GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak
in het geding tussen:
[naam laboratorium] B.V.,
eiseres,
gevestigd te Curaçao,
gemachtigde: mr. A.C. van Hoof,
en
de directeur van de Sociale Verzekeringsbank,
verweerster,
gemachtigde: mr. S.S.J. Vierbergen
Partijen worden in deze uitspraak hierna [eiseres] en de SVB genoemd.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van [eiseres] tegen de afwijzing door de SVB van haar verzoek om een code en een tarief voor een mobiele trombosedienst.
De SVB heeft dit verzoek van [eiseres] afgewezen bij beschikking van 4 april 2023 (de primaire beschikking). [eiseres] heeft tegen die beschikking bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 18 december 2024 (de bestreden beschikking) heeft de SVB het bezwaar ongegrond verklaard.
eiseres] heeft op 19 februari 2025 tegen de bestreden beschikking een beroepschrift ingediend en op 4 april 2025 aanvullend de beroepsgronden. De SVB heeft op 21 mei 2025 met een verweerschrift op het beroep gereageerd. Op 23 oktober 2025 heeft [eiseres] per email een nadere toelichting ingediend.
Het Gerecht heeft het beroep op 29 oktober 2025 ter zitting behandeld. [eiseres] is verschenen, vertegenwoordigd door haar directeur [directeur eiseres] en haar gemachtigde. Ook is zijdens [eiseres] verschenen [medewerker eiseres], klinisch chemicus. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door [medewerker SVB] en haar gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft mr. Van Hoof op verzoek van het Gerecht het Landsbesluit Medisch Tarief Sociale Verzekeringen 2001 (Lb MTSV) met bijlagen gemaild. Het Gerecht had ook verzocht om toezending van de beslissing van de SVB om [eiseres] in te schijven als medewerkende op grond van artikel 2 van de Regeling Medewerking aan de Sociale Verzekeringen 1960 (RMSV). Mr. Van Hoof noch de SVB heeft het Gerecht van de schriftelijke vastlegging van die beslissing kunnen voorzien.
Beoordeling door het Gerecht
Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van [eiseres].
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van [eiseres] gegrond is. De beroepsgrond over de wettelijke grondslag van de beslissing van de directeur van de SVB slaagt, in zoverre dat de bevoegdheid van artikel 2 van de RMSV in de onderhavige zaak niet zover strekt dat de SVB het verrichtingenpakket van [eiseres] kan beperken. De bestreden beschikking wordt daarom vernietigd. Het Gerecht zal de SVB opdragen een nieuwe beschikking op het bezwaar van [eiseres] te nemen. Daarbij moet de SVB deze uitspraak in acht nemen.
Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3. [ eiseres] beoogt een mobiele trombosedienst aan te bieden, waarbij bij patiënten thuis of in een verpleeginstelling een INR-test wordt gedaan. Een INR-test houdt in een meting van de stollingswaarde van het bloed. Op 21 april 2020 dient [eiseres] een verzoek in bij de minister van Gezondheidszorg, Milieu en Natuur (GMN) ter verkrijging van een vergunning voor deze trombosedienst op grond van de Landsverordening zorginstellingen. Op diezelfde datum richt [eiseres] zich tot de SVB met het verzoek om een SVB-code en een tarief voor INR-testen voor een trombosedienst op locatie. [eiseres] ontvangt op 7 februari 2022 van de minister GMN de gevraagde vergunning voor uitbreiding van diensten, te weten een trombosedienst bestaande uit het prikken aan huis en het bepalen van de stollingswaarde. Op 14 april 2022 herhaalt [eiseres] haar verzoek aan de SVB om een SVB-code en een tarief en voegt de verkregen vergunning van de minister bij deze brief. Bij beschikking van 4 april 2023 wijst de SVB het verzoek van [eiseres] af.
Waarom heeft de SVB het verzoek van [eiseres] afgewezen?
4. De SVB baseert haar primaire beschikking op artikel 2 van de Regeling Medewerking aan de Sociale Verzekeringen 1960 (de RMSV) en vat het verzoek van [eiseres] in het kader van dat artikel op als een verzoek om uitbreiding van haar zorg. Volgens de SVB is uit gesprekken met zorgverleners van betrokken zorggebieden, waaronder cardiologie, gebleken dat de huidige trombosedienst reeds kwalitatief goed en toegankelijk is. Een tweede trombosedienst zonder nauwe samenwerking met de bestaande trombosedienst (bijvoorbeeld op het gebied van gegevensuitwisseling over medicatiegebruik) leidt tot meer versnippering en brengt de zorg aan patiënten in gevaar. De kwaliteit en doelmatigheid worden daardoor niet bevorderd. Daarnaast is sprake van een dalende trend in het aantal patiënten dat gebruik maakt van een trombosedienst.
In de bezwaarprocedure heeft de SVB zich bij het geven van de bestreden beschikking laten adviseren door de bezwaaradviescommissie. De SVB verklaart het bezwaar ongegrond omdat het opnemen van een additionele trombosedienst niet doelmatig is vanwege de daling in het aantal patiënten.
Wat voert [eiseres] aan en wat vindt het Gerecht daarvan?
5. [ eiseres] voert allereerst aan dat de SVB bij het nemen van haar beslissing buiten haar bevoegdheid treedt. Artikel 2 van de RMSV ziet op de bevoegdheid van de directeur van de SVB om een geneeskundige of instelling in te schrijven als medewerkende, niet op een beslissing over uitbreiding van zorg.
[eiseres] heeft aan de SVB echter niet verzocht te oordelen over uitbreiding van zorg. Een beslissing over uitbreiding van zorg is aan de minister en de minister heeft voor het aanbieden van een mobiele trombosedienst aan [eiseres] een vergunning verleend. [eiseres] is een medewerkende van de SVB. Het is de wettelijke taak van de SVB om aan medewerkenden de in het Lb MTSV vastgestelde vergoedingen uit te keren. [eiseres] vraagt om een declaratiecode voor de door de minister vergunde mobiele trombosedienst en de SVB had dit conform haar wettelijke taak administratief moeten afhandelen, aldus [eiseres].
6. Deze beroepsgrond slaagt. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
Het volgende wettelijk kader is in deze zaak relevant.
Volgens artikel 12.6 van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten (Lvbz) is de RMSV nog steeds van kracht, nu er voor het sluiten van zorgcontracten door de SVB op grond van de Lvbz nog geen voorzieningen zijn getroffen. Tussen partijen is dit ook niet in geschil.
Op grond van artikel 2 van de RMSV kan de directeur, indien hem dit gewenst voorkomt, een niet-ingeschreven geneeskundige, apotheker, ziekeninrichting, of andere personen of instellingen die daarvoor in aanmerking komen, uitnodigen om, onder inachtneming van het te dien aanzien bepaalde, in een bepaald eilandgebied, mede te werken aan de uitvoering van de sociale verzekeringen.
Met de directeur wordt volgens artikel 1 van de RMSV bedoeld de directeur van de instelling die is belast met de uitvoering van de sociale verzekeringen, de huidige SVB.
Artikel 5 van de RMSV schrijft kort gezegd voor dat de directeur de uitgenodigde geneeskundige, apotheker, ziekeninrichting e.d. die van zijn bereidheid tot de gevraagde medewerking op de voorgeschreven wijze heeft blijk gegeven, in het register doet inschrijven.
Artikel 12, eerste lid, van de RMSV bepaalt kort gezegd dat de honorering van de diensten van de medewerkende plaatsvindt ingevolge de bepalingen van het “Medisch Tarief Sociale Verzekeringen”, zoals vastgelegd bij landsbesluit van 21 december 1959, dat inmiddels is vervangen door het Lb MTSV van 2001.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, sub d, van de Landsverordening zorginstellingen (Lvz) is het kort gezegd verboden zonder een daartoe strekkende vergunning van het bestuurscollege (nu de minister) wijziging te brengen in de bestemming van een zorginstelling of een onderdeel daarvan.
De SVB verwoordt het verzoek om een code en een tarief voor een mobiele trombosedienst als een verzoek om uitbreiding van zorg met een mobiele trombosedienst. Een verzoek om uitbreiding van zorg dient volgens de SVB beoordeeld te worden op grond van artikel 2 van de RMSV. Artikel 2 van de RMSV ziet volgens de SVB niet alleen op de bevoegdheid van de directeur van de SVB om een instelling als medewerkende uit te nodigen, maar ook op de bevoegdheid van de directeur om de zorg van een reeds als medewerkende ingeschreven instelling uit te breiden.
Het Gerecht volgt de SVB daarin niet. De bevoegdheid in artikel 2 van de RMSV strekt niet zover. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
Het Gerecht stelt voorop dat met het afwijzen van het verzoek aan [eiseres] het recht is onthouden om een nieuwe dienst aan SVB-verzekerden aan te bieden. Het gaat dus om een rechtshandeling. Het Gerecht kwalificeert de afwijzing door de SVB van haar verzoek om een code en een tarief voor een mobiele trombosedienst als een beschikking.
Het Gerecht volgt de SVB in haar lezing van artikel 2 van de RMSV dat de directeur op grond van dat artikel de bevoegdheid heeft om een instelling als medewerkende uit te nodigen voor het leveren van bepaalde zorg aan SVB-verzekerden. Welke zorg dat is, is tot op zekere hoogte ook aan de SVB. Een medewerkende huisarts kan niet zonder daartoe te zijn uitgenodigd ook een geheel andere vorm van zorg aan SVB-verzekerden leveren. Die bevoegdheid strekt in het onderhavige geval echter niet zover dat de SVB een beperking kan aanbrengen in het pakket van diensten of verrichtingen van een laboratorium die al medewerkende is in de zin van artikel 1 van de RMSV. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
Een medewerkende is ingevolge artikel 1 van de RMSV de persoon of instelling die zich, op uitnodiging van de directeur, (…) schriftelijk bereid heeft verklaard tot medewerking aan de uitvoering van de sociale verzekeringen en als zodanig in het register is ingeschreven. Het Gerecht stelt vast dat [eiseres] medewerkende van de SVB is. Beide partijen hebben dit ter zitting bevestigd.
directeur eiseres] heeft ter zitting onweersproken verklaard dat [eiseres] destijds bij de toelating als medewerkende niet beperkt is in haar laboratoriumdiensten die zij mag verlenen ten behoeve van SVB-verzekerden. Nu een schriftelijke vastlegging van de inschrijving van [eiseres] als medewerkende ontbreekt, althans onvindbaar is, houdt het Gerecht het erop dat de inschrijving van [eiseres] als medewerkende inhoudt dat zij conform artikel 12 eerste lid van de RMSV voor haar verrichtingen aanspraak kan maken op alle onder Tarief D van de Lb MTSV vermelde tarieven. Volgens artikel 3 eerste lid van dat landsbesluit ziet tarief D op tarieven voor diagnostisch onderzoek als bedoeld in artikel 10 van het Lb MTSV. In de bijlage van het landsbesluit staan vanaf pagina 3 tot en met 8 onder “Laboratorium” de betreffende tarieven vermeld, waaronder een tarief voor een “trombo-test.” Inmiddels bestaat er ook een code en een tarief voor een mobiele trombosetest.
Met de van de minister verkregen vergunning is het [eiseres] toegestaan om een mobiele trombosedienst aan te bieden. Gelet hierop en op het in 6.7 overwogene is het Gerecht van oordeel dat de SVB onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het verzoek van [eiseres] moet worden afgewezen.
Conclusie en gevolgen
7. De beroepsgrond die ziet op het ontbreken van een wettelijke grondslag voor de beslissing van de SVB slaagt, in zoverre dat de SVB niet op grond van artikel 2 van de RMSV het verzoek van [eiseres] heeft kunnen afwijzen. Die bevoegdheid strekt niet zover dat de SVB in dit geval op grond daarvan [eiseres] het declareren van gemaakte zorgkosten van aan SVB-verzekerden geleverde mobiele trombosediensten kan weigeren. De bestreden beschikking moet daarom worden vernietigd. Nu de SVB haar beslissing in dit geval niet op artikel 2 van de RMSV heeft kunnen baseren, is de vraag of de SVB een andere bevoegdheid heeft om het verzoek van [eiseres] af te wijzen. Gelet op het principiële karakter van die vraag, laat het Gerecht de overige beroepsgronden van [eiseres] onbesproken en zal het de SVB opdragen om een nieuwe beschikking op het bezwaar van [eiseres] te nemen. De SVB moet die nieuwe beschikking op bezwaar nemen binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak, met inachtneming van hetgeen het Gerecht in deze uitspraak heeft overwogen.
8. Omdat het beroep gegrond is, zal het Gerecht de SVB veroordelen in de proceskosten die [eiseres] heeft gemaakt. Het Gerecht begroot die kosten op Cg 1.400,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, waarde per punt Cg 700,-). Het Gerecht zal verder bepalen dat de SVB het door [eiseres] betaalde griffierecht van Cg 50,- aan haar moet vergoeden.
Beslissing
Het Gerecht:
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, voorzitter, mr. P. Klik en
mr. M.A. Evertsz, leden, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.