GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202501005
Vonnis in kort geding van 27 mei 2025
in de zaak van
EXPLOITATTIEMAATSCHAPPIJ HENDRIKPLEIN N.V.,
te Curaçao,
eisende partij,
gemachtigde: mr. J.E. Lovert,
tegen
1. THE WORLD'S BEST MOJITO BAR B.V.,
te Curaçao,
gedaagde,
rechtsgeldig vertegenwoordigd door: F.B. [gedaagde 2],
en
2. [Gedaagde 2],
te [woonplaats],
gedaagde,
procederend in persoon.
De eisende partij wordt hierna verhuurder genoemd. De gedaagde partij onder één wordt huurder genoemd en gedaagde partij onder twee [Gedaagde 2] en gezamenlijk huurder c.s.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het op 27 maart 2025 door de verhuurder ingediende verzoekschrift met producties;
aanvullende producties aan de zijde van verhuurder op 16 april 2025;
eiswijziging van 17 april 2025;
machtiging van de bestuurder van huurder aan [gedaagde 2] om haar in rechte te vertegenwoordigen;
herstelexploot van 7 mei 2025;
de aanvullende producties aan de zijde van verhuurder op 12 mei 2025;
pleitnota aan de zijde van huurder c.s. van 12 mei 2025;
de mondelinge behandeling van 13 mei 2025;
pleitnotitie aan de zijde van de gemachtigde van de verhuurder;
ter zitting overgelegde foto’s aan de zijde van [gedaagde 2].
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
2. De feiten
Tussen verhuurder en huurder is voor de periode van 1 december 2018 tot 30 november 2021 een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de bedrijfsruimte gelegen aan [adres 1] in [plaats] voor een huurprijs van Cg 2.120,00 (hierna: de bar).
gedaagde 2] heeft zich pro se borg gesteld voor - vrij vertaald - alle verplichtingen voortvloeiende uit voormelde huurovereenkomst.
Verhuurder en huurder hebben na afloop van de overeengekomen huurperiode, steeds opnieuw een huurovereenkomst gesloten waarbij de huurprijs is verhoogd.
Huurder heeft de huur voor de bar vanaf januari 2022 niet steeds tijdig en volledig betaald waardoor er een huurachterstand is ontstaan.
In juli 2023 is tussen huurder en verhuurder een huurovereenkomst gesloten voor de huur van de opslagruimte aan [adres 2] in [plaats] (hierna: de opslag). De huurprijs moet bij vooruitbetaling worden voldaan en bedroeg ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst Cg 530,00 per maand. Huurder heeft de huur voor de opslag vanaf juli 2023 niet elke maand tijdig en volledig voldaan waardoor er een huurachterstand is ontstaan.
De huurprijs voor de bar bedraagt sinds januari 2023 Cg 3.000,00 per maand. Huurder heeft de huur, met uitzondering van de maanden augustus en september 2024, steeds tijdig en volledig voldaan.
Huurder en verhuurder hebben in juli 2023 afspraken gemaakt en afgesproken dat huurder maandelijks Cg 1.500,00 aflost naast de betaling van de maandelijkse huur. Huurder heeft zich niet aan de afspraak gehouden.
Verhuurder heeft huurder op 20 december 2023 gesommeerd om over te gaan tot betaling van Cg 28.821,00 aan achterstallige huurpenningen.
De huur voor de opslag is per januari 2024 verhoogd naar Cg 636,00 per maand.
Tussen huurder en verhuurder is op 22 januari 2024 een vaststellingsovereenkomst gesloten voor onder meer de aflossing van de huurachterstand. Huurder is die overeenkomst niet nagekomen.
Huurder heeft vanaf januari 2024 in het geheel geen huur meer betaald voor de opslag.
3. Het geschil
Verhuurder vordert – na wijziging van eis en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – om:
I. huurder te veroordelen om het gehuurde gelegen aan [adres 1] in [plaats], binnen twee weken na betekening van dit vonnis, met alle personen en zaken die zich van de kant van huurder in en om het gehuurde bevinden, te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van verhuurder te stellen, en te bepalen dat, indien huurder niet binnen de in dit vonnis bepaalde termijn aan de veroordeling tot ontruiming voldoet, te verstaan dat de deurwaarder op grond van de wet- en regelgeving (artikel 555 e.v. Rv) bevoegd is de sterke arm van de politie en justitie in te roepen, en hem alvast toestemming te verlenen voor de vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 557 en 444 lid 2 Rv, althans zodanige beslissing uit te spreken in lijn met het voorgaande als het gerecht in goede justitie zou vermenen te behoren, en
II. huurder te veroordelen om het gehuurde gelegen aan [adres 2] in [plaats], binnen twee weken na betekening van het door het gerecht te wijzen vonnis, met alle personen en zaken die zich van de kant van huurder in en om het gehuurde bevinden, te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Verhuurder te stellen, en te bepalen dat, indien huurder niet binnen de in dit vonnis bepaalde termijn aan de veroordeling tot ontruiming voldoet, te verstaan dat de deurwaarder op grond van de wet- en regelgeving (artikel 555 e.v. Rv) bevoegd is de sterke arm van de politie en justitie in te roepen, en hem alvast toestemming te verlenen voor de vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 557 en 444 lid 2 Rv, althans zodanige beslissing uit te spreken in lijn met het voorgaande als het gerecht in goede justitie zou vermenen te behoren, en
III. huurder c.s. te veroordelen om, zo de een betalende de ander bevrijd zijnde, aan verhuurder tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van Cg 33.061,00 zijnde de achterstallige huurpenningen berekend tot en met maart 2025 vermeerderd met Cg 100,00 per maand voor iedere maand dat de huurpenningen niet uiterlijk op de 7e dag van die maand zijn betaald, vermeerderd 1,5% contractuele rente per maand gerekend over elke huurtermijn die door huurder c.s. niet is voldaan en totdat de gehele schuld zal zijn voldaan, vermeerderd met 15% buitengerechtelijke incassokosten, en vermeerderd met Cg 3.000,- per maand gerekend vanaf 1 april 2025 totdat het gehuurde aan [adres 1] geheel zal zijn ontruimd, en vermeerderd met Cg 636,00 per maand gerekend vanaf 1 april 2025 totdat het gehuurde aan [adres 2] geheel zal zijn ontruimd, vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf 3 juli 2023 totdat de gehele schuld zal zijn voldaan, althans zodanige beslissing uit te spreken in lijn met het voorgaande als het gerecht in goede justitie zou vermenen te behoren, en
IV. met veroordeling van huurder c.s., de een betalende de ander bevrijd zijnde, tot betaling van de proceskosten, het gemachtigdensalaris daaronder begrepen, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten met ingang van 14 dagen na de betekening van het vonnis tot aan de dag van algehele betaling.
Huurder c.s. voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot afwijzing daarvan.
4. De beoordeling
Beoordelingskader kort geding
Voor toewijzing van een vordering tot ontruiming in kort geding - welke toewijzing bijna altijd een definitief karakter heeft - is alleen plaats indien met een zeer grote mate van waarschijnlijkheid de bodemrechter tot eenzelfde oordeel zal komen en de uitkomst van de bodemprocedure, vanwege een spoedeisend belang aan de zijde van verhuurder, niet kan worden afgewacht.
Naar het oordeel van het gerecht heeft verhuurder een spoedeisend belang bij de door haar gevorderde ontruimingen. Verhuurder heeft onweersproken gesteld dat de huurachterstand ondanks dat zij huurder c.s. heeft aangemaand en daarnaast een betalingsregeling met haar heeft getroffen, niet, althans niet voldoende, wordt ingelopen. Het voorgaande maakt dat er een voldoende spoedeisend belang is om tot beoordeling van de vorderingen over te gaan. Voor zover huurder c.s. een beroep op verrekening heeft gedaan wegens de door haar gedane investeringen in de bar, zal dat beroep niet worden gehonoreerd omdat de gegrondheid van dat verweer niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld.
Huurachterstand en borgstelling
Verhuurder heeft gesteld dat de huurachterstand voor de bar ten tijde van het indienen van het verzoekschrift Cg 18.691,00 bedroeg en die achterstand vanwege door huurder c.s. nadien gedane betalingen tot en met 12 april 2025 is afgenomen tot Cg 10.571,00. De huurachterstand voor de opslag berekend tot die datum betreft volgens verhuurder Cg 15.642,00. Huurder c.s. heeft de juistheid van de door verhuurder per 12 april 2025 gestelde achterstanden onvoldoende gemotiveerd betwist en het gerecht zal dan ook uitgaan van de juistheid daarvan met dien verstande dat het gerecht ervan uitgaat de verhuurder de na 12 april 2025 door huurder c.s. gedane betalingen in mindering brengt op de achterstand.
Huurder zal worden veroordeeld tot betaling van de hiervoor vermelde bedragen. De hierover gevorderde rente zal op na te melden wijze worden toegewezen.
gedaagde 2] zal niet worden veroordeeld tot betaling. Hiervoor is redengevend dat verhuurder ter zitting kenbaar heeft gemaakt dat [gedaagde 2] zich niet borg heeft gesteld voor de betalingsverplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst voor de opslag. Een grondslag om [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van de huurachterstand voor de opslag ontbreekt.
Verhuurder heeft weliswaar gesteld dat [gedaagde 2] zich borg heeft gesteld voor de betalingsverplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst voor de bar, maar daarin kan zij niet worden gevolgd. Er is enkel een getekende borgstelling van [gedaagde 2] overgelegd bij de huurovereenkomst voor de bar voor de periode 1 december 2018 tot 30 november 2021. Nadien zijn er nieuwe huurovereenkomsten gesloten, maar nergens blijkt uit dat [gedaagde 2] zich toen wederom borg heeft gesteld. Nu de huurachterstand voor de bar betrekking heeft op de periode vanaf januari 2022 bestaat er geen grondslag om [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van die huurachterstand. De vordering om [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van enig bedrag, zal dan ook worden afgewezen.
Ontruiming
Uit het vorenstaande volgt dat huurder – ten tijde van de behandeling ter zitting – meer dan vijfendertig maanden achterstallig is met betaling van de huurpenningen voor de opslag. In een bodemprocedure valt in dat verband het oordeel te verwachten dat die tekortkoming de ontbinding van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst rechtvaardigt en dat op die grond de ontruimingsvordering van verhuurder zal worden toegewezen. Dat brengt met zich mee dat de thans door verhuurder gevorderde ontruiming van de opslag zal worden toegewezen.
De gevorderde ontruiming van de bar zal daarentegen worden afgewezen. De omvang van de huurachterstand en bijkomende omstandigheden maken dat nu niet op voorhand kan worden geoordeeld dat de bodemrechter met een grote mate van waarschijnlijk zal oordelen dat de bar moet worden ontruimd. Het gerecht stelt vast dat de huurachterstand ten aanzien van de verschuldigde huurpenningen voor de bar op dit moment krap drie maanden betreft. Ook is in overweging genomen dat de lopende huur al geruime tijd tijdig en volledig wordt voldaan. Tevens acht het gerecht van belang dat de ontstane huurachterstand met name in de jaren 2022 en 2023 is ontstaan en dat dit gepaard is gegaan met huurverhogingen. Huurder c.s. heeft verder onweersproken aangevoerd dat het pand bij aanvang van de huur in 2001 - anders dan was overeengekomen - niet in casco staat verkeerde omdat het pand half was afgebrand, er geen elektriciteit aanwezig was, er geen dak was en dat de muren zwaar beschadigd waren. In dat verband heeft huurder c.s. aangevoerd dat zij fors in het pand heeft geïnvesteerd om exploitatie van het bedrijf mogelijk te maken. Al deze omstandigheden maken dat de belangen van huurder bij voortzetting van de huur op dit moment zwaarder wegen dan de belangen van verhuurder bij ontruiming.
Toekomstige termijnen
Huurder moet de huur voor de opslag blijven betalen tot en met de maand waarin zij het gebouw heeft verlaten. Dit deel van de vordering wordt daarom ook toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
Het gerecht acht de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar conform het Procesreglement tot 1,5 punt van het toepasselijke liquidatietarief. Dit komt neer op een bedrag van Cg 1.875,00. Enkel huurder zal hiertoe worden veroordeeld nu er geen grondslag bestaat om [gedaagde 2] hiertoe te veroordelen.
Proceskosten
Huurder zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van verhuurder tot op heden begroot op: explootkosten Cg 410,84
salaris van de gemachtigde Cg 1.000,00
griffierechten Cg 750,00 +
totaal: Cg 2.160,84
Uitvoerbaar bij voorraad
De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.
5. De beslissing in kort geding
Het gerecht:
veroordeelt huurder om het gehuurde aan [adres 2] in [plaats] uiterlijk binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen met alle personen en zaken die zich van de kant van huurder in en om het gehuurde bevinden, en om de sleutels aan verhuurder af te geven,
verstaat dat de deurwaarder, door wie de gedwongen ontruiming zal dienen te geschieden als huurder in gebreke blijft met de ontruiming, op grond van de wet- en regelgeving (artikel 555 e.v. Rv) bevoegd is de sterke arm van politie en justitie in te roepen, en verleent alvast toestemming voor de vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 557 en 444 lid 2 Rv;
veroordeelt huurder tot betaling aan verhuurder van Cg 26.213,00 ter zake de huurachterstand tot en met 12 april 2025 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de uiterlijke betalingstermijn van de desbetreffende huurtermijnen tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt huurder tot betaling aan verhuurder van Cg 636,00 per maand voor iedere ingegane maand vanaf 13 april 2025 tot het tijdstip van ontruiming;
veroordeelt huurder tot betaling aan verhuurder van Cg 1.875,00 ter zake van buitengerechtelijke kosten;
veroordeelt huurder in de proceskosten van verhuurder van Cg 2.160,84, te vermeerderen met Cg 250,00 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150,00 in geval van betekening;
bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. M.R. Hoekstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken.