GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202404770
Vonnis van 25 augustus 2025
in de zaak van
MELBER HOLDING N.V., gevestigd in Curaçao, eiseres, gemachtigde: dhr. M.E. Bergland,
tegen
HET LAND CURACAO,
zetelend te Curaçao, gedaagde, gemachtigden: mr. E.A.M.J. Van den Berg en mr. G.N. Hollander,
met als derde in het geding betrokken partij:
[betrokken partij 1],
wonende in [woonplaats],
gemachtigde: mr. D.M. Wildeman.
Partijen worden hierna Melber, het Land en [betrokken partij 1]genoemd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het tussenvonnis van 26 mei 2025,
de producties van Melber van 7 juli 2025,
de productie van [betrokken partij 1]van 7 juli 2025,
de mondelinge behandeling van 9 juli 2025, waar zijn verschenen Melber, mr. Van den Berg en [betrokken partij 1]bijgestaan door mr. Van Voorst, namens mr. Wildeman.
de pleitnotitie van Melber, met daarin een wijziging van eis.
Vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.
2. De feiten
Melber heeft op 18 november 1991 van J.A.J. Sprock N.V. een perceel grond gekocht, gelegen in het Tweede district van Curacao, ter grootte van ongeveer zevenhonderd vierkante meter, nader omschreven in rooibrief nr. 154/1939, met het daarop gebouwde, destijds plaatselijk bekend als [perceel 1] en thans bekend als [adres 1].
Het aangrenzende gebied ten tijde van de koop door Melber bestond uit ‘mondi’, zijnde onbebouwde beboste grond in eigendom van het Land.
Op het moment van de koop stond er al een muur op het terrein, die diende als afscheiding tussen het perceel en de “mondi” (hierna: de scheidingsmuur).
Melber heeft ten tijde van de koop geen controle uitgevoerd op de erfgrenzen, noch een landmeting laten verrichten.
Het naastgelegen perceel aan [adres 2]is in 1993 door het Land in erfpacht uitgegeven aan de ouders van [betrokken partij 1] en in 2017 aan [betrokken partij 1].
In 2017 heeft het Kadaster in opdracht van Melber de erfgrens tussen de twee percelen opgemeten. Aan de hand van de grensuitzetting van het Kadaster (nr. 13630/2017) is gebleken dat de scheidingsmuur deels over de kadastrale grens van het perceel aan [adres 2]is gebouwd. Het gaat om een strook grond in de vorm van een driehoek, waarvan de lange zijde 9.70 meter en het breedste gedeelte 0.86 meter is (hierna: de strook grond).
Voorts is uit de meting gebleken dat de scheidingsmuur voor een deel op het perceel van Melber staat, waardoor zich aan de kant van [betrokken partij 1]een strook grond met een oppervlakte van 0,74 m² bevindt die volgens de meting bij het perceel van Melber hoort.
Melber en [betrokken partij 1]zijn in afwachting van een uitspraak van het Hof over de vraag of de openingen die Melber in de scheidingsmuur heeft aangebracht in strijd zijn met burenrechtelijke bepalingen.
3. De vordering en de standpunten van partijen
Het gerecht zal de door Melber ter zitting ingediende eiswijziging wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten, gelet op het gevorderde stadium van de procedure en het feit dat het Land en [betrokken partij 1]zich daarop niet hebben kunnen voorbereiden
Melber vordert, met inachtneming van het onder 3.1. overwogene, dat het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat Melber eigenaar is geworden van de strook grond, zoals weergegeven in de plot grensuitzetting van het Kadaster nr. 13630/2017;
voor recht verklaart dat er een erfdienstbaarheid wordt gevestigd tot het handhaven van de bestaande toestand;
het Land veroordeelt om de grond waarop de scheidingsmuur staat aan Melber in eigendom over te dragen, eventueel tegen een schadeloosstelling, met bepaling dat het te dezen te wijzen vonnis in de plaats zal treden van een notariële akte of van de door het Land te verlenen medewerking aan de notariële akte, althans het Land een dwangsom op te leggen van Naf (thans en hierna: Cg) 500 per dag of dagdeel dat het Land niet aan de veroordeling voldoet;
kosten rechtens.
Melber legt aan haar vordering onder a. ten grondslag dat zij door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond. Met haar vordering onder b. bedoelt zij dat wordt toegestaan dat de scheidingsmuur blijft staan. De vordering onder c. baseert zij op haar stelling dat zij gerechtigd is van het Land de strook grond te kopen omdat zij dit vanaf 1991 in gebruik heeft. Melber wijst in dit verband op een aantal vergelijkbare zaken waarbij het Land grond heeft verkocht.
Het Land heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het stelt zich primair op het standpunt dat Melber geen beroep op bevrijdende verjaring toekomt omdat geen sprake is van bezit. Ingebruikneming van overheidsgrond geldt in de regel niet als inbezitneming als bedoeld in artikel 3:113 lid 2 BW, hooguit worden gebruikers van overheidsgrond houders voor de overheid. Subsidiair bepaalt artikel 3:106a BW dat verjaring jegens de overheid is uitgesloten ten aanzien van de bezitter die wist of behoorde te weten dat een onroerende zaak of een recht waaraan deze is onderworpen toebehoort aan de overheid. Van Melber mocht in redelijkheid worden verwacht dat zij bij de koop van de grond de kadastrale grenzen had onderzocht. Zij had dan reeds kunnen constateren dat de scheidingsmuur over de kadastrale grens is gebouwd. Nu zij behoorde te weten dat de strook grond toebehoorde aan het Land is een beroep op verjaring uitgesloten.
betrokken partij 1]heeft ter zitting verklaard dat zij zich schaart achter het standpunt van het Land. Haar belang is dat zij geen (geluids)hinder van Melber ondervindt. Zij verzoekt een vergoeding van haar proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Melber heeft haar perceel in 1991 in eigendom verkregen. Ten tijde van de koop was er reeds een scheidingsmuur aanwezig als afgrenzing met aan het Land toebehorende grond (‘mondi’). De scheidingsmuur vormde daarmee vanaf het begin een fysieke en zichtbare afbakening van het perceel, waaronder de strook grond. Niet in geschil is dat Melber zich vanaf 1991 feitelijk als rechthebbende heeft gedragen. Melber heeft het terrein, inclusief de strook grond en de muur, ook steeds als haar eigendom beschouwd en (bedrijfsmatig) gebruikt. In het bijzonder heeft Melber het terrein afgesloten gehouden voor derden, bebouwd, gebruikt voor haar bedrijven waaronder een fitnesscentrum en de muur (die ook een dragende muur is) verhoogd (vgl. Conclusie P-G d.d. 31 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:380, onder 2.7). Gelet hierop is er geen sprake van ingebruikneming en houderschap, zoals gesteld door het Land, maar van bezit.
In artikel 3:105 lid 1 BW is bepaald dat hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw.
In artikel 3:306 BW is bepaald dat een rechtsvordering verjaart door verloop van 20 jaren. Hieruit volgt dat ten aanzien van de strook grond, de scheidingsmuur alsmede de onderliggende grond de verjaringstermijn in 2011 is volgelopen.
In artikel 3:106a BW staat dat verjaring evenwel is uitgesloten ten aanzien van een bezitter die wist of behoorde te weten dat een onroerende zaak toebehoort aan de overheid. Het gerecht stelt vast dat Melber het perceel niet van het Land maar van J.A.J. Sprock N.V. heeft gekocht, de rooibrief dateert van 1939 toen de meetmethodes minder precies waren en de scheidingsmuur er bij de koop reeds stond terwijl Melber wist dat de omliggende ‘mondi’ eigendom was van het Land. Gelet hierop kan Melber worden tegengeworpen dat zij geen nader onderzoek naar de kadastrale grenzen heeft verricht en dat zij had behoren te weten dat de strook grond toebehoorde aan het Land.
Echter, in de onderhavige procedure kan het beroep van het Land op artikel 3:106a BW niet slagen. Artikel 3:106a BW is eerst in werking getreden op
1 april 2014, waarbij in artikel 3 lid 1 aanhef en onder a van de Landsverordening overgangsrecht nieuw Burgerlijk Wetboek is bepaald dat wanneer het artikel van toepassing wordt dat niet tot gevolg heeft dat iemand een vermogensrecht verliest dat hij onder het tevoren geldende recht had verkregen.
Dit betekent dat, nu artikel 3:106a BW geen terugwerkende kracht heeft en de bezitsperiode reeds in 2011 de vereiste duur heeft bereikt, Melber op grond van artikel 3:105 BW de eigendom heeft verkregen van de strook grond, de muur en de daar onderliggende grond. De gevorderde verklaring van recht zal daarom worden toegewezen. De vorderingen onder b. en c. worden afgewezen, nu daarbij geen belang meer bestaat.
Het voorgaande neemt niet weg dat voor Melber nog steeds de verplichting bestaat om bij gebruik of wijziging van de scheidingsmuur het burenrecht in acht te nemen, waaronder het verbod op onrechtmatige hinder.
Opgemerkt wordt verder dat de vraag kan rijzen of het Land gezien het voorgaande rechten heeft verkregen op de strook grond met een oppervlakte van 0,74 m² die zich aan de zijde van [betrokken partij 1]bevindt. Deze vraag staat echter in de onderhavige procedure niet ter beoordeling.
Nu het Land in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten. De kosten van Melber worden tot aan deze uitspraak begroot op
Cg 450 aan griffierecht en Cg 359,82 aan oproepingskosten. Ten aanzien van [betrokken partij 1]acht het gerecht een compensatie van de proceskosten passend, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
Het gerecht:
verklaart voor recht dat Melber eigenaar is van de strook grond, de scheidingsmuur en de ondergrond van de scheidingsmuur zoals weergegeven in de plot grensuitzetting van het Kadaster nr. 13630/2017;
veroordeelt het Land in de proceskosten van Melber, tot aan deze uitspraak begroot op Cg 809,82;
compenseert ten aanzien van [betrokken partij 1]de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.W.J. Vinkes, rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken.