voorop wordt gesteld dat de man, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen inzicht heeft gegeven in zijn inkomen, waardoor het gerecht de behoefte niet aan de hand van de richtlijnen kinderalimentatie kan vaststellen. Dat komt voor zijn risico. De door de vrouw opgevoerde behoefte wordt als redelijk aangemerkt en zijn door de man onredelijk gemotiveerd weersproken. Voor zover de man stelt dat schoolbuskosten niet naast benzinekosten kunnen worden opgevoerd, geldt dat deze kosten elkaar niet uitsluiten. Het is goed voorstelbaar dat beide kosten zich voordoen in het dagelijks leven van de verzorgende ouder. Voorts betreft de post “onvoorzien” een gangbare en geaccepteerde categorie binnen het alimentatieberekeningskader, bedoeld om onvoorziene of incidentele uitgaven ten behoeve van de minderjarige op te vangen. Het gerecht stelt daarom de behoefte van de minderjarige vast op Cg 998,32 per maand.
Draagkracht vrouw
Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat het gerecht uit van de door de vrouw overgelegde loonstroken van april 2025 waaruit een gemiddeld netto-inkomen blijkt van Cg 1.591,28 per maand. Voor het berekenen van de draagkracht maakt het gerecht in beginsel gebruik van een formule, waarbij rekening wordt gehouden met een forfaitaire woonlast, het bestaansminimum van NAf 1.456 en eventuele niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten. De vrouw heeft aangevoerd dat ze Cg 272 maandelijks aflost aan een MCB-lening aangegaan ten behoeve van woning waardoor het gerecht met dit bedrag rekening zal houden, en dit bedrag als een niet verwijtbare en niet vermijdbare last. Gelet op het vorenstaande becijfert het gerecht de draagkracht van de vrouw op een negatief bedrag.
Draagkracht man
Voor het berekenen van de draagkracht van de man, ontbreken relevante inkomensgegevens van de man. Zoals hiervoor overwogen, komt dat voor zijn rekening en risico.
Voor zover de man zich in algemene bewoordingen beroept op een beperkte draagkracht, heeft hij dit, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd. De man heeft volstaan met het enkel overleggen van een transferbewijs met omschrijving salaria december 2024 en een kostenoverzicht. De man heeft geen onderbouwde stukken overgelegd, zoals salarisstroken, huurcontract, leningsovereenkomst of betalingsbewijzen van onderhoudsbijdragen.
Nu de man geen openheid van zaken heeft gegeven en het gerecht het door de vrouw verzochte bedrag niet onredelijk acht, zal het gerecht het verzochte bedrag toewijzen.
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal het gerecht de proceskosten compenseren.
3. De beslissing
Het gerecht:
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, [De minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats], op Cg 400 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw, met ingang van 1 oktober 2025;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door Y.N, Pietersz, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2025.