Parketnummer: 500.00137/24
Uitspraak : 26 februari 2025 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geborrtedatum],
wonende in [woonplaats], [adres 1],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2024, 11 december 2024, 13 december 2024, 16 december 2024, 18 december 2024 en op 5 februari 2025. De verdachte is, behalve op laatstgenoemde datum, telkens verschenen, bijgestaan door haar raadslieden, mrs. R.S.M. Moenir-Alam en/of I. Moenir-Alam, advocaten in Curaçao. De verdachte heeft afstand gedaan van haar recht om bij de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting van 5 februari 2025 te verschijnen. De raadslieden van de verdachte zijn met voorafgaande kennisgeving niet op laatstgenoemde zitting aanwezig geweest.
De officieren van justitie, mrs. D. van Zetten en H.J. Starrenburg (hierna: de officier van justitie), hebben ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder feit 2 primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.
De raadslieden hebben primair bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Voorts hebben zij een strafmaatverweer gevoerd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1 primair
medeplegen gekwalificeerde doodslag c.q. doodslag
zij op of omstreeks 12 september 2018, althans in of omstreeks de maand september 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben zij verdachte en/of haar, verdachtes, mededader(s) opzettelijk meermalen (telkens) althans eenmaal
ten gevolge van welk geweld en/of welke handelingen en/of de daardoor opgelopen verwondingen die [slachtoffer] is overleden,
welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten: een (poging tot) diefstal met geweld in vereniging en/of het medeplegen van afpersing en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of haar mededader(s) aan voormeld feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
(artikel 2:260 jo 2:259 jo 1:123 lid 1 sub a van het Wetboek van Strafrecht)
Feit 1 subsidiair
medeplichtig gekwalificeerde doodslag c.q. doodslag
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] op of omstreeks 12 september 2018, althans in of omstreeks de maand september 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven hebben beroofd, immers heeft/hebben zij opzettelijk meermalen (telkens) althans eenmaal
ten gevolge van welk geweld en/of welke handelingen en/of de daardoor opgelopen verwondingen die [slachtoffer] is overleden,
welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten: een (poging tot) diefstal met geweld in vereniging en/of het medeplegen van afpersing, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of haar mededader(s) aan voormeld feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, op 12 september 2018, althans in of omstreeks de maand september 2018 opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:
(artikel 2:260 jo 2:259 jo 1:124 sub a van het Wetboek van Strafrecht)
Feit 2 primair,
diefstal met geweld in vereniging en/of medeplegen afpersing, de dood ten gevolge hebbend
zij op of omstreeks 12 september 2018, althans in of omstreeks de maand september 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (een) woning(en) gelegen op of aan [adres 3] en/of de [adres 4] en/of [adres 5] heeft/hebben weggenomen:
- een (aantal) sleutel(s) en/of (een) telefoon(s) en/of een auto, te weten een [automerk/model] en/of een geldbedrag in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar, verdachte, en/of haar mededader(s),
welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] gepleegd door haar, verdachte, en/of haar mededader(s), met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of haar mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
en/of
met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen tot afgifte van:
- een (aantal) sleutel(s) en/of (een) telefoon(s) en/of een auto, te weten een [automerk/model] en/of een geldbedrag, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar, verdachte, en/of haar mededader(s),
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (onder meer) bestond(en) uit het:
tengevolge van welk bovenomschreven feit die [slachtoffer] is overleden;
(artikel 2:291 lid 1 jo 3 jo 2:294 jo 1:123 lid 1 sub a van het Wetboek van Strafrecht)
Feit 2 subsidiair
medeplichtig atrako gevolgd door de dood
1. Een informatierapport d.d. 16 september 2018 van het Bureau Infodesk van het Korps Politie Curaçao, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 1]. De verbalisant heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
3. Op 10 augustus 2023 werden de 32 sporendragers die op het adres [adres 3] 87 zijn veiliggesteld, door de verbalisant [verbalisant 4]opgeslagen bij de Forensische Opsporing van de Eenheid Den Haag. Deze sporendragers zijn voorzien van een uniek Spoor Identificatie Nummer (SIN). De verbalisant heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] op of omstreeks 12 september 2018, althans in of omstreeks de maand september 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (een) woning(en) gelegen op of aan [adres 3] en/of de [adres 4] en/of [adres 5] heeft/hebben weggenomen:
- een (aantal) sleutel(s) en/of (een) telefoon(s) en/of een auto, te weten een [automerk/model] en/of een geldbedrag, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar, verdachte, en/of haar mededader(s),
welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] gepleegd door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3], met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of haar mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
en/of
met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen tot afgifte van:
- een (aantal) sleutel(s) en/of (een) telefoon(s) en/of een auto, te weten een [automerk/model] en/of een geldbedrag, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar, verdachte, en/of haar mededader(s),
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (onder meer) bestond(en) uit het:
tengevolge van welk bovenomschreven feit die [slachtoffer] is overleden;
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, op 12 september 2018, althans in of omstreeks de maand september 2018 opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:
(artikel 2:291 lid 1 jo 3 jo 2:294 jo 1:124 sub a van het Wetboek van Strafrecht)
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak van feit 1
De verdachte heeft van de doodslag geen wetenschap gehad en was ook niet aanwezig toen het slachtoffer van het leven werd beroofd. Het Gerecht is daarom met de officier van justitie en de raadslieden van oordeel dat de verdachte van de onder feit 1 ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag dient te worden vrijgesproken, vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Het Gerecht zal dienovereenkomstig beslissen.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 2 primair
zij op of omstreeks 12 september 2018, althans in of omstreeks de maand september 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (een) woning(en) gelegen op of aan [adres 3] en/of de [adres 4] en/of [adres 5] heeft/hebben weggenomen:
- een (aantal) sleutel(s) en/of (een) telefoon(s) en/of een auto, te weten een [automerk/model] en/of een geldbedrag in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar, verdachte, en/of haar mededader(s),
welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] gepleegd door haar, verdachte, en/of haar mededader(s), met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijker te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of haar mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
en/of
met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen tot afgifte van:
- een (aantal) sleutel(s) en/of (een) telefoon(s) en/of een auto, te weten een [automerk/model] en/of een geldbedrag, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar, verdachte, en/of haar mededader(s),
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (onder meer) bestond(en) uit het:
tengevolge van welk bovenomschreven feit die [slachtoffer] is overleden;
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
“(…) Op 14 september 2018 omstreeks 14:00 uur verscheen bij het Wijkbureau Montagne een melder die later bleek te zijn: [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1964, wonende op het adres [adres 3] . [betrokkene 1] gaf te kennen dat zijn vriend, genaamd [slachtoffer], al sinds woensdag 12 september 2018 omstreeks 20:00 uur nergens meer te bekennen is. (…)”
2. Op 16 september 2018 hebben de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] naar aanleiding van de gemelde vermissing van [slachtoffer], een forensisch onderzoek verricht op het adres [adres 3]. Er werden in totaal 32 sporen veilig gesteld, waaronder leesbrillen, lege bierflessen, Monster drink, een lege fles Black Label, sigarettenpeuken en een Coca Cola fles. Op 27 juli 2023 werden de 32 sporendragers die op voormeld adres zijn veiliggesteld in twee verpakte dozen opgehaald bij LIRC te Zoetermeer. Op 10 augustus 2023 werden voormelde verpakte dozen overgedragen aan [verbalisant 4] van de Forensische Opsporing van de Eenheid Den Haag.
“(…) De volgende sporen en sporendragers werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:
(…)
Sporendragers
4. De vloeistof afkomstig uit de whiskyfles [SIN 1](SIN (van de NFI)[SIN 2]) is door dr. [dokter 1] van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzocht. Dr. [dokter 1] heeft in het NFI-rapport van 29 maart 2024 – voor zover van belang – het volgende gerapporteerd:
5. In de woning van de verdachte werden middels “Opnemen Vertrouwelijke Communicatie” (hierna: OVC) gesprekken opgenomen die tussen de verdachte en haar vriend op 30 augustus 2023 in voormelde woning zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 5] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
6. In de woning van de verdachte werden middels OVC gesprekken opgenomen die tussen de verdachte en haar vriend op 31 augustus 2023 in voormelde woning zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 6] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
7. In de woning van de verdachte werden middels OVC gesprekken opgenomen die tussen de verdachte en de (mede)verdachte [medeverdachte 4] op 2 september 2023 in voormelde woning zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 6] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
8. In de woning van de verdachte werden middels OVC gesprekken opgenomen die op 12 september 2023 tussen de verdachte en NNV2 in voormelde woning zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 6] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
9. In de woning van de (mede)verdachte [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]) werden middels OVC gesprekken opgenomen die op 1 september 2023 tussen [medeverdachte 4] en NN-man in voormelde woning zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 6] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
10. In de woning van de (mede)verdachte [medeverdachte 4] werden middels OVC gesprekken opgenomen die op 29 mei 2024 tussen [medeverdachte 4] en NN-man in de woning van [medeverdachte 4] zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 7] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
(…)
Goednummer : [goednummer]
SIN : [SIN 1]
Object : Fles
Aantal/eenheid : 1 stuk
(…)
Merk/type : Black Label
Land : Nederland
Bijzonderheden : Spoor [nummer]: lege fles sterke drank op aanrecht in plastic zak. (…)”
“(…) In de vloeistof uit de whiskyfles [SIN 2] zijn de geneesmiddelen promethazine en codeïne aangetoond. Deze stoffen kunnen iemand drogeren of bedwelmen.”
“(…) Waar in de uitwerking [verdachte] staat, wordt de verdachte [verdachte] bedoeld. [vriend van verdachte] is de vriend van de verdachte [verdachte]. (…)
[verdachte]: de man die ze zijn gaan gooien hmm.
(…)
[verdachte]: Achter, daar achter mijn huis zo.
(…)
[vriend van verdachte]: Je bent daar toch niet bij betrokken?
[verdachte]: Ik was toen dat gebeurde wel daar, weet je. (…) Ik was daar. Want het punt is (…) Ze waren op zoek naar iemand om naar de man toe te gaan. Want mogelijk had de man geld.(…)”
“(…) Als in het proces-verbaal gesproken wordt over [verdachte], wordt hier de verdachte [verdachte] mee bedoeld (…). Met [vriend van verdachte] wordt de vriend van de verdachte [verdachte] bedoeld (…). (…)
Onderstaande sessie start op 31 augustus 2023 om 08:50 uur en eindigt om 09:20 uur. (…)
[verdachte] = E
[vriend van verdachte] = R
(…)
E: Anyway daarna wilden ze iets te drinken maken en aan hem komen geven/ mee nemen. (…) Daarna zeiden ze zo van ja, dat ze zouden vertrekken (…)
E: (…) Ik bleef bij hem. Zij zijn vertrokken. (…)
E: Ze waren vertrokken…maar de man was…echt…het leek alsof hij dronken of onder invloed van drugs was. Maar hij was niet…hij is niet gaan slapen. (…)
E: Ik heb die meiden geappt na een half uur. Ik zei tegen hen: ‘kom mij halen, want deze man slaapt niet. (…)
E: Toen ik bij de auto aankwam zat [medeverdachte 4] in de auto want… (…)”
“(…) Onderstaande sessie start op 2 september 2023 om 10:39 uur tot en met 11:29 uur. Het betreft een conversatie tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] welke in beide woningen middels de OVC is opgenomen. (…)
[verdachte] = [verdachte]
[medeverdachte 4] = [medeverdachte 4]
(…)
F: (…) ze wilden het ding van die man halen/zoeken/hebben. (…)”
“(…) Onderstaande sessie start op 12 september 2023 om 09:39 uur en eindigt omstreeks 09:53 uur. (…)
[verdachte]: (…) Dus hij deed de deur voor me open, dus ik stapte, tap, uit, stapte in de auto denkende dat het klaar was zodat iedereen weggaat, kwam ik, ik kwam de kerels en het andere meisje gewoon om de hoek tegen. (…)”
“Onderstaand gesprek betreft een gesprek tussen de verdachte (…) [medeverdachte 4] en een NN-man die door [medeverdachte 4] [betrokkene 2] wordt genoemd. Mogelijk betreft het hier (…) de (ex)partner van [medeverdachte 4]. (…)
Onderstaande sessie start op 1 september 2023 om 17:42 uur en eindigt omstreeks 17:57 uur. (…)
E = [medeverdachte 4]
N = NN-man
(…)
E: We gingen rotzooien met een gast ‘makamba’ (= Hollander) in [adres 3] (…) we zouden hem beroven (…) we waren met z’n vijven (…)
E: (…) het ging fout. Nee, we hebben zijn sleutels en alle klote dingen gepakt om naar zijn andere huis te gaan (…), want eigenlijk was de kluis in het huis, dat wisten we al maar euh…(…)
E: (…) maar we konden de sleutels niet vinden (…)”
“(…) 00:03:38
[medeverdachte 4]: (…) Terwijl de kluis (ntv) [adres 6]. (…) Weet je tegenover Napa (fon) op Curaçao…Wanneer je die straat inrijdt…nou, die man had (ntv)…in dat huis (ntv). (…) slaappil. Die meid werkt vanzelf bij [bedrijf]. Ze heeft het vloeibaar gemaakt (…). (…) Ze heeft hem drugs gegeven. Ze heeft mollie gebruikt. (…)
[medeverdachte 4]: Die meid heeft gezegd dat we geld in het huis zouden vinden. (…)”
11. In de woning van de (mede)verdachte [medeverdachte 4] werden middels OVC gesprekken opgenomen die op 30 mei 2024 tussen [medeverdachte 4] en [betrokkene 3] in de woning van [medeverdachte 4] zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 5] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
“(…) E: Die meid werkte bij de [bedrijf]…[medeverdachte 1].
(…) E: (…) Ze zei tegen ons om naar het huis van die man in [adres 3] te gaan. Dus, toen liet ze mij weten dat het een semi-seks-pay was. En vanuit daar zou zij naar het huis van die man gaan in [adres 6]. (…)
E: …om in de kluis te gaan. Toen we aankwamen moest de beveiliging onze id’s en onze dingen nemen. (…)
E: De auto kwam toen net naar buiten. Die man toeterde en gaf de beveiliging aan: “Laat ze komen!” Ze hebben geen id’s genomen. We zijn naar binnen gegaan. (…)
E: (…) De mannen begonnen drank in te schenken en zo. (ntv) Ze hebben spul in de drank van die man gegooid. Ze hebben “mol/mollie” (fon) in de drank van die man gegooid. (…)
E: Het was zo, de man moest gedrogeerd worden om zo snel mogelijk bij de kluis te kunnen komen. (…)
E: (…) Ze hebben mollie in zijn drank gestopt. Ze hebben er slaappil in gestopt zodat hij ging slapen. Niets! (…)
E: (…) ze waren allemaal op het geld af (…)
E: Die man reageerde nergens op. Hij was dronken, maar hij was goed bij. Geen enkele drugs had toen nog reactie op hem. (…) Toen zeiden wij: “Nou laten we naar huis gaan.” Maar die man zat nog steeds op [verdachte] ([verdachte]). Die meid zei tegen [verdachte], blijf jij maar, wij nemen alle sleutels mee en gaan naar het huis in [adres 6]. (…) We waren toen met z’n vieren vertrokken en gingen naar het huis in [adres 6]. (…)
00. 05:44
12. In de woning van de (mede)verdachte [medeverdachte 4] werden middels OVC gesprekken opgenomen die op 30 mei 2024 tussen [medeverdachte 4] en [betrokkene 2] in de woning van [medeverdachte 4] zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 7] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
13. De verdachte werd op 3 juni 2024 omstreeks 14:14 uur verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:
14. De verdachte werd op 5 juni 2024 omstreeks 10:52 uur verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:
15. De (mede)verdachte [medeverdachte 4] werd op 12 juni 2024 omstreeks 09:41 uur verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:
16. De (mede)verdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) werd op 6 juni 2024 omstreeks 12:43 uur verhoord. Hij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:
17. De (mede)verdachte [medeverdachte 2] werd op 12 juni 2024 omstreeks 10:45 uur verhoord. Hij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:
18. De (mede)verdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) werd op 11 juni 2024 omstreeks 10:35 uur verhoord. Hij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:
19. De (mede)verdachte [medeverdachte 3] werd op 11 juni 2024 omstreeks 15:26 uur verhoord. Hij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:
20. De (mede)verdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) werd op 5 juni 2024 omstreeks 09:40 uur verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:
21. De verdachte heeft ter terechtzitting het volgende verklaard:
(…)
E: (…) Ze wist al dat de man een kluis had in [adres 6]. In ieder geval, ik begon [verdachte] te appen. (…) Ik zei tegen haar: “Ik zeg je zo meteen wanneer we er zijn.” (…)
E: Toen we daar aankwamen, Ja….[verdachte]…Ik zei tegen haar: “We zijn er. Kom naar buiten.”(…)”
“(…) E: (…) op geen enkel moment was het opzettelijk (letterlijk. Vrij vertaald: de opzet) om die man te doden (…)
A: Maar het opzettelijke (letterlijk. Vrij vertaald: de opzet) was wel om dingen van hem af te pakken.
E: Ja. (…)”
“(…) In 2018, september, had ik een vriendin, zij is [medeverdachte 4] (…). We zaten samen in de klas en ze zei: ‘er is een poolparty’. Ze vroeg mij om mee te gaan.(…) ik denk rond 20:00 uur vroeg [medeverdachte 4] ([medeverdachte 4]) mij weer of ik meega naar de poolparty. (…) ik ging mee. Ze kwamen ons ophalen, (…) We gingen naar de meneer. (…) We waren met z’n vijven. (…) ik zag ze drank inschenken voor de meneer. (…) Toen zeiden ze dat ze dingen zouden gaan kopen en toen bleef ik met die meneer. (…) Toen vroeg [medeverdachte 4] aan mij, via de app, is die meneer gaan slapen. Ik zei nee, kom mij halen (…) Na een tijdje kwamen ze mij halen. Hij is met mij naar beneden gegaan, ongeveer drie treden naar beneden (…) Het duurde wel voordat hij de deur openmaakte, hij was niet stabiel, hij wankelde. (…). (…) Ik stapte in de auto. (…)”
“(…) V: Is er door anderen wel wat gedronken daar?
A: Ik zag hen drank voor die meneer inschenken. De 2 mannen en [medeverdachte 1]. Die waren daar mee bezig (…)”
“(…) V: Hoe gingen jullie naar de woning van [slachtoffer]?
A: Met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. We waren met z’n vieren in de auto. [medeverdachte 1] was er nog niet bij. (…)
V: Hoe kwamen jullie binnen bij [adres 3]?
A: Via de security kwamen we binnen. [slachtoffer] kwam net aanrijden en zei tegen de security laat hun doorgaan. Toen zijn we doorgereden (…)
V: Hoe ging dat nu met iets door het drankje doen? Wie van de twee mannen deed dit?
A: (…) de ene keer deed [medeverdachte 3] het en de andere keer [medeverdachte 2] (…)
V: Wat werd er door de drank gegooid?
A: (…) er was Molly en een slaappil. (…)
V: Wat was de bedoeling van het drogeren?
A: [medeverdachte 1] wilde dat hij in slaap zou vallen en dat zij naar het andere huis in [adres 6] zou gaan. (…)
V: Waar bleef [verdachte] achter?
A: [medeverdachte 1] had haar gezegd om te blijven. (…)
V: Wat moest [verdachte] doen bij de man in de woning toen jullie weggingen?
A: (…) Ik heb haar toen gezegd (…) dat we onderweg waren terug naar de woning. (…)
A: Daarvoor zijn we naar [adres 6] gegaan. We gingen eerst naar een andere huis van [slachtoffer] in [adres 6]. Als je via Napa aan de Caracasbaaiweg erin rijdt, daar in de buurt. (…)
M: Via Google maps werd op aanwijzen van de verdachte [medeverdachte 4] door de [adres 4] gelopen en werd het pand waar het slachtoffer een woning in had door de verdachte herkend. (…)
V: Hoe kwamen jullie aan de sleutels?
A: Volgens mij had [medeverdachte 1] die binnen gepakt. Ik had sleutels daarbinnen gezien bij de woning te [adres 3]. (…)
A: We waren met z’n vieren.
V: Hoe wisten jullie van het bestaan van deze woning?
A: [medeverdachte 1] is daar naartoe gereden (…)
V: De vorige keer had jij het over een Rolex, hoe wist je dat?
A: [medeverdachte 1] had gezegd dat er een Rolex daar was en geld in een kluis. (…)
V: Wie zijn idee was dit om naar de andere woning te gaan?
A: (…) [medeverdachte 1] kwam ons zeggen dat [verdachte] zou achterblijven en dat wij zouden gaan.
V: Wie had de sleutels in zijn handen bij die andere woning in [adres 6]?
A: [medeverdachte 1] is uitgestapt. (…)
A: Volgens mij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ook. (…)
A: Ik bleef in de auto. (…)
V: Waar waren de sleutels in de auto?
A: Volgens mij had [medeverdachte 1] die op een moment in haar handen en later zag ik ze in de tussenruimte bij de handrem. (…)
V: Wat is er besproken toen jullie terugreden naar [adres 3]?
A: Zij vroegen mij om aan [verdachte] te vragen of de man al sliep. (…)
V: Wat gebeurde er toen?
A: Ik heb [verdachte] een app gestuurd, we zijn aangekomen kom naar buiten. (…)
A: [verdachte] is toen gekomen.
A: [verdachte] bleef in de auto zitten.(…)”
“(…) V: Je zegt dat je het hele verhaal wil vertellen vanaf het begin.
A: (…) Ik kan mij wel herinneren dat [medeverdachte 1] tegen mij had gezegd dat zij een oudere meneer had die bereid was te betalen voor seks en dat hij een trio wilde hebben. (…)
V: Hoe zijn jullie gegaan?
A: We zijn met de auto gegaan. De man stond buiten op ons te wachten. Hij was naar de portier gegaan om te zeggen dat wij zouden komen. (…)
V: Wie gingen er weg?
A: Ik, [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4].
V: Waar gingen jullie heen?
A: Het huis van [medeverdachte 1]. (…)
V: Wie heeft de slaappil erin gedaan?
A: Volgens mij was het [medeverdachte 1]. (…)
V: In welke drank ging die slaappil?
A: Black Label.
V: Dronk de meneer er ook van?
A: Ja. (…)”
“(…) V: Wie kwam er op het idee over de afspraak met [slachtoffer]?
A: [medeverdachte 1]. (…)
V: Wist iedereen van tevoren wat jullie gingen doen op [adres 3]?
A: Ja.
V: Wat wist iedereen toen jullie gingen naar [adres 3]. Kun je dat vertellen?
A: Het begon ermee dat [medeverdachte 1] zei dat ze de man in slaap zou brengen. Op dat moment zouden we kunnen zien wat we allemaal konden meenemen. (…)
V: Wie heeft drogerende spullen meegenomen?
A: [medeverdachte 1]. (…)
V: Jullie komen aan bij de woning op [adres 3]. Dan is er een poolparty. Vertel, wat gebeurt er in en rond het zwembad? (…)
A: De meneer kwam ons ophalen bij de poort. We zijn naar het huis gegaan. We zijn naar binnen gegaan. (…)
V: Je bent toch naar een ander huis gegaan in [adres 6]?
A: Het huis van die meneer? We zijn daar langs gegaan inderdaad. (…)
V: Waarom gingen jullie naar de andere woning?
A: (…) [medeverdachte 1] had gezegd dat daar een kluis was. (…)”
“(…) V: Wie heeft de drogerende middelen in het drankje gedaan?
A: Dat heeft [medeverdachte 1] gedaan. (…)
V: Jij hebt het over het plan. Hoe is dat ontstaan?
A: (…) Op de dag zelf. In de middag werd ik benaderd dat er een poolparty was. Daarna heb ik gehoord dat er een plan was van een overval.
V: Wanneer op die dag?
A: Dat was voordat er begonnen was met het pakken van de sleutels en zo. (…)
(…).”
“(…) V: Je hebt verklaard dat [medeverdachte 1] tegen [verdachte] zei dat zij met de man bezig moest zijn. [medeverdachte 1] ging samen met [medeverdachte 3] de woning in en jij was met [medeverdachte 4] in de pool. Hoe wisten jullie wat jullie moesten doen?
A: [medeverdachte 1] heeft de taken verdeeld. Zij heeft iedereen instructies gegeven. (…)
V: Kan je ons stap voor stap meenemen?
A: Wij kwamen aan bij de gate van [adres 3] en die man kwam ons tegemoet. Wij reden naar het huis achter die meneer aan. Net voordat wij uit de auto stapten, vertelde [medeverdachte 1] wat wij allemaal moesten gaan doen. [verdachte] moest de man bezighouden. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] moesten samen zijn en ik en [medeverdachte 4] moesten ook samen zijn. (…)
V: Je zei dat het plan daarvoor nog niet duidelijk was. Wat was er wel duidelijk?
A: Dat er een poolparty was. Het plan om iemand te beroven werd mij daar pas duidelijk. (…)
V: (…) wat moesten jullie doen?
A: (…) Toen wij aankwamen bij de woning wisten wij pas dat wij de man wilden beroven. [verdachte] moest de man bezighouden, zodat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in de woning hun ding konden doen, konden gaan stelen. Ik was samen met [medeverdachte 4] in het zwembad.
V: Is er ook besproken wat het entertainen in moest houden, wat [verdachte] moest gaan doen?
A: Nee, ze moest die man gewoon vermaken.
V: Jij en [medeverdachte 4] moesten in het zwembad blijven, waarom?
A: Om die man in de gaten te houden en de man af te leiden. Het afleiden was volgens het plan echt de taak van [verdachte]. Maar omdat [verdachte] zo zenuwachtig was, zijn we haar gaan helpen. We hebben toen ook de man afgeleid. We hebben met hem gepraat en zo, en konden hem in de gaten houden. (…)
V: Je hebt eerder verteld dat je aan kon geven waar het appartement ligt waar jullie naartoe zijn gegaan. Hoe heet de straat?
(…) A: Het is de [adres 4]. (…)
V: Vertel eens over het drogeren. Wie heeft dat in het drankje van [slachtoffer] gedaan?
A: [medeverdachte 1] had de pil meegenomen en in het drankje van [slachtoffer] gedaan.
V: Jij wordt [medeverdachte 3] genoemd toch door anderen?
A: Ja, dat klopt. (…)”
“(…) V: (…) Waar werkte je daarvoor?
A: (…) Ik werkte privé, (…) [bedrijf] (…).
V: Was het op voorhand de bedoeling dat jullie seks zouden hebben en [medeverdachte 2] iets zou pakken?
A: Ja, de vrouwen zouden zorgen voor seks en de party, de afleiding. De mannen zouden dan de gelegenheid hebben om iets te stelen.
V: Wie wisten van deze afspraak?
A: Ik, [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 4]. Wij wisten eigenlijk allemaal wat we zouden gaan doen. De vrouwen zorgden dat [slachtoffer] bezet zou zijn en de mannen konden dan iets stelen. (…)”
“(…) We werden door de jongens opgehaald. (…) Bij de ingang van [adres 3] ging de hefboom open voos ons. (…) Er werd gedronken. (…) er werd drank ingeschonken voor de meneer. (…) Toen zei [medeverdachte 1] dat ze even weg zullen gaan en zo meteen zouden terugkomen. (…) Na een tijdje werd ik door [medeverdachte 4] geappt en zij zei dat de mensen vragen of de meneer is gaan slapen. (…)”
Bewijsoverwegingen
De raadslieden hebben bepleit dat de verdachte van het onder feit 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Zij hebben daartoe – samengevat – aangevoerd dat de verdachte geen kennis van enig plan van een seksparty, ook niet van beroving en moord, droeg. De verdachte was naar de woning van het slachtoffer gegaan daar zij was uitgenodigd voor een poolparty. Zij had haar badkleding bij zich en is daar daadwerkelijk gaan zwemmen. De verdachte had geen slaapmiddelen of drugs toegevoegd aan de drank van het slachtoffer. Zij had geen drank voor het slachtoffer ingeschonken. Ook had zij geen intentie om het slachtoffer af te zonderen of hem af te leiden. Toen haar mededaders naar een andere verblijfplaats van het slachtoffer waren gegaan en zij met hem is achtergebleven, dacht zij dat de mededaders iets te eten gingen halen. Echter wilde zij naar huis gaan. De verdachte heeft herhaaldelijk gezegd om haar weg te brengen, nog voordat de mededaders weggingen wou zij naar huis. Zij was oprecht bezorgd over – wat zij dacht – de beschonken toestand van het slachtoffer en wist op dat moment niet dat het slachtoffer gedrogeerd was. Toen haar via de telefoon gevraagd werd of de man al aan het slapen was, heeft zij toen ook weer tweemaal gevraagd om haar onmiddellijk op te halen om haar naar huis te brengen. Zij voelde op dat moment dat er iets niet pluis was. Voorts had zij het slachtoffer nooit belet om de politie te bellen. Zij had hem zelfs aan de telefoon horen praten toen ze zichzelf aan het afspoelen was. Zij had het slachtoffer niet dood gezien, heeft niet geholpen om het lijk in de auto te zetten en haar DNA is ook niet op het lijk van het slachtoffer en/of op de fles whisky aangetroffen. Op het moment dat de anderen terugkwamen was de verdachte direct in de auto gaan zitten. Zij heeft verder niets gezien. Zij was al buiten toen het slachtoffer in een handgemeen zou zijn verwikkeld geraakt en had op dat moment geen idee van wat er gebeurde.
De verdachte is als willoos werktuig gebruikt door de medeverdachten die hele andere plannen hadden in plaats van een poolparty. Zij werd door de medeverdachten bedreigd en door angst tegengehouden om naar de politie te stappen. Voorts komen de belastende verklaringen van de verdachte [medeverdachte 1] niet overeen met die van de verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en van de verdachte zelf.
De verdachte heeft vanaf aanvang eenzelfde verklaring afgelegd. Zij kende met uitzondering van haar nicht (het Gerecht begrijpt: de verdachte [medeverdachte 4]) de anderen vóór die avond niet. Voor wat betreft de bijdrage van de verdachte aan het delict, had zij geen enkele en ook geen wezenlijke bijdrage geleverd aan het delict waardoor niet kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking. Zij was hoogstens op het verkeerde moment in de omgeving van een verkeerde plaats. Zij heeft getracht zich te distantiëren van de groep. Niet is aan te tonen dat de verdachte uit opzet heeft gehandeld, aldus nog steeds de raadslieden.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Algemeen
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, de overige stukken van het geding en het onderzoek ter terechtzitting is het volgende buiten redelijke twijfel komen vast te staan.
Het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) werd zowel op 14 als 15 september 2018 als vermist aangemeld. Hij zou op 12 september 2018 samen met de pick-up, een [automerk/model], voorzien van het kenteken [kentekennummer](hierna: het voertuig), spoorloos zijn verdwenen, en zou ten tijde van de vermissing in de woning te [adres 3] hebben verbleven.
Tijdens de op 16 september 2018 in de woning te [adres 3] gedane forensische opsporing zijn 32 sporen, waaronder een lege fles whisky (Black Label) veiliggesteld. In de (resterende) vloeistof uit die fles whisky zijn de drogerende of bedwelmende geneesmiddelen promethazine en codeïne aangetoond.
Op 5 juli 2019 werd een voertuig op de bodem van de zee aan de Noordkust ter hoogte van [adres 2] aangetroffen. Dit voertuig bleek de vermiste [automerk/model] te zijn. Het voertuig werd op 17 juli 2019 uit de zee gehaald. In het voertuig werden botresten aangetroffen, die na DNA-onderzoek van het slachtoffer bleken te zijn.
Op 12 september 2018 heeft een ontmoeting tussen de verdachte en het slachtoffer op [adres 3] plaatsgevonden, waarbij het (aanvankelijk) om een seks-poolparty ging. Daarbij waren aanwezig de verdachte en de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 4], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3].
Volgens de verklaringen van de verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] kwam de verdachte [medeverdachte 1] met het plan om het slachtoffer te beroven en had zij dat plan pas toen ze op [adres 3] waren aan hen meegedeeld. Iedereen kreeg een taak toebedeeld. De meiden, de verdachten [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1], moesten het slachtoffer met seks afleiden, zodat de mannen het slachtoffer konden bestelen. Hiervoor moest het slachtoffer worden gedrogeerd, zodat hij in slaap zou vallen en zij hem konden bestelen. Er is slaappil en/of molly aan de drank van het slachtoffer toegevoegd. Aan de whisky werden promethazine en codeïne toegevoegd. Op een gegeven moment is de verdachte [medeverdachte 1] met de in de woning te [adres 3] weggenomen sleutels en ter uitvoering van het berovingsplan samen met de verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] naar de woning van het slachtoffer aan de [adres 4] vertrokken. Dit met het doel om bij een volgens de verdachte [medeverdachte 1] daar aanwezige kluis te komen. De door hen meegenomen sleutels pasten niet. In de tussentijd is de verdachte alleen met het slachtoffer achtergebleven. Zij onderhield telefonisch contact met de verdachte [medeverdachte 4] om door te geven of het slachtoffer al dan niet in slaap was gevallen.
Voormelde poging om het huis binnen te dringen, wekte grote boosheid bij de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]. De verdachte [medeverdachte 1] heeft toen gezegd: “Dit wordt een overval of een moord.” Hierna gingen ze naar het huis van de verdachte [medeverdachte 1]. Daar had de verdachte [medeverdachte 1] naalden en pilletjes c.q. nog meer drogerende middelen gehaald. Vervolgens reden ze terug naar de woning te [adres 3].
Bij terugkomst te [adres 3] ging de verdachte bij de verdachte [medeverdachte 4] in de auto zitten. De verdachte [medeverdachte 1] ging samen met de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] het huis binnen. Het slachtoffer werd door de verdachte [medeverdachte 1] en de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aangevallen en overmeesterd. Er ontstond een gevecht. Tijdens het gevecht werd het slachtoffer door zowel de verdachte [medeverdachte 2] als de verdachte [medeverdachte 3] gewurgd en door de verdachte [medeverdachte 2] geslagen. Volgens ook de verklaring van de verdachte [medeverdachte 4] die op een gegeven moment van dichtbij is gaan kijken, had de verdachte [medeverdachte 1] het slachtoffer met een stof geïnjecteerd waarna het slachtoffer daar slap van werd. De verdachte [medeverdachte 4] heeft het idee opgeworpen om naar [adres 2] te gaan.
Het lichaam van het slachtoffer werd door de verdachte [medeverdachte 1] en de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gezamenlijk naar het voertuig gedragen c.q. versleept en achterin geplaatst. Vervolgens zijn de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in het voertuig naar [adres 2] gereden. De verdachte en de verdachte [medeverdachte 4] zijn samen met de verdachte [medeverdachte 1] in haar huurauto vertrokken. Onderweg naar [adres 2] zijn zij over de Julianabrug gereden. De verdachte [medeverdachte 4] heeft de telefoon van het slachtoffer vanaf de Julianabrug in zee geworpen. Vervolgens werd de verdachte thuis gebracht. De verdachte [medeverdachte 1] is samen met de verdachte [medeverdachte 4] naar [adres 2] gereden, waar zij zich bij de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hadden aangesloten.
Bij [adres 2] werd het slachtoffer op de bestuurdersstoel van het voertuig geplaatst. Vervolgens werd het voertuig in ‘Drive’-stand gezet en is het de zee ingereden.
Diefstal met geweld
Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde feit overweegt het Gerecht dat het wettig en overtuigend bewezen kan worden, voor zover het ziet op de diefstal van een aantal sleutels.
Uit de bewijsmiddelen leidt het Gerecht af dat er sprake was van twee afzonderlijke diefstalmomenten.
Eerste diefstalmoment
Het eerste diefstalmoment betreft het wegnemen van de sleutels van het slachtoffer, ter uitvoering van het plan om op zoek te gaan naar een kluis in het door het slachtoffer bewoonde appartement aan de [adres 4] en zich de inhoud daarvan wederrechtelijk toe te eigenen. Daarvoor werd het slachtoffer via zijn drank gedrogeerd. Hierbij hebben de verdachte en de andere verdachten onmiskenbaar getracht het slachtoffer in een staat van bewusteloosheid of onmacht te brengen, hetgeen ingevolge artikel 1:199 van het Wetboek van Strafrecht gelijkgesteld wordt met het plegen van geweld. Het wegnemen van de sleutels was een essentieel middel om toegang te verkrijgen tot de kluis en de daarin vermoedelijk aanwezige waardevolle goederen. Dit handelen vormt een voltooid strafbaar feit, ongeacht het feit dat het beoogde doel – toegang tot de kluis en het stelen van de inhoud daarvan – niet is gerealiseerd.
Medeplegen
Ten aanzien van het eerste diefstalmoment, dat is voorafgegaan van en vergezeld van geweld, is sprake van medeplegen tussen de verdachte en de andere vier verdachten. De verdachte had overeenkomstig het plan een actieve bijdrage geleverd door het slachtoffer thuis te vergezellen en hem aldus af te leiden, terwijl de andere verdachten zich naar het appartement van het slachtoffer begaven met het oogmerk de vermeende kluisinhoud te bemachtigen. In haar (actieve) rol onderhield de verdachte telefonisch contact met de verdachte [medeverdachte 4], waarbij zij haar op de hoogte hield over de toestand van het slachtoffer; of hij al dan niet in slaap was gevallen. Gelet op deze gedragingen, in samenhang met de gezamenlijke uitvoering van het berovingsplan, is het Gerecht van oordeel dat de verdachte een zodanige materiële bijdrage heeft geleverd dat gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking voor wat betreft het eerste diefstalmoment.
De verdachte heeft nog verklaard dat zij pas een dag na het incident door de verdachte [medeverdachte 4] is verteld dat het de bedoeling was om het slachtoffer te laten slapen ‘zodat zij hun dingen in het huis konden doen’, en dat zij (en de verdachte [medeverdachte 4]) in de situatie verzeild is/zijn geraakt.
Het Gerecht acht deze verklaring niet geloofwaardig. Deze wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de OVC-gesprekken waaraan zij zelf heeft deelgenomen. De aard, inhoud en context van die gesprekken duiden op daderkennis ten tijde van het bewezenverklaarde feit en niet op kennis achteraf. In de beslotenheid van haar woning, waar die gesprekken plaatsvonden en waar zij kennelijk vrijuit en in vertrouwen dacht te spreken, heeft zij er geen enkel moment melding van gemaakt dat wat zij vertelde achteraf aan haar werd verteld.
Tweede diefstalmoment
Met betrekking tot het tweede diefstalmoment en het overlijden van het slachtoffer heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd:
“Ze heeft zich niet gedistantieerd van de diefstal met geweld. Ook als de andere vier verdachten terugkomen en er fors, uiteindelijk dodelijk, geweld tegen [slachtoffer] wordt gebruikt, is [verdachte] als medepleger aan te merken. Weliswaar loopt ze de woning uit en gaat ze in de auto wachten, maar dat is onvoldoende om te zeggen dat ze zich toen onttrokken heeft aan de diefstal met geweld, waarvan het begin van de uitvoering al ruim daarvoor was aangevangen. Sterker nog, uit een opgenomen gesprek van 12 september 2023 blijkt dat [verdachte] heel goed wist wat de bedoeling was. Ze hoort van [medeverdachte 4] dat zij, samen met de medeverdachten, voor de deur staat. [verdachte] zegt tegen [slachtoffer] dat hij de deur moet opendoen, hetgeen hij doet. Als ze dan naar buiten loopt, komt ze de andere verdachten tegen en hoort ze dat zij de woning ingaan om op zoek te gaan naar geld. Hoewel [verdachte] niet zelf fysiek in de woning aanwezig is, op dat moment, blijft ze wel rustig in de auto wachten. [medeverdachte 4] verklaart dat toen [verdachte] naar de auto kwam zij van [verdachte] hoort dat ze met [slachtoffer] aan het vechten waren. Hoewel de rol van [verdachte] [medeverdachte 3] is dan die van de andere verdachten, speelt ze vanaf begin tot eind een wezenlijke rol en is ze dus als medepleger aan te merken van die diefstal. Weliswaar was [verdachte] er niet bij toen [slachtoffer] overleed, maar aangezien het intreden van de dood bij [slachtoffer] bij dit feit is geobjectiveerd, is het niet vereist dat het opzet van [verdachte] daarop gericht was. (…)
Dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] als medeplegers te beschouwen zijn, is evident. Zij hebben immers van begin tot eind een wezenlijke rol en bijdrage geleverd in het beroven van [slachtoffer]. Allen hebben fysiek geweld tegen hem gebruikt en ze zijn alle drie op zoek gegaan naar een andere woning van [slachtoffer] waar mogelijk meer te vinden was. Ook wilden alle drie bij terugkomst op [adres 3] geweld tegen [slachtoffer] gebruiken om hem zo te dwingen geld te geven of te vertellen waar een kluis was. Sterker nog, alle drie hebben ook daadwerkelijk geweld tegen [slachtoffer] gebruikt. Geweld wat [slachtoffer] uiteindelijk fataal is geworden.
Conclusie: er is voldoende wettig en overtuigend bewijs dat alle vijf verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld, waarbij [slachtoffer] is overleden.”
Het Gerecht deelt deze opvatting en conclusie niet en overweegt daartoe als volgt.
Het tweede diefstalmoment deed zich voor bij de terugkomst van de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] te [adres 3], nadat de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] het slachtoffer hadden mishandeld teneinde informatie over de kluis te verkrijgen. Tijdens en/of direct na deze mishandeling hebben zij wederrechtelijk de telefoon en het voertuig van het slachtoffer weggenomen.
Ten aanzien van het tweede diefstalmoment volgt uit de inhoud van het dossier dat de verdachte zich na voltooiing van het eerste diefstalmoment heeft onttrokken aan het verdere verloop van de gebeurtenissen. Zij heeft op geen enkele wijze deelgenomen aan het tweede diefstalmoment en de daaraan verbonden geweldsexplosie. Integendeel, zij heeft expliciet te kennen gegeven naar huis gebracht te willen worden en heeft zich op duidelijke en kenbare wijze van de overige verdachten gedistantieerd door bij aankomst van de andere verdachten in de auto plaats te nemen en daarin te blijven totdat zij thuis werd afgezet. Zij heeft zich aldus verder afzijdig gehouden. Gelet op de omstandigheden van het geval vermag het Gerecht niet in te zien wat nog meer in dat kader van de verdachte gevergd had kunnen worden om zich te distantiëren.
Het Gerecht acht derhalve onvoldoende bewijs aanwezig om te concluderen dat de verdachte medepleger is geweest van ook het tweede diefstalmoment.
Strafverzwarende omstandigheid ‘de dood ten gevolge hebbende’
Onder feit 2 primair is de strafverzwarende omstandigheid ten laste gelegd dat de diefstal met geweld de dood van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad.
Voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde strafverzwarende gevolg van het handelen van de verdachte, te weten: het overlijden van het slachtoffer, is niet vereist dat sprake is van opzet van de verdachte op dat gevolg. Bij het strafverzwarende gevolg als bedoeld in artikel 2:291, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht gaat het immers om een geobjectiveerd bestanddeel, dat aan de opzeteis is onttrokken. Voor een bewezenverklaring van het strafverzwarende gevolg is wel vereist dat een zodanig verband dient te bestaan tussen de diefstal met geweld en de dood van het slachtoffer, dat de dood redelijkerwijs als gevolg van dat feit aan de verdachte kan worden toegerekend. Voor die toerekening dient in dit geval naast een causaal verband sprake te zijn van enige mate van voorzienbaarheid.
Het Gerecht ziet zich gesteld voor de vraag wat de doodsoorzaak van het slachtoffer is.
De officier van justitie komt tot de tussenconclusie dat de verdachte [medeverdachte 1] en de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] het slachtoffer hebben geslagen, gewurgd en geïnjecteerd, waardoor het slachtoffer opzettelijk van het leven is beroofd (zie pagina 13 requisitoir). Dat het slachtoffer – daardoor – is overleden, onderbouwt de officier van justitie als volgt:
‘Wat duidelijk is geworden is dat na de tweede geweldsepisode [slachtoffer] is overleden. [slachtoffer] is overleden nadat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de woning zijn binnengestormd, nadat zij onverrichte zaken terugkeerden naar [adres 3]. [medeverdachte 4] kwam niet veel later erbij staan met de zaklamp die, zoals zij zelf zegt, fel op hen scheen. [medeverdachte 4], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] verklaren alle vier dat [slachtoffer] meermalen is geslagen, verwurgd en daarna met een spuit is geïnjecteerd. In deze spuit zou molly zitten, nadat hij al reeds andere middelen toegediend had gekregen. Alle vier hebben verklaard dat na het verwurgen en injecteren, [slachtoffer] niet meer in leven was. [medeverdachte 1] heeft gevoeld voor een hartslag, maar constateerde dat [slachtoffer] die niet meer had en dus was overleden. [slachtoffer] hapte eerst nog naar lucht en stopte toen met ademhalen. Later, bij [adres 2], heeft [medeverdachte 2] ook gevoeld of [slachtoffer] nog hartslag had. Dat was niet het geval. [medeverdachte 4] verklaarde dat [slachtoffer] paars was aangelopen. Bij de rechter-commissaris heeft [medeverdachte 4] verklaard dat zij bij [adres 2], nadat ze het licht van haar telefoon heeft aangezet, zag dat zijn gezicht groot en opgezwollen was en ze hoorde zeggen dat [slachtoffer] heel zwaar geworden was.’ (requisitoir pagina 11 en 12).
Uit de conclusies van de forensisch patholoog blijkt echter dat de doodsoorzaak van het slachtoffer niet kan worden vastgesteld. Dit brengt met zich dat het, in tegenstelling tot het standpunt van de officier van justitie, niet (zonder meer) wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het slachtoffer als gevolg van het drogeren, het fysieke geweld door de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en/of de door de verdachte [medeverdachte 1] toegediende injectie is komen te overlijden. Immers, zulks is door een medisch deskundige niet vastgesteld. Dat het slachtoffer kennelijk in de beleving van de verdachten bij aankomst op [adres 2] al was overleden, brengt het Gerecht niet tot een ander oordeel. Op grond van de geldende wet- en regelgeving is een geneeskundige bevoegd om het overlijden van een persoon vast te stellen. Het Gerecht overweegt in dit verband dat geen van de verdachten beschikt over medische bevoegdheid of deskundigheid om op medisch verantwoorde wijze de dood vast te stellen. Bovendien impliceert de subjectieve en niet-gekwalificeerde waarneming van de verdachten niet dat er sprake was van een medische of feitelijke doodstoestand op dat moment.
Hoewel het in de omstandigheden van het geval wellicht minder waarschijnlijk is, is het in theorie en in de praktijk mogelijk dat het slachtoffer, terwijl hij in kennelijke staat van bewusteloosheid verkeerde, nog wel in leven was voordat hij in het voertuig te water werd gelaten. Indien er veronderstellenderwijs van zou worden uitgegaan dat het slachtoffer klinisch gezien nog in leven was toen men bij [adres 2] aankwam, kan het echter niet anders zijn dan dat hij in ieder geval uiteindelijk om het leven is gekomen op het moment dat hij in de [automerk/model] in de zee terecht is gekomen.
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en de andere verdachten het plan hadden opgevat om het slachtoffer te drogeren, zodat hij in slaap zou vallen en zij hem konden bestelen. Toen de verdachte, begeleid door het slachtoffer, de woning verliet, was het slachtoffer nog in leven. Zij had hem aldus in die toestand achtergelaten. Op het moment dat zij de woning verliet, kwam zij de verdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] om de hoek tegen en vernam zij van hen dat zij op zoek naar geld waren. Zoals eerder overwogen had de verdachte zich, nadat zij de woning verliet, op duidelijke wijze van de overige verdachten gedistantieerd door plaats te nemen in de huurauto van de verdachte [medeverdachte 1] en daarin te blijven totdat zij thuis werd afgezet. Wat daarna binnen de woning en bij [adres 2] heeft plaatsgevonden, kan onder deze omstandigheden niet aan de verdachte worden toegerekend, nu niet is gebleken dat zij wetenschap had van de verdere gebeurtenissen noch dat zij redelijkerwijs had kunnen voorzien dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Het slachtoffer is door voor de verdachte onvoorziene handelingen van de andere verdachten komen te overlijden. Ook het enkele feit dat de verdachte [medeverdachte 4] tegen haar zou hebben gezegd dat de verdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] het slachtoffer gingen verneuken ("nan ta bai hodé”), maakt dit niet anders.
Zoals het Gerecht in de zaken tegen de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] heeft overwogen en geoordeeld, is de dood van het slachtoffer onmiskenbaar toe te rekenen aan de gedragingen van de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], ook indien met de officier van justitie zou worden geconcludeerd dat het slachtoffer al vóór het te water gaan was overleden. Het behoeft immers geen betoog dat het drogeren en met fors geweld mishandelen van een persoon, en het lichaam van het reeds overleden, zo niet, in kennelijke staat van bewusteloosheid verkerende slachtoffer in een voertuig plaatsen en het vervolgens te zee laten van dit voertuig een situatie creëert waarin het overlijden van het slachtoffer naar objectieve maatstaven voorzienbaar en onvermijdelijk is. Het gedrag van de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] vormt daarmee een directe en causale schakel met diens overlijden. Voor de verdachte [medeverdachte 4] geldt bovendien dat zij zich niet heeft gedistantieerd ten tijde van het drogeren, slaan, wurgen en injecteren van het slachtoffer; sterker nog, zij is degene die met het idee kwam om (het volgens haar dode) lichaam van het slachtoffer in de zee bij [adres 2] te gooien, waarbij zij ook aanwezig was.
Resumerend
Gelet op het voorgaande acht het Gerecht het niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte betrokken was bij het tweede diefstalmoment. Dit brengt met zich dat het Gerecht niet wettig en overtuigend bewezen acht dat de dood van het slachtoffer als gevolg van de diefstal met geweld redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend. Overigens heeft de officier van justitie in het kader van de strafmaat zelf ook geconcludeerd dat de rol van de verdachte ook enkel het afleiden van het slachtoffer was, zodat de andere verdachten op zoek konden naar buit. Anders dan de officier is het Gerecht daarom van oordeel dat het, gelet op de feitelijke rol van de verdachte het in het onderhavige geval te ver voert om haar verantwoordlelijk te stellen voor de dood van het slachtoffer. De verdachte zal derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Conclusie
Het Gerecht acht op grond van het handelen van de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], zoals dat hiervoor is beschreven, het onder 2 primair tenlastegelegde diefstal met geweld dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Het verweer wordt verworpen.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder 2 primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:288 juncto artikel 2:289 juncto artikel 2:291 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijker te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een “diefstal met geweld” (waarbij sprake is geweest van fysiek geweld), als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren gegeven.
In dit geval heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld. De verdachte is samen met de medeverdachten in de woning waar het slachtoffer verbleef gegaan, hebben het slachtoffer misleid, gedrogeerd en beroofd van zijn goederen. De verdachte heeft zich door haar handelen weinig blijk gegeven van respect voor het eigendomsrecht van een ander, alsook ernstige inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het Gerecht rekent de verdachte dit feit zwaar aan.
Het Gerecht houdt in het voordeel van de verdachte er rekening mee dat zij tot aan het bewezenverklaarde feit niet eerder was veroordeeld ter zake van misdrijf.
Het Gerecht heeft verder, wat de persoon van de verdachte betreft, kennisgenomen van het voorlichtingsrapport van 9 december 2024, het rapport van de psychiater van 5 december 2024 en het rapport van de psycholoog van 27 juni 2024.
De reclassering ziet geen noodzaak tot reclasseringsbegeleiding, maar acht wel psychologische behandeling wenselijk, gelet op de onverwerkte problematiek en opgekropte woede waar de verdachte mee kampt. Diagnostisch onderzoek heeft uitgewezen dat sprake is van PTSS en een depressieve stoornis, maar dat de verdachte desondanks het merendeel van haar leefgebieden op orde heeft.
De psychiater heeft geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor een psychiatrische stoornis ten tijde van het delict en dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is.
De psycholoog onderschrijft deze conclusie en acht haar eveneens volledig toerekeningsvatbaar. Hoewel zij psychologische kwetsbaarheden en een moeilijke jeugd heeft gehad, zijn er aanwijzingen dat zij op het moment van het delict voldoende bewustzijn had van haar omgeving en de gevolgen van haar handelen. De recidivekans wordt door zowel de psychiater als de psycholoog als laag ingeschat.
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een vrijheidsbeneming met zich brengt.
Echter, bij de bepaling van de strafmaat houdt het Gerecht rekening met de gedeeltelijke vrijspraak ten aanzien van feit 2 primair, alsmede met de beperkte rol die de verdachte binnen het geheel van de gebeurtenissen heeft vervuld. Deze omstandigheden leiden ertoe dat een lagere straf zal worden opgelegd dan door de officier van justitie is geëist.
Bij de strafoplegging houdt het Gerecht mede rekening met de leeftijd van de verdachte ten tijde van het delict. De verdachte was destijds relatief jong, namelijk 21 jaar oud.
Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20 en 1:21 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 primair en subsidiair ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 30 (dertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. O.H.M. Leito, griffier, en op 26 februari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.