GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak
in het geding tussen:
[eiser],
eiser,
verblijvende te Curaçao,
gemachtigde: mr. A.S.M. Blonk, advocaat,
en
de minister van Justitie,
verweerder,
gemachtigden: mrs. M.F. Bonapart en L.J.C. Frias.
Partijen worden in deze uitspraak hierna [eiser] en de minister genoemd.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van [eiser] tegen de afwijzing door de minister van zijn verzoek om bescherming op grond van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
De minister heeft dit verzoek van [eiser] afgewezen bij beschikking van 13 november 2024 (de primaire beschikking). [eiser] heeft tegen die beschikking bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 13 maart 2025 (de bestreden beschikking) heeft de minister het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard en de afwijzing van het beschermingsverzoek van [eiser] gehandhaafd.
eiser] heeft op 22 april 2025 een beroepschrift tegen de bestreden beschikking ingediend en op 18 juli 2025 per email aanvullend de beroepsgronden. De minister heeft op 17 september 2025 met een verweerschrift op het beroep gereageerd. Op 29 september 2025 heeft het Gerecht per email vertalingen van het proces-verbaal intake ongedocumenteerden van 5 april 2024 en twee gehoorverslagen van 18 september 2024 en 23 januari 2025 aan partijen gestuurd.
Het Gerecht heeft het beroep op 1 oktober 2025 ter zitting behandeld. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en door mr. S.M. La Croes en mr. J.J.J.M. Suares, werkzaam bij de toelatingsorganisatie. De behandeling vond plaats met bijstand van mevrouw M.S. Rog, tolk in de Spaanse taal.
De minister is in de gelegenheid gesteld om binnen een week na de zitting een standpunt in te dienen over de beroepsgrond die ziet op vertaling van documenten in de bezwaarfase. Dat heeft de minister op 8 oktober 2025 gedaan. Na ontvangst van de reactie van eiser daarop op 15 oktober 2025 heeft het Gerecht op 21 oktober 2025 het onderzoek gesloten.
Beoordeling door het Gerecht
Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van [eiser].
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van [eiser] gegrond is. De beroepsgrond over het buiten beschouwing laten van een deel van het vluchtverhaal slaagt. De minister had de relevante elementen van het vluchtverhaal concreter en vollediger moeten duiden. De bestreden beschikking wordt daarom vernietigd. Het Gerecht ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van de te vernietigen beschikking in stand te laten omdat de minister het vluchtverhaal wel volledig op geloofwaardigheid heeft beoordeeld, inclusief de elementen die de minister ten onrechte als niet-relevant heeft aangemerkt.
De minister heeft niet ten onrechte het deel van het vluchtrelaas van [eiser], dat hij vanwege zijn band met een politieke partij, zijn gevangenschap en afpersingen problemen heeft ondervonden, ongeloofwaardig geacht. Over de wel geloofwaardig geachte elementen van het relaas van [eiser] heeft de minister terecht geconcludeerd dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daardoor bij terugkeer in Venezuela een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.
Het Gerecht oordeelt ook dat de minister zijn beslissing procedureel zorgvuldig heeft voorbereid. De minister heeft [eiser] voorzien van of gefaciliteerd in taalkundige en rechtskundige bijstand conform zijn beleid. Van schending van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel is geen sprake.
Hierna legt het Gerecht uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
eiser] is geboren in Coro, Venezuela, en heeft de Venezolaanse nationaliteit.
eiser] is op 5 april 2024 op illegale wijze met een lancha Curaçao binnengekomen. Hij is direct aangehouden wegens overtreding van bepalingen van de Landsverordening toelating en uitzetting. Bij beschikking van 5 april 2024 heeft de minister beslist dat [eiser] uiterlijk op 5 mei 2024 uit Curaçao wordt verwijderd en dat hem gedurende een periode van drie jaren de binnenkomst in Curaçao wordt ontzegd. Ook is [eiser] op diezelfde dag in bewaring gesteld. De bewaring is met ingang van 13 december 2024 opgeheven door het Gerecht bij uitspraak van 19 maart 2025 (CUR202404078).
Op 11 juni 2024 heeft [eiser] een verzoek om bescherming gedaan op grond van artikel 3 van het EVRM.
Waarom heeft de minister het verzoek van [eiser] afgewezen?
Op grond van artikel 3 van het EVRM mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
De minister onderscheidt drie relevante elementen in het relaas dat [eiser] aan zijn beschermingsverzoek ten grondslag heeft gelegd:
1. nationaliteit, identiteit en herkomst van [eiser];
2. problemen van [eiser] die de aanleiding waren om zijn land van herkomst te verlaten;
3. de algemene slechte economische situatie in Venezuela.
De minister acht de elementen 1 en 3 geloofwaardig. [eiser] heeft volgens de minister echter niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege deze geloofwaardig geachte elementen, mede gelet op zijn persoonlijke situatie, bij terugkeer naar Venezuela door de humanitaire omstandigheden en veiligheidssituatie aldaar een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.
eiser] heeft tijdens zijn gehoor van 18 september 2024 met betrekking tot element 2 het volgende relaas verteld.
[eiser] heeft een politicus [naam politicus] geholpen. [naam politicus] is lid van de partij COPEI, de oppositiepartij van de regering van Venezuela. [eiser] bracht eten rond en wierf mensen voor de verkiezingen. In 2016 was er hongersnood in Venezuela en moesten mensen in de rij staan om eten te kunnen kopen. De bewakers sloegen mensen en hij hielp om dat te voorkomen. Hij deed dat twee of drie keer per week want hij had zijn eigen bedrijf. Als gevolg daarvan kreeg [eiser] problemen met de regering. Tijdens een vergadering op straat vond een aanval van de Tupamaros (mensen van de regering) plaats en werd [eiser] in zijn been geschoten. Eind 2016, begin 2017 hebben ze het busje van [naam politicus] laten ontploffen en moest [naam politicus] vluchten naar de Verenigde Staten. [eiser] ging door met het organiseren van vergaderingen.
Halverwege 2017, op 20 juni 2017, werd [eiser] aangehouden door de politie. De politieagenten beroofden hem van zijn geld. [eiser] werd beschuldigd van diefstal, verboden vuurwapenbezit en samenspanning en hij zat meer dan drie jaren vast zonder veroordeling. [eiser] zou gestolen hebben van familie van een procureur-generaal [naam procureur-generaal]. [naam procureur-generaal] heeft hem in de rechtszaal met de dood bedreigd. [naam procureur-generaal] heeft kinderen die bij de PTJ / CICPC werken en opdracht gegeven [eiser] te doden terwijl hij vast zat. [eiser] werd in zijn arm gesneden en ook is hij geopereerd waarbij ribben zijn verwijderd en had hij een kromme ruggengraat. Hij zat in de gevangenis van Coro en hij liet zich overplaatsen naar een andere gevangenis in Punto Fijo. Nadat hij drie jaar had vastgezeten werd hij door de rechtbank in Coro veroordeeld tot zeven jaar. Via het Cayapa-plan is hij in 2021 met een meldplicht vrijgekomen na een detentie van iets meer dan vier jaar.
Na zijn vrijlating begon [eiser] een fruitkraam. Vervolgens werd hij afgeperst door de PTJ / CICPC. Bij eerste afpersing in de maand september had hij 5000 dollar betaald. Bij de tweede afpersing in maart had hij niet het hele bedrag betaald en kwam de PTJ naar zijn huis om hem te zoeken en heeft zijn zus hen gefilmd. Hij was toen ontsnapt.
Daarna is [eiser] gestopt met de fruitkraam en is hij gaan werken als taxichauffeur in Punto Fijo. Omdat hij daar in het systeem stond dat gebruikt werd voor afpersing is hij naar Coro vertrokken. Hij deed daar het vervoer voor handelaren in kleding.
De vrouw van [eiser] hoorde bij de communes van de regering en werd ernstig ziek. Zij stierf op 3 december. De regering had geen geld om haar te helpen. [eiser] schreef in een whatsapp groep waarvan zij lid was “hoe is het mogelijk dat ze haar niet hebben geholpen terwijl ze deel uitmaakte van deze groep.” Hij moest vluchten want ze hadden op hem geschoten. In de maanden januari tot en met maart wist hij niet waar hij zich kon verschuilen. Hij verkocht zijn auto voor 1000 dollar toen hij hoorde dat er een boot zou vertrekken naar Curaçao.
Op nadere vragen tijdens zijn gehoor van 18 september 2024 antwoordt [eiser] het volgende.
Het Cayapa-plan biedt hulp aan mensen die al lang vastzitten zonder veroordeling of die na het uitzitten van hun straf nog niet zijn vrijgelaten. [eiser] heeft zijn vonnis niet omdat hij is vrij gekomen door het Cayapa-plan.
[eiser] wordt gezocht wegens een probleem met afpersing. Ze hebben hem afgeperst in de maand maart, vanwege hetgeen hij had verspreid in december wegens de dood van zijn echtgenote. De eerste keer was in september. Hij moest betalen want ze hadden hem ontvoerd. Hij was toen aan het werk als taxichauffeur en bij een politiecontrole werd hij door de PTJ ontvoerd. Zijn familie had het geld betaald en hij kon zijn moeder en zus terugbetalen door het verkopen van een aantal dieren. Ze hadden 8.000 gevraagd en hij had 5.000 betaald. Bij de tweede afpersing is de PTJ naar zijn huis gekomen en is hij met de PTJ meegegaan nadat zij een pistool hadden gericht op zijn moeder en broer. Na een aantal uren werd hij vrijgelaten en kreeg hij een week om 5.000 dollar te betalen. Na een week kwam de PTJ hem zoeken bij het huis van zijn moeder. Hij verbleef toen in de woning van zijn zus op het platteland in Las Ventosas. Van daaruit is hij uiteindelijk naar Cumarebo gegaan en aan boord van de boot naar Curaçao gestapt.
Over de partij COPEI verklaart [eiser] nog dat hij bijdroeg door stemmers te zoeken en gemeenschapswerk te doen, pleinen schoonmaken, invalide mensen helpen.
De minister heeft element 2 beoordeeld. In de primaire beschikking stelt de minister voorop dat de politieke gebeurtenissen van 2016 en 2017, de arrestatie in 2017 en de daarop volgende gevangenschap tot 2021 niet de directe aanleiding waren voor het vertrek van [eiser] uit Venezuela. Aangezien deze gebeurtenissen niet de directe aanleiding waren voor het vertrek van betrokkene, wordt de geloofwaardigheid van deze verklaringen niet getoetst en worden deze gebeurtenissen buiten beschouwing gelaten bij de verdere beoordeling van zijn verzoek om bescherming, aldus de minister.
De minister heeft de verklaring van [eiser] met betrekking tot de afpersingen vanaf 2021, de uiting in de whatsappgroep en de daarop volgende beschieting getoetst op geloofwaardigheid. Volgens de minister heeft [eiser] zijn relaas op die punten echter niet aannemelijk gemaakt.
Allereerst overweegt de minister dat [eiser] niet onverwijld bij zijn aankomst op Curaçao heeft gemeld dat hij bescherming behoeft. Verder heeft [eiser] bij zijn aanhouding op 5 april 2024 verklaard dat hij naar Curaçao is gekomen om te werken en -desgevraagd- dat hij geen probleem heeft dat de terugkeer naar Venezuela zou verhinderen anders dan de economische situatie. Dit alles doet afbreuk aan de geloofwaardigheid en oprechtheid van zijn verzoek om bescherming.
Vervolgens wijst de minister op tegenstrijdigheden in de verklaringen van [eiser] over de afpersingen. Zo verklaart hij tegenstrijdig over de momenten waarop de eerste en de tweede afpersing plaatsvonden, welk werk hij op die momenten had (de fruitkraam of taxichauffeur), over de vraag of de afpersing wel of niet verband hield met de door hem verstuurde whatsapp, over (het moment van) de gestelde ontvoering of aanhouding en over het al dan niet hebben betaald van losgeld. De vele inconsistenties doen ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van het relaas van [eiser].
Verder weegt volgens de minister mee dat [eiser] geen documenten heeft overgelegd om de gestelde bedreigingen te onderbouwen. Verwacht mag worden dat betrokkene aangifte had gedaan van de bedreigingen, de afpersingen en de beschieting. Voor zover hij dit niet heeft gedaan omdat het openbaar ministerie en de PTJ op goede voet staan met elkaar, dan had het op zijn weg gelegen om naar de hogere autoriteiten te gaan.
Ook overigens is [eiser] er niet in geslaagd zijn relaas met documenten te staven. Op 25 september 2024 heeft [medewerker HRDC] van Human Rights Defence Curaçao (HRDC) namens betrokkene een video en twee foto’s gemaild.
Op de video is een opname te zien gemaakt via de open zijkant van een gesloten poorthek door waarschijnlijk een vrouw, indien dit degene is wiens stem op de video is te horen. Degene die de opname maakt komt niet in beeld. De personen buiten het hek geven herhaaldelijk aan dat ze naar binnen willen en met de persoon die de video maakt willen praten. De identiteit van de persoon die de video maakt en van de personen buiten is niet komen vast te staan. Bovendien wordt getwijfeld aan de authenticiteit van de video, nu de video volgens de datum in de videobeschrijving op 25 september 2024 is opgenomen, op dezelfde datum waarop de video is gemaild.
De twee ingebrachte foto’s tonen [eiser] bij een fruitkraampje en kunnen zijn verklaring ondersteunen dat hij fruit verkocht. De minister merkt op dat de op de foto’s zichtbare kleine omvang van de fruitkraam moeilijk te rijmen is met de gestelde afpersingsbedragen.
Op basis van al het voorgaande concludeert de minister dat de verklaringen van [eiser] over de afpersingen vanaf 2021, de uiting in de whatsappgroep en de latere beschieting, niet geloofwaardig zijn en daarom niet verder worden doorgetoetst aan artikel 3 van het EVRM.
Wat voert [eiser] aan en wat vindt het Gerecht daarvan?
5. [ eiser] voert meerdere beroepsgronden aan:
Er is sprake van een inbreuk op procedurele waarborgen. Er was geen tolk aanwezig bij beide gehoren van [eiser]. Bij het tweede gehoor was geen rechtsbijstand aanwezig. Daarom is het onredelijk dat de minister vermeende inconsistenties zwaar heeft meegewogen bij de beoordeling van het vluchtverhaal. Ook is er door de minister geen vertaling van de in het Spaans opgestelde gehoorverslagen overgelegd, in de bezwaarfase noch in de beroepsprocedure;
Een aantal relevante onderdelen van het vluchtrelaas van [eiser] is ten onrechte buiten beschouwing gelaten in de beoordeling van de minister;
Aan [eiser] mag niet worden verweten dat hij zijn vluchtverhaal onvoldoende heeft onderbouwd;
De minister werpt aan [eiser] ten onrechte tegen dat hij niet onverwijld een beschermingsverzoek heeft ingediend;
De minister werpt aan [eiser] ten onrechte tegen dat het afpersingsbedrag niet kan kloppen;
De minister heeft onvoldoende onderzoek gedaan en een onzorgvuldige afweging gemaakt bij de doortoetsing van het risico bij terugkeer.
Het Gerecht zal deze beroepsgronden hierna achtereenvolgens bespreken.
Is sprake van inbreuk op procedurele waarborgen: geen tolk, geen rechtsbijstand, geen vertalingen?
6. [ eiser] stelt zich op het standpunt dat sprake is van schending van artikel 3, 6 en 13 van het EVRM. Hij voert daartoe aan dat hij tijdens de gehoren niet is bijgestaan door een tolk in de Spaanse taal en bij het tweede gehoor ook niet door een advocaat. Uitspraken van het EHRM bevestigen dat in een gerechtelijke procedure sprake moet zijn van een betrouwbare taalkundige ondersteuning, zeker bij gevoelige mensenrechtenkwesties. Een ambtenaar die een taal niet als moedertaal beheerst kan geen volwaardige vervanging zijn van een professionele tolk.
Verder zijn de in het Spaans opgestelde gehoorverslagen niet vertaald in het Nederlands. De inhoud van de gehoorverslagen moet in het kader van een effectieve rechtsgang begrijpelijk zijn voor zowel de advocaat als het Gerecht. Het Spaans is geen officiële taal van het Land en van het Gerecht. De advocaat is de Spaanse taal niet voldoende machtig.
In het licht van dit alles is het onredelijk dat de minister vermeende inconsistenties, die het gevolg kunnen zijn van de taalbarrière, zwaar heeft meegewogen bij de beoordeling van het vluchtverhaal.
Ter zitting heeft [eiser] aanvullend betoogd dat het op de weg van de minister ligt om niet alleen in de beroepsprocedure maar ook in de bezwaarfase te zorgen voor een vertaling van alle in een andere taal dan het Nederlands opgestelde stukken.
7. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
In het “Beleid procedure bij een verzoek om bescherming ex artikel 3 EVRM 2019” is het volgende opgenomen over bijstand van een tolk en rechtsbijstand. De vreemdeling die gedurende een gehoor werd bijgestaan door een tolk, wordt ook door een tolk bijgestaan wanneer de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om de inhoud van het verslag door te nemen en te reageren op de juistheid en volledigheid daarvan. Indien de vreemdeling, al dan niet bijgestaan door een tolk, zich kan verenigen met de inhoud van dit gehoorverslag, wordt dit verslag door de vreemdeling alsmede door de ambtenaren die daadwerkelijk met het gehoor belast waren, ondertekend.
In de nieuwe versie van dit beleid, “Beleid procedure bij en beoordeling van een verzoek om bescherming ex artikel 3 EVRM” van 6 juni 2025, staat dat het horen van de vreemdeling wordt uitgevoerd door medewerkers van de Toelatingsorganisatie (in het beleid van 2019 was het horen belegd bij de Unit Vreemdelingen Toezicht en Grensbewaking van het Korps Politie Curaçao). De vreemdeling kan verzoeken met behulp van een vrouwelijke of mannelijke tolk gehoord te worden. De Toelatingsorganisatie (TO) heeft een inspanningsverplichting met betrekking tot een dergelijk verzoek. Tijdens het horen mag een advocaat of een door de vreemdeling aangewezen gemachtigde of persoon aanwezig zijn. Als een medewerker van de TO een taal beheerst die de vreemdeling spreekt, wordt in principe geen tolk gebruikt. De vreemdeling mag zelf een tolk meenemen. Als een vreemdeling tijdens het gehoor een tolk heeft gebruikt, mag hij ook bij het doornemen en controleren van het verslag een tolk inschakelen.
Ter zitting is gebleken dat in deze zaak al volgens het nieuwe beleid van 2025 is gewerkt in die zin dat de gehoren zijn afgenomen door een medewerker van de TO. Namens de minister is toegelicht dat een aantal medewerkers van de TO is opgeleid door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van Nederland voor de procedure en de toetsing van artikel 3 EVRM-verzoeken. Ook hebben medewerkers een taalopleiding gevolgd en zijn zij de Spaanse taal, die het meest voorkomt bij vreemdelingen, voldoende machtig. De minister vindt het belangrijk dat de vreemdeling zich in zijn eigen taal kan uitdrukken. Daarom wordt het gehoor in de eigen taal van de vreemdeling afgenomen en wordt het gehoorverslag in de eigen taal opgesteld. Aan [eiser] is gevraagd of hij de gehoormedewerker goed kan verstaan en begrijpen, waarop hij bevestigend heeft geantwoord. Bij het eerste gehoor werd [eiser] bijgestaan door een gemachtigde van Human Rights Defence Curaçao (HRDC). Voor het gehoor in de bezwaarfase is HRDC opgeroepen, maar niet verschenen. In het verweerschrift heeft de minister erop gewezen dat [eiser] het gehoorverslag heeft kunnen doornemen, geparafeerd en getekend.
Namens de minister is ter zitting erkend dat in de beroepsprocedure bij het Gerecht de verplichting om onverwijld alle op het beroepschrift betrekking hebbende stukken te overleggen (artikel 23, eerste lid, van de Lar), ook de verplichting omvat om een vertaling van die stukken te overleggen, die in een andere taal dan het Nederlands zijn opgesteld. In de schriftelijke ronde na de zitting heeft de minister ten aanzien van de bezwaarfase aangegeven dat hij het niet in alle gevallen noodzakelijk acht een volledige schriftelijke Nederlandse vertaling van het gehoorverslag te maken. In het onderhavige geval is de minister bereid, bij wijze van experiment, op verzoek van de gemachtigde een vertaling te faciliteren. Bij dit standpunt houdt de minister rekening met waarborging van het recht op een effectieve rechtsgang maar ook met de precaire financiële situatie van het Land.
Het Gerecht stelt vast dat de minister [eiser] van taalkundige en rechtskundige bijstand heeft voorzien of daarin heeft gefaciliteerd conform zijn beleid.
Wat betreft de rechtsbijstand merkt het Gerecht op dat [eiser] tijdens het gehoor van 18 september 2024 en bij het indienen van het bezwaarschrift is bijgestaan door mevrouw [medewerker HRDC] van HRDC. Weliswaar was het HRDC niet aanwezig tijdens het gehoor in de bezwaarfase, maar was het HRDC wel opgeroepen en zijn er geen aanwijzingen dat [eiser] door de afwezigheid van het HRDC in zijn belangen is geschaad.
De vraag die vervolgens voorligt is of [eiser] in deze beschermingsprocedure door het niet inzetten van een tolk en het niet verstrekken van vertalingen is geschaad in zijn belangen in het kader van zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel (artikel 13 van het EVRM in samenhang met artikel 3 van het EVRM).
Het Gerecht is van oordeel dat dat niet het geval is en motiveert dat als volgt.
Bij gebreke aan wetgeving die het inschakelen van een tolk verplicht stelt, bestaat de rechterlijke toets alleen uit een belangenafweging in het concrete geval. In de Nederlandse rechtspraak wordt het onder omstandigheden mogelijk geacht dat een verbalisant en een vreemdeling in een taal communiceren die zij allebei in voldoende mate beheersen. Ook het Hof heeft zich recent hierover uitgesproken.
De gehoren van [eiser] zijn afgenomen door medewerkers van de TO die de Spaanse taal voldoende machtig zijn. De gehoorverslagen alsmede het proces-verbaal van intake ongedocumenteerden zijn in het Spaans opgesteld. Niet is gebleken dat [eiser] zich op enig moment niet goed heeft kunnen uitdrukken of onjuist is begrepen door de gehoormedewerkers. In het gehoor van 18 september 2024 is aan [eiser] expliciet meerdere keren gevraagd of hij de verhoorder verstaat en begrijpt, waarop hij bevestigend heeft geantwoord. [eiser] is in de gelegenheid gesteld om het in de Spaanse taal opgestelde gehoorverslag te lezen, hij heeft het geparafeerd en getekend en een kopie van het gehoorverslag ontvangen. Aan [eiser] is meermalen gevraagd, in de bezwaarfase en ter zitting, om uitleg te geven over de door de minister gesignaleerde tegenstrijdigheden in zijn relaas en hoe taalkundige barrières volgens hem hebben bijgedragen aan die tegenstrijdigheden. Die uitleg is uitgebleven, ook nadat de vertalingen van de gehoren beschikbaar zijn gesteld.
Het Gerecht acht daarom de door de minister gevolgde procedure tijdens het horen van [eiser] voldoende zorgvuldig.
Ten aanzien van het verstrekken van vertalingen van in een andere taal dan het Nederlands opgestelde relevante stukken, waaronder in ieder geval de gehoorverslagen, overweegt het Gerecht het volgende.
Niet in geschil is en door de minister ter zitting onderkend, dat het verstrekken van een vertaling van in een andere taal dan het Nederlands opgestelde relevante stukken, waaronder in ieder geval de gehoorverslagen, tijdens de beroepsprocedure bij het Gerecht op de weg van de minister ligt.
Het Gerecht is van oordeel dat deze uit artikel 23 eerste lid van de Lar voortvloeiende verplichting zich ook uitstrekt tot de bezwaarfase. Juist in de bezwaarfase, bedoeld als toegankelijke manier om op te komen tegen een beslissing van een bestuursorgaan, mag een vertaling ten behoeve van rechtsbijstand en een goed verloop van de procedure niet ontbreken. Dat betekent dat de minister in voorkomend geval waarin de advocaat van de vreemdeling de betreffende taal niet beheerst, een Nederlandse vertaling van relevante stukken, waaronder in ieder geval de gehoorverslagen, in de bezwaarfase moet verstrekken.
In dit geval hoefde de minister deze vertaling in de bezwaarfase echter niet te verstrekken. Mr. Blonk was als advocaat niet betrokken in de bezwaarfase en niet is gebleken dat een vertaling van stukken in de bezwaarfase om een andere reden nodig was.
Dat het EHRM belang hecht aan taalkundige bijstand in een asielprocedure blijkt onder meer uit de uitspraak M.S.S. tegen België en Griekenland waarin het EHRM diverse tekortkomingen in de asielprocedure van Griekenland constateert. Zo was onder meer sprake van een tekort aan tolken, ontbrak een training voor de personen die de interviews moeten afnemen en ontbrak het verder aan rechtsbijstand. Gelet op alle tekortkomingen tezamen in combinatie met een gevaar van uitzetting van de betrokken vreemdeling, nam het EHRM een schending aan van artikel 13 van het EVRM in samenhang met artikel 3 van het EVRM.
In de onderhavige zaak is er geen tekort aan tolken, is er een training aan de TO-medewerkers gegeven en is [eiser] voorzien van rechtsbijstand. Dus is van een schending van de genoemde EVRM-artikelen geen sprake.
Het Gerecht concludeert dat het betoog van [eiser] dat sprake is van inbreuk op procedurele waarborgen niet slaagt. De minister heeft zijn beslissing zorgvuldig voorbereid en daarbij de toegang van [eiser] tot een daadwerkelijk rechtsmiddel niet geschaad.
Heeft de minister een aantal relevante onderdelen van het vluchtrelaas van [eiser] ten onrechte buiten beschouwing gelaten in zijn beoordeling?
8. [ eiser] betoogt dat de minister ten onrechte een aantal relevante onderdelen van zijn vluchtverhaal buiten beschouwing heeft gelaten in zijn beoordeling. De minister mag niet alleen kijken naar de (directe) reden van vertrek van eiser, maar moet alle omstandigheden betrekken die ten tijde van het vertrek bekend zijn. De politieke gebeurtenissen van 2016 en 2017, de arrestatie in 2017 en de daarop volgende gevangenschap tot 2021 hadden door de minister meegenomen moeten worden in de geloofwaardigheidstoets en de beoordeling van het risico bij terugkeer, aldus [eiser].
9. Deze beroepsgrond slaagt. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
Zoals hiervoor onder 4.2 is weergegeven heeft de minister drie relevante elementen onderscheiden. De beroepsgrond richt zich op element 2, door de minister geduid als “problemen van [eiser] die de aanleiding waren om zijn land van herkomst te verlaten.”
Het Gerecht stelt vast dat, zoals hiervoor onder 4.5 is weergegeven, de minister in de primaire beschikking de politieke gebeurtenissen van 2016 en 2017, de arrestatie in 2017 en de daarop volgende gevangenschap tot 2021 niet aanmerkt als “de directe aanleiding voor het vertrek van [eiser] uit Venezuela.” De minister overweegt op pagina 3 van die beschikking ten aanzien van de politieke gebeurtenissen: “aangezien deze gebeurtenissen echter niet de directe aanleiding zijn geweest voor het vertrek van betrokkene uit Venezuela zal toetsing van de geloofwaardigheid achterwege blijven en worden deze gebeurtenissen buiten beschouwing gelaten bij de verdere beoordeling van zijn verzoek om bescherming.” De minister herhaalt deze overweging ten aanzien van de arrestatie en de gevangenschap tot 2021 in nagenoeg gelijke bewoordingen.
Het Gerecht is van oordeel dat de beslissing van de minister op dit punt onzorgvuldig is voorbereid, omdat de gebeurtenissen tot 2021 ten onrechte niet als relevant element zijn aangemerkt.
De beoordeling van een beschermingsverzoek begint met de vaststelling van de relevante elementen uit het vluchtrelaas van de vreemdeling. Daarna volgt per element de toetsing van de geloofwaardigheid.
Door de ruime en algemene formulering van element 2 “problemen van [eiser] die de aanleiding waren om zijn land van herkomst te verlaten” en de interpretatie daarvan te beperken tot de “directe aanleiding voor het vertrek” is het in de primaire beschikking onduidelijk of de minister de gebeurtenissen tot 2021 nu wel of niet heeft aangemerkt als relevant element. Deze onduidelijkheid heeft de minister in bezwaar, bij verweerschrift en ter zitting niet kunnen ophelderen.
De feiten en omstandigheden die door [eiser] ten grondslag zijn gelegd aan zijn vluchtverhaal zijn niet voldoende concreet beschreven als relevante element(en). Bij de identificatie van relevante elementen gaat het om feiten en omstandigheden in het vluchtrelaas die betrekking hebben op de gestelde vrees voor schending van artikel 3 EVRM en niet om een eigen invulling van de minister waarbij slechts is gekeken naar de directe aanleiding voor zijn vertrek. De minister kan in het kader van de geloofwaardigheidstoetsing van de relevante elementen wel eventuele waarde hechten aan bijvoorbeeld de ouderdom van gebeurtenissen. De politieke gebeurtenissen in 2016 en 2017 en de gevangenschap van [eiser] tot 2021 hebben evengoed betrekking op de gestelde vrees voor schending van artikel 3 EVRM als de afpersingen en de beschieting vanaf 2021. [eiser] heeft dit in zijn gehoor in de bezwaarfase ook bevestigd. Zowel de gebeurtenissen tot 2021 als de gebeurtenissen vanaf 2021 hadden in concrete bewoordingen moeten worden aangemerkt als relevante elementen.
Dat betekent dat de beroepsgrond in zoverre slaagt. De bestreden beschikking zal worden vernietigd wegens een zorgvuldigheidsgebrek in de totstandkoming ervan. Het Gerecht ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van de bestreden beschikking in stand te laten. Weliswaar heeft de minister de gebeurtenissen tot 2021 ten onrechte niet aangemerkt als relevant element, maar hij heeft de geloofwaardigheidstoetsing van die gebeurtenissen wel uitgevoerd. In de beslissing op bezwaar en in het verweerschrift heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij het niet geloofwaardig acht dat [eiser] als gevolg van zijn werkzaamheden voor de politieke partij COPEI en/of zijn gevangenschap problemen heeft ondervonden. Daarbij heeft de minister ook kunnen betrekken de initiële verklaring van [eiser] bij aankomst op Curaçao dat hij geen problemen heeft in Venezuela, het gebrek aan consistentie in zijn relaas, dat de werkzaamheden van [eiser] voor de politieke partij niet wijzen op een dissidente rol, de ouderdom van de gebeurtenissen tot 2021 en het ontbreken van een verband met de gestelde latere afpersingen.
Mag aan [eiser] worden verweten dat hij zijn vluchtverhaal niet voldoende heeft onderbouwd?
10. [ eiser] voert aan dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij zijn vluchtverhaal niet voldoende heeft onderbouwd. Het uitgangspunt is een gedeelde bewijslast tussen de vreemdeling en de minister. Daarnaast is [eiser] tegengewerkt in de onderbouwing van zijn vluchtverhaal, omdat zijn verzoek tijdens zijn laatste gehoor om zijn zus te bellen voor nadere onderbouwing werd afgewezen. Een alternatief zoals een later belmoment of het horen van de zus als getuige is niet geboden, aldus [eiser].
11. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
Het Gerecht stelt voorop dat [eiser] en de minister een gedeelde verantwoordelijkheid hebben om de relevante feiten vast te stellen. Als het gaat om de individuele omstandigheden, rust de bewijslast in beginsel op de vreemdeling. De vreemdeling moet daartoe zo spoedig mogelijk al het bewijsmateriaal met betrekking tot die individuele omstandigheden overleggen.
eiser] heeft naast enkele verwijzingen naar algemene informatie en het overleggen van zijn rijbewijs slechts drie bewijsstukken ingediend, twee foto’s en een video. De minister heeft zoals volgt uit 4.6.3 het ingebrachte bewijsmateriaal zorgvuldig onderzocht en geconcludeerd dat de foto’s en de video geen onderbouwing zijn. Van moeilijke omstandigheden die [eiser] hebben gehinderd om bewijsmateriaal mee te nemen vanuit Venezuela of naderhand te verzamelen is niet gebleken. Weliswaar werd [eiser] tijdens zijn tweede gehoor niet in de gelegenheid gesteld om zijn zus te bellen, maar hij heeft andere momenten om al dan niet met hulp van het HRDC of zijn advocaat documenten of ander bewijs in te brengen niet benut. [eiser] heeft geen onderbouwd relaas geleverd van een individueel, en dus een reëel, risico op een slechte behandeling bij terugkeer en daarmee niet voldaan aan de bewijslast.
Werpt de minister aan [eiser] ten onrechte tegen dat hij niet onverwijld een beschermingsverzoek heeft ingediend?
Werpt de minister aan [eiser] ten onrechte tegen dat het afpersingsbedrag niet kan kloppen?
12. Het Gerecht bespreekt deze beroepsgronden gezamenlijk vanwege de samenhang.
eiser] voert aan dat de minister hem ten onrechte verwijt dat hij niet onverwijld een beroep heeft gedaan op bescherming. Bij zijn aanhouding is [eiser] niet op zijn rechten met betrekking tot artikel 3 EVRM gewezen. Pas op het moment dat hij door het HRDC is benaderd, is hij op zijn rechten gewezen. Op de autoriteiten van het land waarnaar de vreemdeling is gevlucht rust een plicht tot informatievoorziening. Ook moet rekening worden gehouden met de kwetsbare positie van een vreemdeling. Gezien de omstandigheden was het beschermingsverzoek niet tardief.
eiser] voert verder aan dat de minister ten onrechte de (bedragen van de) afpersingen van tafel schuift omdat hij met zijn fruithandel niet zoveel omzet zou maken. Daarbij wijst [eiser] op enkele artikelen over afpersingen in Venezuela op websites zoals Insight.com, Chron.com, Transparenciave.org en Eldiario.org.
13. Deze beroepsgronden slagen niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
De minister heeft de geloofwaardigheid van de door [eiser] ingebrachte redenen voor zijn vlucht beoordeeld. Dat is een integrale toetsing, waarbij het verzoek, de gehoorverslagen en de overgelegde bewijsstukken worden beoordeeld in het licht van alle relevante omstandigheden in samenhang bezien. Vervolgens heeft de minister ten aanzien van de geloofwaardig geachte elementen op meerdere gronden geoordeeld dat een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM niet aannemelijk is geworden. Bij zijn beoordeling kan de minister als één van de omstandigheden betrekken dat de vreemdeling op een later moment dan direct bij binnenkomst zijn verzoek indient. Verder heeft de minister in aanmerking kunnen nemen dat [eiser] bij aankomst op Curaçao desgevraagd heeft verklaard dat hij is gekomen om te werken en dat hij behalve de economische situatie geen probleem heeft in Venezuela dat hem hindert om terug te keren. Dat geeft geen aanleiding voor de autoriteiten om [eiser] desondanks te wijzen op de mogelijkheid van het doen van een beschermingsverzoek.
Hetzelfde geldt voor de opmerkingen en de beoordeling van de minister van de foto’s waarop de fruithandel van [eiser] is te zien. Dat de minister de afpersingen in twijfel trekt leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat er geen sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Het betreft slechts één van de aspecten van het asielrelaas dat in zijn geheel is beoordeeld. De door [eiser] aangehaalde artikelen betreffen geen informatie toegespitst op [eiser] of de plaats Coro waar hij woonde en kunnen dus geen steun geven aan de gestelde afpersingen.
De minister heeft op basis van de eigen verklaring van [eiser], het door hem overgelegde bewijsmateriaal en het door de minister voor zover nodig en mogelijk gedane onderzoek deugdelijk gemotiveerd waarom hij het niet geloofwaardig acht dat [eiser] door zijn activiteiten voor een politieke partij, zijn gevangenschap en de afpersingen problemen heeft ondervonden. In wat [eiser] aanvoert ziet het Gerecht dus geen grond voor het oordeel dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister onzorgvuldig is voorbereid of onvoldoende is gemotiveerd.
Heeft de minister onvoldoende onderzoek gedaan en een onzorgvuldige afweging gemaakt bij de doortoetsing van het risico bij terugkeer?
14. [ eiser] voert ten slotte aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij niet politiek inhoudelijk actief was en daardoor geen risico zou lopen. COPEI is een traditionele oppositiepartij. Hoewel het geen militaire tegenstander van het regime is, worden oppositieleden en zelfs marginaal betrokken burgers door de autoriteiten als bedreiging gezien. Ook de onterechte veroordeling van [eiser] had bij de beoordeling betrokken moeten worden, nu onterechte arrestaties aan de orde van de dag zijn in Venezuela. Tot slot biedt de algemene veiligheids- en humanitaire situatie in Venezuela op zichzelf al grond voor toewijzing van het beschermingsverzoek.
15. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
Het Gerecht stelt voorop dat de minister moet beoordelen of [eiser] bij terugkeer naar Venezuela een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM vanwege de algemene humanitaire situatie en veiligheidssituatie in Venezuela of zijn persoonlijke situatie. Hierbij gaat de minister uit van de geloofwaardig geachte relevante elementen van het vluchtrelaas van [eiser].
De minister moet de algemene humanitaire situatie en veiligheidssituatie van Venezuela ex nunc beoordelen aan de hand van actuele informatie en mag zich daarbij baseren op het nog steeds geldende Algemeen Ambtsbericht 2020. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 22 maart 2023 onder verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht 2020 geoordeeld dat de humanitaire situatie in Venezuela niet zodanig is dat terugkeer een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM zou opleveren. Het Hof sluit zich aan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en refereert in zijn uitspraak van 23 juli 2025 aan de rechtspraak van het EHRM waaruit volgt dat sprake kan zijn van een algemene geweldssituatie die maakt dat iedere uitzetting naar dat land een schending van artikel 3 van het EVRM zou opleveren, maar dat daarvan alleen sprake is in “the most extreme cases of general violence". De minister moet hetgeen een vreemdeling aanvoert over de huidige, voor hem relevante veiligheidssituatie, wel onderzoeken en hierop gemotiveerd ingaan.
eiser] heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat de algemene veiligheidssituatie in Venezuela nu significant anders is. Ook heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk gevaar loopt bij terugkeer. Gelet op het oordeel in 9.4 mocht de minister aannemen dat eisers gestelde problemen bij terugkeer naar Venezuela ongeloofwaardig zijn. De minister hoeft deze gestelde problemen daarom niet verder te toetsen. Verder heeft eiser met de enkele stelling dat hij betrokken is bij de politieke partij COPEI en onterecht is veroordeeld ook onvoldoende duidelijk gemaakt dat hij (meer) te vrezen heeft voor een reëel risico. De minister heeft terecht geoordeeld dat [eiser] bij terugkeer naar Venezuela geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
16. Alleen de beroepsgrond van [eiser] dat de beslissing van de minister bij het onderscheiden en formuleren van de relevante elementen onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, slaagt. De bestreden beschikking moet om die reden worden vernietigd. Het Gerecht ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden beschikking in stand te laten, omdat de minister heeft kunnen oordelen dat het vluchtrelaas ook ten aanzien van de niet expliciet als relevant element aangeduide gebeurtenissen ongeloofwaardig is. Dit betekent dat de afwijzing van het beschermingsverzoek in stand blijft.
17. Omdat het beroep gegrond is, zal het Gerecht de minister veroordelen in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. Het Gerecht begroot die kosten op Cg 1.400,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, waarde per punt Cg 700,-). Het Gerecht zal verder bepalen dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van Cg 150,- aan hem moet vergoeden.
Beslissing
Het Gerecht:
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.