Parketnummer: 500.00036/25
Uitspraak: 26 september 2025 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[VERDACHTE],
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats],
wonende in [land], [adres] [woonplaats],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2025. De verdachte is verschenen, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. A.N. Sulvaran, advocaat in Curaçao.
Mevrouw E.Z. Snijders, medewerker van de Uitvoeringsorganisatie Justitiële zorg Curaçao, heeft zich namens de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4] en [benadeelde 5], ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met de vorderingen tot schadevergoeding.
De officier van justitie, mr. W.J. de Graaf, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht alle ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van voorarrest. Zijn vordering behelst voorts de volledige toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van een daarbij behorende schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten met betrekking tot mensenhandel en heeft zich ten aanzien van de overige tenlastegelegde feiten gerefereerd. Voorts is verweer gevoerd ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte zijn de feiten ten laste gelegd die zijn vermeld op de dagvaarding en op vordering van de officier van justitie zijn gewijzigd. Afschriften van de dagvaarding en de vordering wijziging tenlastelegging zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1:
zij in de periode van 1 juni 2024 t/m 4 februari 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, een of meer ander(en), te weten
- [ [benadeelde 1]
(sub a)
door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die een of meer vernoemde slachtoffers/ personen,
en/of
(sub c)
heeft aangeworven meegenomen of ontvoert met het oogmerk zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling,
en/of
(sub d)
met een van de in onderdeel a genoemde middelen heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten
dan wel
onder de voornoemde omstandigheden enig handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die een of meer vernoemde slachtoffers/ personen zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten,
en/ of
(sub f)
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die een of meer vernoemde slachtoffers/personen
en/of
(sub i)
met een van de in onderdeel a genoemde middelen heeft gedwongen dan wel bewogen hem/haar te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde,
immers hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s)
terwijl verdachte wist dat [benadeelde 1] in een slechte financiële situatie verkeerde en/of de (financiële) situatie in bepaalde steden in Colombia heel slecht is en/of dat voornoemd slachtoffer het Papiaments en/of de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig was/waren en/of die slachtoffers dat voornoemd slachtoffer (vrijwel) niemand kende in Curaçao en/of geen werkvergunning en verblijfsvergunningen in Curaçao had(den) en aldus volledig afhankelijk was van verdachte(n)
het voornoemde slachtoffer:
Feit 2:
dat zij in de periode van 1 juni 2024 t/m 4 februari 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, een of meer ander(en), te weten
- [ [benadeelde 2]
(sub a)
door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die een of meer vernoemde slachtoffers/ personen,
en/of
(sub c)
heeft aangeworven meegenomen of ontvoert met het oogmerk zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling,
en/of
(sub d)
met een van de in onderdeel a genoemde middelen heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten
dan wel
onder de voornoemde omstandigheden enig handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die een of meer vernoemde slachtoffers/ personen zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten,
en of
(sub f)
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die een of meer vernoemde slachtoffers/personen
en/of
(sub i)
met een van de in onderdeel a genoemde middelen heeft gedwongen dan wel bewogen hem/haar te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde,
immers hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s)
terwijl verdachte wist dat [benadeelde 2] in een slechte financiële situatie verkeerde en/of de (financiële) situatie in bepaalde steden in Colombia heel slecht is en/of dat voornoemd slachtoffer het Papiaments en/of de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig was/waren en/of die slachtoffers dat voornoemd slachtoffer (vrijwel) niemand kende in Curaçao en/of geen werkvergunning en verblijfsvergunningen in Curaçao had(den) en aldus volledig afhankelijk was van verdachte(n)
het voornoemde slachtoffer:
Feit 3:
dat zij in de periode van 1 juni 2024 t/m 4 februari 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, een of meer ander(en), te weten
- [ [benadeelde 3]
(sub a)
door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die een of meer vernoemde slachtoffers/ personen,
en/of
(sub c)
heeft aangeworven meegenomen of ontvoert met het oogmerk zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling,
en/of
(sub d)
met een van de in onderdeel a genoemde middelen heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten
dan wel
onder de voornoemde omstandigheden enig handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die een of meer vernoemde slachtoffers/ personen zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten,
en/ of
(sub f)
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die een of meer vernoemde slachtoffers/personen
en/of
(sub i)
met een van de in onderdeel a genoemde middelen heeft gedwongen dan wel bewogen hem/haar te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde,
immers hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s)
terwijl verdachte wist dat [benadeelde 3] in een slechte financiële situatie verkeerde en/of de (financiële) situatie in bepaalde steden in Colombia heel slecht is en/of dat voornoemd slachtoffer het Papiaments en/of de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig was/waren en/of die slachtoffers dat voornoemd slachtoffer (vrijwel) niemand kende in Curaçao en/of geen werkvergunning en verblijfsvergunningen in Curaçao had(den) en aldus volledig afhankelijk was van verdachte(n)
het voornoemde slachtoffer:
Feit 4:
zij in de periode van 1 juni 2024 t/m 4 februari 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, een of meer ander(en), te weten
- [ benadeelde 4]
(sub a)
door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die een of meer vernoemde slachtoffers/ personen,
en/of
(sub c)
heeft aangeworven meegenomen of ontvoert met het oogmerk zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling,
en/of
(sub d)
met een van de in onderdeel a genoemde middelen heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten
dan wel
onder de voornoemde omstandigheden enig handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die een of meer vernoemde slachtoffers/ personen zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten,
en/ of
(sub f)
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die een of meer vernoemde slachtoffers/personen
en/of
(sub i)
met een van de in onderdeel a genoemde middelen heeft gedwongen dan wel bewogen hem/haar te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde,
immers hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s)
terwijl verdachte wist dat [benadeelde 4] in een slechte financiële situatie verkeerde en/of de (financiële) situatie in bepaalde steden in Colombia heel slecht is en/of dat voornoemd slachtoffer het Papiaments en/of de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig was/waren en/of die slachtoffers dat voornoemd slachtoffer (vrijwel) niemand kende in Curaçao en/of geen werkvergunning en verblijfsvergunningen in Curaçao had(den) en aldus volledig afhankelijk was van verdachte(n)
het voornoemde slachtoffer:
Feit 5:
zij in de periode van 1 juni 2024 t/m 4 februari 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, een of meer ander(en), te weten
- [ benadeelde 5],
(sub a)
door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die een of meer vernoemde slachtoffers/ personen,
en/of
(sub c)
heeft aangeworven, meegenomen of ontvoert met het oogmerk zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling,
en/of
(sub d)
met een van de in onderdeel a genoemde middelen heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten
dan wel
onder de voornoemde omstandigheden enig handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die een of meer vernoemde slachtoffers/ personen zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten,
en/ of
(sub f)
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die een of meer vernoemde slachtoffers/ personen
en/of
(sub i)
met een van de in onderdeel a genoemde middelen heeft gedwongen dan wel bewogen hem/haar te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde,
immers heeft zij, verdachte, en/of haar mededader(s)
terwijl verdachte wist dat [benadeelde 5] in een slechte financiële situatie verkeerde en/of de (financiële) situatie in bepaalde steden in Colombia heel slecht is en/of dat dat voornoemd slachtoffer het Papiaments en/of de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig was/waren en/of voornoemd slachtoffers (vrijwel) niemand kende in Curaçao en/of geen werkvergunning en verblijfsvergunningen in Curaçao had(den) en aldus volledig afhankelijk was van verdachte(n)
het voornoemde slachtoffer:
Feit 6:
dat zij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2024 t/m 04 februari 2025 te Curaçao en/of Colombia (telkens), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, uit winstbejag, en uit beroep of gewoonte, [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 4] en/of [slachtoffer 1], en/of [slachtoffer 2], en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] een of meer andere personen
behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of verblijf in Curaçao of een of meerdere van die bovengenoemde personen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft/hebben verschaft terwijl zij, verdachte en/of haar mededaders wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat de aanwezigheid van een of meerdere van die bovengenoemde personen en/of die toegang en/of dat verblijf wederrechtelijk was/waren,
immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s),
Feit 7:
dat zij op een of meerder tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni t/m 04 februari 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, uit winstbejag, (en uit beroep of gewoonte,) [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 4] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] een of meer andere personen, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Curaçao hebben verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling van arbeid heeft doen verrichten, terwijl zij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die toegang of dat verblijf wederrechtelijk was.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
Bewijsoverwegingen
Op 22 januari 2025 omstreeks 21:40 uur is een controle uitgevoerd bij de [bar 1] bar aan de [adres]. Er werden vijf vrouwen, allen werkzaam bij voorgenoemde bar, aangehouden. Het vermoeden bestond dat zij werkzaam waren als zogenoemde ‘trago-meisjes’. Het is een feit van algemene bekendheid dat hiermee in Curaçao wordt gedoeld op ongedocumenteerde migranten die onder uitbuitende omstandigheden werkzaam zijn, wat kan duiden op mensenhandel en daarmee gepaard gaande mensensmokkel. De vraag die in deze zaak beantwoord moet worden, is of daarvan in dit geval sprake is.
Feiten en omstandigheden
Het Gerecht stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen – samengevat – de volgende feiten en omstandigheden vast.
De in de bewezenverklaring genoemde vrouwen zijn vanuit Colombia naar Curaçao gekomen om te werken. De vrouwen verklaren dat zij in Colombia contact hadden met [medeverdachte] (de medeverdachte) en/of [contactpersoon]. Er werd aan hen verteld dat zij in een bar zouden werken om te ficheren (drankjes verkopen). Het was voor sommige vrouwen op dat moment al duidelijk dat zij ook betaald sekswerk met klanten konden verrichten. De vrouwen, met uitzondering van de getuige [benadeelde 4], tekenden een contract waarin onder andere de werktijden, werkzaamheden en de boetes stonden vermeld. [contactpersoon] en/of [medeverdachte] regelde vervolgens de reis. Zij kregen instructies en geld om de grens te kunnen passeren bij aankomst op het vliegveld van Curaçao. In Curaçao verbleef een deel van de vrouwen in de woning van de verdachte ([verdachte] genoemd) en de medeverdachte [medeverdachte], waar zij verbleven in gedeelde slaapkamers en in slechte hygiënische omstandigheden. De vrouwen verrichten allemaal werkzaamheden als zogenaamd trago-meisje in de [bar 1] bar die op naam van de verdachte is geregistreerd. De werkzaamheden als trago-meisje hielden in dat klanten van de bar door de vrouwen bediend en geamuseerd moesten worden met als doel dat de klanten in de bar drankjes voor hen zouden kopen. De omstandigheden waaronder de vrouwen deze werkzaamheden verrichtten, hielden onder meer in dat zij zes dagen per week werkten van de (vroege) avond tot in de nacht, waarbij zij niet daadwerkelijk een geldbedrag aan salaris ontvingen, maar het bedrag dat door hen werd ‘verdiend’ met de verkoop van drankjes werd verrekend met hun ‘schuld’. De vrouwen werden geconfronteerd met die schuld vanwege de reis die zij vanuit Colombia naar Curaçao hadden gemaakt. Deze schuld moest binnen korte tijd worden terugbetaald en nam ook steeds toe doordat aan de vrouwen kosten in rekening werden gebracht voor onder meer de huisvesting en het eten. Ook kon de bestaande schuld steeds verder toenemen doordat boetes werden opgelegd op het overtreden van de regels die golden binnen de bar waar de vrouwen werden tewerkgesteld, zoals het verbod om de mobiele telefoon tijdens het werk te gebruiken of om te laat te komen. De vrouwen hebben, met uitzondering van de getuige [benadeelde 5], ook betaald sekswerk verricht met klanten van de bar, waarbij ze geld afdroegen aan de verdachte. De vrouwen hebben geen of nagenoeg geen salaris overgehouden aan hun werk vanwege hun ‘schuld’ en het boetesysteem. De vrouwen waren niet in het bezit van een werkvergunning en verbleven onrechtmatig op het eiland.
Inhoudelijke beoordeling
Het Gerecht dient de vraag te beantwoorden of bij de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden sprake is geweest van mensenhandel in de zin van artikel 2:239 Sr en of de verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt.
Uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot artikel 2:239 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de jurisprudentie over dit wetsartikel volgt dat mensenhandel is gericht op uitbuiting. De strafbaarstelling van mensenhandel stelt het belang van het individu steeds voorop. Dat belang is het behoud van de lichamelijke en geestelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Bij mensenhandel moet altijd uitgegaan worden van de intentie van de dader, niet van die van het slachtoffer.
De in artikel 2:239 Sr verboden gedragingen beïnvloeden de wil, waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. Dit gebrek aan een vrije keuze komt nader tot uitdrukking in de verschillende bestanddelen die van artikel 2:239 Sr deel uitmaken.
Dwangmiddelen: misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie (art. 2:239 lid 1 sub a Sr)
Het begrip ‘dwang’ moet ruim worden uitgelegd en worden bekeken in de hele context waarin de handelingen van de verdachte plaatsvonden. Het slachtoffer zal door aanwending van dwang tegen zijn zin in een situatie van uitbuiting zijn gebracht, waarin zij, als zij daartoe weerstand had kunnen bieden, niet terecht zou zijn gekomen. Daarbij doet het niet ter zake dat de dwang op een ander in het algemeen geen indruk zou maken.
De in de wet genoemde misbruikdwangmiddelen, te weten ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’ hebben feitelijke betekenis. Deze dwangmiddelen, die objectief moeten worden vastgesteld, kunnen elkaar deels overlappen. De misbruikdwangmiddelen kunnen veelal uit de omstandigheden worden afgeleid. De verdachte moet zich bewust zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeide of verondersteld wordt voort te hebben gevloeid, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer. Niet is vereist dat doelbewust misbruik is gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer, evenmin is vereist dat het initiatief van de verdachte is uitgegaan.
Met betrekking tot het bestanddeel ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ geldt dat misbruik kan worden verondersteld indien de tewerkgestelde in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige werknemer in Curaçao pleegt te verkeren.
Met betrekking tot het bestanddeel ‘een kwetsbare positie’ geldt dat dit begrip in de wet is gedefinieerd in die zin dat daaronder mede wordt begrepen: “een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan”.
Uit de verklaringen van de getuigen kan worden afgeleid dat zij hun land Colombia hebben verlaten in verband met de (zeer) slechte economische omstandigheden aldaar. Zij verklaren dat zij geen of onvoldoende werk konden vinden terwijl sommigen de zorg droegen voor (een) minderjarige kind(eren) en er sprake was van (een) schuld (en). Zij zijn zonder werk- of (geldige) verblijfsvergunning naar Curaçao gekomen. De vrouwen kwamen Curaçao aldus illegaal binnen, kenden het land niet, spraken de taal niet en hadden geen of onvoldoende eigen geld bij zich. Zij waren voor huisvesting (met uitzondering van [benadeelde 3] en [benadeelde 5]) en tewerkstelling afhankelijk van de verdachten.
Het Gerecht is van oordeel dat de vrouwen zich aldus in een kwetsbare positie bevonden en dat uit de bovengenoemde omstandigheden ook voortvloeit dat sprake was van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Uit de getuigenverklaringen volgt genoegzaam dat de verdachte zich hiervan bewust is geweest.
Uitbuiting
Het in artikel 2:239, eerste lid Sr voorkomende bestanddeel (oogmerk van) uitbuiting is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de (niet limitatieve) opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten.
Uit jurisprudentie (vergelijk: Hoge Raad 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554) volgt dat (het oogmerk van) 'uitbuiting' moet worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van artikel 2:239, eerste lid aanhef en onder d Sr. De verweten gedragingen kunnen eerst dan als mensenhandel als bedoeld in artikel 2:239, eerste lid aanhef en onder d, Sr worden bestraft, indien uit de bewijsvoering volgt dat is voldaan aan de voorwaarde dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.
De vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van de vraag komt – in ieder geval wanneer het gaat om tewerkstelling buiten de sector van de seksuele dienstverlening – onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten activiteit, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald. Een voorbeeld in dit kader is bijvoorbeeld een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Curaçaose samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Ten aanzien van de seksuele uitbuiting geldt dat de instemming van de betrokkene met de werkzaamheden niet in de weg staat aan een bewezenverklaring, een beperking van de keuzevrijheid is voldoende. Een uitbuitingssituatie kan aan de orde zijn als de prostitué(e) illegaal in het land verblijft waar zij tewerk wordt gesteld. Niet nodig is dat de uitbuiting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en evenmin is een zelfstandig vereiste dat het slachtoffer door de verdachte in de uitbuitingssituatie – dat wil zeggen: een situatie die de gelegenheid tot uitbuiting schiep – is gebracht. Ook kan van een uitbuitingssituatie sprake zijn als voor het slachtoffer de mogelijkheid bestaat om zich aan de uitbuitingssituatie te onttrekken.
Het Gerecht benadrukt ten slotte dat het enkele aanwenden van voornoemde dwangmiddelen op zich zelf beschouwd niet reeds uitbuiting oplevert, maar dat (het oogmerk van) uitbuiting met zich brengt dat sprake moet zijn van een ernstige inbreuk op de lichamelijke en/of geestelijke integriteit en/of de persoonlijke vrijheid van betrokkenen.
Het Gerecht overweegt dat in de onderhavige zaak de vrouwen, die verkeerden in een afhankelijke en kwetsbare positie, in hun keuzevrijheid werden beperkt met betrekking tot de werktijden, de in de kern hun vrijheid sterk beperkende regels, de hoeveelheid klanten, de aard van de werkzaamheden en hun inkomsten door verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte]. Gezien het geheel van de omstandigheden, waaronder mede het hierboven overwogene omtrent beginschuld, loon en boetesysteem, waarbij het merendeel van de vrouwen zich genoodzaakt zag om ook seksuele diensten te verrichten om op die wijze de aan hen opgelegde geldschuld af te betalen, maakt dat naar het oordeel van het Gerecht sprake is geweest van een ernstige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van de vrouwen en dat sprake is van uitbuiting door de verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte]. De uitbuiting vond naar het oordeel van het Gerecht doelbewust en systematisch plaats. Het Gerecht acht dan ook bewezen dat het oogmerk van de verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] op de uitbuiting was gericht.
Gedragingen: werven, vervoeren, overbrengen en huisvesten
Het Gerecht is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] met voornoemde middelen de vrouwen hebben geworven, vervoerd en gehuisvest. Dit leidt tot de conclusie dat hetgeen ten laste is gelegd met betrekking tot artikel 2:239 lid 1 sub a Sr bewezen wordt geacht.
Art. 2:239 lid 1 sub c, d, f en i Sr
Met inachtneming van het voorgaande en op grond van de bewijsmiddelen acht het Gerecht ook bewezen dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] voornoemde dwangmiddelen instrumenteel hebben ingezet om zo de vrouwen ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling (sub c), hen te bewegen tot het verrichten van arbeid (sub d), en het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting en de opbrengsten van de seksuele diensten (sub f en i). De Hoge Raad heeft ten aanzien van de subartikelen f en i bepaald dat het opzet gericht dient te zijn op zowel het voordeel trekken als de uitbuiting van een ander. Dat verdachten daadwerkelijk handelden met het oogmerk van uitbuiting en financieel voordeel trekken vloeit naar het oordeel van het Gerecht voort uit hetgeen reeds is overwogen ten aanzien van de dwangmiddelen. Het op deze wijze financieel voordeel behalen uit werkzaamheden die door een ander onder deze omstandigheden worden verricht terwijl er sprake is van dwang, leidt tot het oordeel dat sprake is geweest van (dubbel) opzet.
Oogmerk en medeplegen
Het Gerecht heeft zich gebogen over de vraag of de betrokkenheid van de medeverdachte [medeverdachte] bij de onder 1, 2 en 4 genoemde feiten moet worden gekwalificeerd als medeplegen (primair ten laste gelegd) of als medeplichtigheid (subsidiair ten laste gelegd).
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. (Vgl. HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1249).
Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het Gerecht onder meer het volgende af. De medeverdachte [medeverdachte] wierf de vrouwen vanuit Colombia en bracht hen in contact met de persoon - door de vrouwen ‘[contactpersoon]’ genoemd - die hun reis naar Curaçao vervolgens regelde. Hij heeft [benadeelde 1] en [benadeelde 2] vanaf het vliegveld opgehaald en naar zijn woning gebracht. De vrouwen verbleven in de woning waar ook de verdachten woonde. De getuige [benadeelde 1] heeft verklaard dat de medeverdachte [medeverdachte] haar tweemaal naar het werk in de [bar 1] bar heeft gebracht. Zij verklaart ook dat hij alles besprak met de verdachte en dat zij drieën (de beide verdachten en [contactpersoon]), samenwerken, ze noemt hen ‘schakels in de keten’. Zij verklaart dat de medeverdachte [medeverdachte] ten opzichte van haar geen rol had. Zij verklaart in dit verband dat er dames zijn van [medeverdachte], van [contactpersoon] en van [verdachte]. Dit wordt bevestigd door de getuige [benadeelde 5]. [medeverdachte] werkte in de [bar 2] bar en zijn dames werkten daar. De getuige [benadeelde 2] verklaart dat [medeverdachte] en [verdachte] haar vertelden over de schuld die in zes weken moest worden afbetaald. [medeverdachte] werkte elders, maar wist van de regels, instructies en de boetes. Ook de getuige [benadeelde 4] verklaart dat [medeverdachte] haar vertelde dat ze in een bar zou gaan werken en dat ze met een schuld zou beginnen. Met hem maakte ze (mondelinge) afspraken. Hij heeft haar alles over het werk in de bar van [verdachte] uitgelegd. Ze moest hem betalen. [medeverdachte] heeft haar ook geld gegeven voor een paspoort om de reis naar Curaçao te kunnen maken. Ze verklaart dat [medeverdachte] degene is die de dames vanuit Colombia naar Curaçao haalt.
In het dossier zitten voorts aanwijzingen dat de medeverdachte [medeverdachte] ervan op de hoogte was dat de vrouwen ook seksuele diensten verrichten. Zo verklaart de getuige [benadeelde 1] bij de rechter-commissaris dat de medeverdachte [medeverdachte] dit wist. Het Gerecht acht het bovendien onaannemelijk dat hij hiervan geen wetenschap had, gelet op zijn nauwe samenwerking met de verdachte en de wijze waarop het onderliggende 'systeem' rondom de vrouwen was georganiseerd.
Ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte verklaren de getuigen nagenoeg gelijkluidend. Zij was degene die de [bar 1] bar runde, de vrouwen instructies gaf over het werk, het geld inde, de boetes oplegde en de administratie bijhield. De vrouwen verklaren over het ‘contract van [verdachte]’. Verder blijkt uit de voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen dat zij degene was die op vrouwen druk heeft uitgeoefend om zich te prostitueren om aan geld te komen zodat zij de schuld zo snel mogelijk konden afbetalen. Zij communiceerde met zowel [ medeverdachte] als [contactpersoon], en hield de vrouwen een werkvergunning voor. De getuige [benadeelde 5] verklaart dat zij in Colombia contact had met [verdachte] over het werk in Curaçao en dat zij de dingen met betrekking tot de reis moesten afstemmen met [contactpersoon]. De getuigen verklaren dat zij hen slecht bejegende en dreigde met deportatie.
Conclusie
Hoewel uit het dossier naar voren komt dat de medeverdachte [medeverdachte] niet met elk slachtoffer in gelijke mate bemoeienis heeft gehad, is het Gerecht van oordeel dat zijn rol moet worden bezien in de bredere context van het ‘systeem’ waarin de onderhavige vrouwen verzeild raakten. Naar het oordeel van het Gerecht vervulden de verdachten ieder een eigen, elkaar wederzijds aanvullende en essentiële rol bij het tot stand brengen en/of in stand houden van de uitbuitingssituatie. Zoals een getuige het treffend heeft verwoord, fungeerden zij als schakels in één keten. Naast voornoemde getuigenverklaringen vindt dit naar het oordeel van het Gerecht ook voldoende steun in de diverse tapgesprekken in het dossier, waaruit volgt dat er nauw overleg tussen de verdachten is.
Op basis van de hierboven geformuleerde uitgangspunten, en met inachtneming van al hetgeen het Gerecht in dit kader heeft overwogen, komt het Gerecht dan ook tot het oordeel dat de verdachten elk in zodanige mate hebben bijgedragen aan de uitbuiting van de slachtoffers, dat zij hiervoor gezamenlijk verantwoordelijk dienen te worden gehouden. Er is derhalve sprake van een bewuste en nauwe samenwerking in de zin van medeplegen. Gelet op het hiervoor overwogene acht het Gerecht dit ook wettig en overtuigend bewezen ten aanzien van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op de seksuele uitbuiting.
Het Gerecht acht aldus bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel zoals tenlastegelegd onder de feiten 1 t/m 5. De medeverdachte [medeverdachte] zal bij gelijktijdig vonnis worden vrijgesproken van de feiten zoals tenlastegelegd onder 3 en 5 ([benadeelde 3]en [benadeelde 5]). Uit het voorhanden zijnde dossier blijkt evenwel voldoende dat de verdachte ten aanzien van deze feiten ook met (ten minste) een ander in nauwe samenwerking heeft gehandeld, en dat ook die feiten moeten worden gekwalificeerd als medeplegen.
Overweging met betrekking tot feit 6: mensensmokkel
Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen en de daaruit volgende gedragingen van de verdachten volgt dat de verdachten zich eveneens schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van mensensmokkel. Het Gerecht overweegt dat de verdachten bij het verschaffen van het verblijf aan de slachtoffers zelf rechtstreeks betrokken zijn geweest. Bij het verschaffen van de toegang tot Curaçao was hun rol weliswaar minder zichtbaar, maar gelet op de hierboven weergegeven rol van medepleger acht het Gerecht ook dit gedeelte van de tenlastelegging bewezen. Uit de aard van de bewezen feiten en omstandigheden ten aanzien van de mensenhandel, volgt reeds dat hierbij sprake was van plegen uit beroep en winstbejag.
Overweging met betrekking tot feit 7: werkverschaffing aan illegalen
De vrouwen hebben verklaard allemaal in de [bar 1] bar te hebben gewerkt. Zij verklaren dat dit de bar van ‘[verdachte]’, de verdachte was. Dit is ook door de verdachte bevestigd en blijkt tevens uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel. De vrouwen verbleven op basis van een toeristenvisum in Curaçao en waren derhalve niet gerechtigd te werken. Door het onder die omstandigheden verrichten van arbeid ontstaat een wederrechtelijk verblijf. Voorts kan bij het bestaan van een verblijfstitel toch een wederrechtelijk verblijf worden aangenomen indien duidelijk blijkt dat die titel op grond van onjuiste informatie is verleend en niet zou zijn verleend zonder die onjuiste informatie. In het onderhavige geval is daarvan naar het oordeel van het Gerecht eveneens sprake. Zo kregen de vrouwen een geldbedrag om daarmee een toeristenvisum te kunnen verkrijgen, maar dit geldbedrag was niet van henzelf en moesten zij teruggeven zodra zij in Curaçao waren aangekomen. Hiervoor is reeds overwogen dat uit het dossier genoegzaam blijkt dat de verdachte wetenschap had van deze omstandigheden.
Gelet op al het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, acht het Gerecht het onder 3 ten laste gelegde bewezen.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder 1 tot en met 5 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:239 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
telkens medeplegen van mensenhandel.
Het onder 6 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:154 lid 1 onder b en lid 3 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van mensensmokkel, in de uitoefening van een beroep, meermalen gepleegd.
Het onder 7 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:155, lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
werkverschaffing aan illegalen, in de uitoefening van een beroep, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Met betrekking tot de ernst van het bewezen verklaarde wordt het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig gemaakt aan mensenhandel, mensensmokkel en tewerkstelling van illegalen. Dit zijn zeer ernstige strafbare feiten, gelet op de grove inbreuk die hierbij wordt gemaakt op fundamentele rechten als de menselijke waardigheid en de persoonlijke vrijheid. De lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers wordt geheel ondergeschikt gemaakt aan het geldelijk gewin van de daders. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke strafbare feiten nog geruime tijd ernstige psychische en emotionele schade kunnen ondervinden. Het Gerecht benadrukt hierbij dat de verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] een duidelijke en doelgerichte werkwijze had waarbij zij – met de schuld, het boetesysteem en de werkvergunning - een verdienmodel hebben ontwikkeld waarbij zij financieel gewin hebben behaald.
Daarbij kan de verdachte worden beschouwd als degene die de feitelijke leiding had over de zogenoemde ‘trago-meisjes’ en hen vertelde wat zij moesten doen. Zij moesten zich aan strikte regels houden waar de verdachte streng op controleerde. De omstandigheid dat de slachtoffers op zoek waren naar een beter leven hier in Curaçao en het feit dat er op deze wijze van hen misbruik is gemaakt, neemt het Gerecht de verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] zeer kwalijk. Dit geldt des te meer nu de verdachte heeft verklaard zelf ooit ook om dezelfde reden naar Curaçao te zijn geëmigreerd.
Het Gerecht heeft acht geslagen op de strafkaart en een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 februari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de hierboven beschreven ernst van het bewezen verklaarde dan ook niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
De door de officier van justitie gevorderde straf acht het Gerecht echter, gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, aan de hoge kant. Het Gerecht is, na een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
De vorderingen benadeelde partij
De slachtoffers [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4] en [benadeelde 5] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Ieder van hen vordert een schadevergoeding van Cg 20.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot de gehele en hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht om niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen gelet op de bepleitte vrijspraken, dan wel vanwege het feit dat de beoordeling een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. Subsidiair heeft zij verzocht de vorderingen af te wijzen vanwege onvoldoende onderbouwing.
Het oordeel van het Gerecht
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks immateriële schade hebben geleden door de bewezenverklaarde feiten. De grondslag voor toekenning van deze schade is gelegen in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek, te weten aantasting in de persoon op andere wijze. In het geval van de benadeelde partijen gaat het om een uitbuitingssituatie waarin zij onder meer seksuele diensten hebben verricht. Dit laatste geldt niet voor het slachtoffer [benadeelde 5], maar zij verklaart dat zij, juist omdat zij die seksuele diensten niet wilde verrichten, honger leed en zich langer in de uitbuitingssituatie bevond nu ze haar schuld hierdoor minder snel kon afbetalen. Het Gerecht is dan ook van oordeel dat het in alle gevallen gaat om een vergaande schending van de persoonlijke vrijheid en lichamelijke integriteit. Naar het oordeel van het Gerecht brengen de aard en ernst van deze normschending met zich dat de gevolgen van dit feit zo voor de hand liggen dat hierdoor reeds een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van Cg. 20.000,00 in alle gevallen redelijk en zal de verzoeken om immateriële schade daarom geheel toewijzen.
De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van:
Tot slot zal de rechtbank aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel, als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd. Ook zal het Gerecht haar veroordelen in de proceskosten.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met de medeverdachte [medeverdachte] of een ander heeft gepleegd, is zij hiervoor hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de ander een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:78, 1:123, 1:136, 2:154, 2:155 en 2:239 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 42 (tweeënveertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4] en [benadeelde 5] geleden schade toe tot een bedrag van Cg 20.000,00 (zegge: twintigduizend Caribische gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf:
tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partijen;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partijen de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van telkens Cg 20.000,00 (zegge: twintigduizend Caribische gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door telkens 135 (honderdvijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf telkens de hierboven genoemde data tot aan de dag van de voldoening;
bepaalt dat indien en voor zover (een van) de mededader(s) van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald aan de benadeelde partij of het Land, de verdachte in zoverre is bevrijd van voormelde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan het Land;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. Y.C. Bours, bijgestaan door mr. L.G. Reina, (zittingsgriffier), en op 26 september 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.