ECLI:NL:OGEAC:2025:306

ECLI:NL:OGEAC:2025:306

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 31-01-2025
Datum publicatie 05-02-2026
Zaaknummer 555.00228/24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Poging doodslag, vuurwapen

Uitspraak

Parketnummer: 555.00228/24

Uitspraak : 31 januari 2025 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2025. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.N. Zahedi, advocaat in Curaçao.

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich bij monde van mevrouw E. Snijders, medewerkster slachtofferhulp, ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.

De officier van justitie, mr. K. Hara, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

Haar vordering behelst voorts de toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen tot een bedrag van telkens NAf 7.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente, de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in hetgeen zij overigens hebben gevorderd en de oplegging van een bij de toewijsbare vordering behorende schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft primair bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd. Tot slot heeft hij bepleit dat de vorderingen van de benadeelde partijen zullen worden afgewezen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting ten laste gelegd dat:

FEIT 1

PRIMAIR. POGING DOODSLAG

hij op of omstreeks 21 September 2024 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen een of meerdere keren op en/of in de richting van het lichaam van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] heeft geschoten, waarbij die [benadeelde partij 1] in zijn (boven)been en/of (rechter)(boven)arm is geraakt, en/of die [benadeelde partij 2], in zijn nek is geraakt, ten gevolge waarvan die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden terwijl de uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 2:259 jo 1:119 Wetboek van Strafrecht)

SUBSIDIAIR. POGING ZWARE MISHANDELING

hij op of omstreeks 21 September 2024, te Curaçao, aan een of meerdere persoon, te weten [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten; die [benadeelde partij 1] een schotwond(en) aan de (boven)been en/of een schaafwond(en) aan zijn (rechter)(boven)arm en/of die [benadeelde partij 2] een schotwond aan zijn nek, heeft toegebracht, door opzettelijk met een (geladen) vuurwapen op die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] heeft gericht en/of gericht gehouden en/of een of meerdere keren op en/of in de richting van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] heeft geschoten, waarbij die [benadeelde partij 1] in zijn (boven)been en/of (rechter)(boven)arm is geraakt, en/of die [benadeelde partij 2], in zijn nek is geraakt, terwijl de uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 2:275/276 jo 1:119 Wetboek van Strafrecht)

MEER SUBSIDIAIR. ZWARE MISHANDELING MET EEN WAPEN

hij op of omstreeks 21 September 2024 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend en/of met gebruikmaking van een (vuur)wapen, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wapenverordening 1931, te weten een (zwart/bruingekleurde) revolver en/of vuurwapen, [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] opzettelijk een of meerdere keren op en/of in de richting van het lichaam van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] heeft geschoten, ten gevolge waarvan die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond(en) aan de (boven)been van die [benadeelde partij 1] en/of een schaafwond(en) aan de (rechter)(boven)arm van die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2] een schotwond aan zijn nek, in elk geval letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 2:273/274 Wetboek van Strafrecht)

FEIT 2

VUURWAPENBEZIT

hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 21 september 2024, te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten een vuurwapen (van het merk [vuurwapenmerk/model], kaliber .22 LR en voorzien van het serienummer [serienummer]), althans een soortgelijk voor bedreiging en/of afdreiging geschikt voorwerp, en/of munitie(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten: 5 scherpe patronen van het kaliber .22 LR voorzien van de bodemstempel “[stempel]”, 3 hulzen van het kaliber .22 LR voorzien van de bodemstempel “[stempel]” en een 1 huls van het kaliber .22 LR voorzien van de bodemstempel “[stempel]”, voorhanden heeft gehad;

(artikel 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening 1930)

Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Partiele vrijspraak ten aanzien van de aangever [benadeelde partij 1]

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de poging tot doodslag kan worden bewezen. Door op zowel [benadeelde partij 1] als [benadeelde partij 2] (de aangevers) met een vuurwapen te hebben geschoten, waaraan zij flink letsel hebben overgehouden en pijn hebben ondervonden, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangevers hierdoor zouden komen te overlijden.

Het Gerecht overweegt als volgt.

De verdachte wordt onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair verweten dat hij op 21 september 2024 een poging tot doodslag, poging tot zware mishandeling en zware mishandeling met een wapen heeft begaan door op onder meer de aangever [benadeelde partij 1] te hebben geschoten.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat [benadeelde partij 1] in zijn aangifte heeft verklaard een schaafwond aan zijn rechterbovenarm en rechterborst te hebben opgelopen ten gevolge van een door de verdachte gelost schot, waarbij zijn shirt door de kogel zou zijn verbrand. Echter, uit de overgelegde medische verklaring blijkt niet dat sprake is van enig letsel dat kan worden toegeschreven aan een kogel of schotwond. Bovendien blijkt dit evenmin uit de overige stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting. Evenmin is er bewijs dat zijn shirt verbrand was.

Daarnaast is vastgesteld dat de aangever [benadeelde partij 1] een gebroken enkel heeft opgelopen. Uit diens eigen verklaring volgt echter dat dit letsel niet het gevolg is van een kogel, maar van een door hem gedane vreemde manoeuvre. Dit wordt bevestigd door de medische verklaring, waaruit niet blijkt dat er tekenen zijn van een kogelverwonding in de enkel.

De verklaring van [benadeelde partij 1] dat de verdachte gericht heeft geschoten vindt geen steun in het dossier. Dit geldt temeer nu de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft verklaard dat hij tijdens de worsteling met de aangever [benadeelde partij 1] uitsluitend in de lucht heeft geschoten. Nu er geen objectieve aanwijzingen zijn dat de aangever [benadeelde partij 1] letsel heeft opgelopen door een gericht schot van de verdachte dan wel dat de verdachte anderszins een schot heeft gelost in de richting van de aangever [benadeelde partij 1], ontbreekt het bewijs dat de verdachte heeft gehandeld met (voorwaardelijk) opzet op de dood of zware mishandeling (met een wapen) van de aangever [benadeelde partij 1].

Op grond van het voorgaande acht het Gerecht het onder feit 1 ten laste gelegde, voor zover het de aangever [benadeelde partij 1] betreft, niet wettig en overtuigend bewezen.

De verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde, voor zover dit betrekking heeft op [benadeelde partij 1].

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de (overigens) onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 primair, poging doodslag

hij op of omstreeks 21 september 2024 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen een of meerdere keer op en/of in de richting van het lichaam van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] heeft geschoten, waarbij die [benadeelde partij 1] in zijn (boven)been en/of (rechter)(boven)arm is geraakt, en/of die [benadeelde partij 2], in zijn nek is geraakt, ten gevolge waarvan die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden, terwijl de uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), voorgenomen misdrijf niet is voltooid.;

Feit 2 vuurwapenbezit

1. [benadeelde partij 2] deed op 15 oktober 2024 aangifte van poging doodslag. Hij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:

2. Een geneeskundige verklaring betreffende [benadeelde partij 2] op 7 november 2024 opgemaakt en ondertekend door de geneeskundige [geneeskundige], voor zover inhoudende als zijn/haar verklaring:

3. De getuige [getuige 1] werd op 22 september 2024 omstreeks 02:15 uur verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:

4. De getuige [getuige 1] werd op 24 september 2024 omstreeks 12:30 uur verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:

5. Het vuurwapen werd op 24 september 2024 door de verbalisant [verbalisant 1] in beslag genomen. Hij heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:

6. Bij proces-verbaal, opgemaakt op 24 oktober 2024, heeft de verbalisant [verbalisant 3] – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:

hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 21 september 2024, te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten een vuurwapen (van het merk [vuurwapenmerk/model], kaliber .22 LR en voorzien van het serienummer [serienummer]), althans een soortgelijk voor bedreiging en/of afdreiging geschikt voorwerp, en/of munitie(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten: 5 scherpe patronen van het kaliber .22 LR voorzien van de bodemstempel “[stempel]”, 3 hulzen van het kaliber .22 LR voorzien van de bodemstempel “[stempel]” en een 1 huls van het kaliber .22 LR voorzien van de bodemstempel “[stempel]”, zijnde een vuurwapen en munitie in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.;

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn omwille van de leesbaarheid in de bewezenverklaring (cursief) verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.

“(…) Op 21 september 2024 werd ik door een man beschoten. (…) Ik zal met medische complicaties blijven. De kogel kon niet verwijderd worden. Deze zit nog vast in mijn nek. Ik moet ermee leven. (…) Er zijn twee dingen, als ze proberen om het te verwijderen kan ik of verlamd raken of doodgaan. (…)”

“Schotverwonding hals, met letsel van het vitale orgaan “arteria carotis communis” waarvoor primair herstel. Medisch ingrijpen, bestaande uit een operatie en herstel van de slagader, is noodzakelijk. (…)”

“(…) Het vuurwapen was een zwarte revolver. Het handvat was bruin. (…)”

“(…) [getuige 2] had gezegd dat hij op de hoogte werd gesteld dat ze het vuurwapen in de brievenbus hadden gezet. (…) Toen liep ik naar de brievenbus en had het daar in een plastic zakje aangetroffen. (…)”

“(…) Heden om 13:51 uur begaf ik mij samen met collega [verbalisant 2] naar het perceel [adres]. Aldaar overhandigde [getuige 1] aan mij een op ijzer gelijkend voorwerp, opgerold in witte plastic. (…) Het voorwerp bleek een zwarte revolver te zijn met een houten handvat van het merk en model [vuurwapenmodel] serienummer [serienummer], kaliber .22. De cilinder was voorzien van negen (9) munitie, waarvan vijf (5) scherpe patronen en 4 hulzen. (…)

“(…) De in beslag genomen revolver is van het merk [vuurwapenmerk/model], kaliber .22 LR en voorzien van het serienummer [serienummer]. Tevens werden vijf (5) scherpe patronen van het kaliber .22 LR voorzien van de bodemstempel “[stempel]”, drie (3) hulzen van het kaliber .22 LR voorzien van de bodemstempel “[stempel]” en een (1) huls van het kaliber .22 LR voorzien van de bodemstempel “[stempel]”, voor onderzoek aangeboden. (…)

Conclusie

7. De verdachte heeft ter terechtzitting het volgende verklaard:

“(…) Ik heb twee keren in de lucht geschoten, bij het derde schot werd mijn hand weggehaald en bij het vierde schot was het vuurwapen gericht tegen het hoofd van de aangever (het Gerecht begrijpt: [benadeelde partij 2]). Ik wilde hem niet doden, maar hem alleen schampen met de kogel. Toen richtte ik het vuurwapen in zijn nek. (…)”

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte (ook) van het (overigens) onder 1 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier niet volgt dat de verdachte de aangever [benadeelde partij 2] heeft benaderd met het opzet om hem te doden. De verdachte liep juist weg. Hij werd door de broer van de aangever [benadeelde partij 2] en vervolgens door de aangever [benadeelde partij 2] geslagen en gewurgd. De klap die de verdachte heeft gekregen was zo hard dat die op de camerabeelden aan de overkant bij Supermarkt 2000 was te horen. Zo’n stoot op het hoofd met een dergelijke kracht is al voldoende om iemand te doden. De verdachte was op dat moment niet in een situatie waarvan gezegd kan worden dat hij (voorwaardelijk) opzet heeft gehad toen hij de schoten loste.

Het Gerecht overweegt als volgt.

De verdachte wordt onder feit 1 primair verweten dat hij een poging tot doodslag heeft gepleegd door de aangever [benadeelde partij 2] op korte afstand in diens nek/hals, een vitaal lichaamsdeel, te hebben geschoten. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de kogel de aangever [benadeelde partij 2] in de “arteria carotis communis” heeft geraakt, een slagader, een vitaal orgaan. Het is een algemeen bekend feit dat een schot in dit orgaan een aanmerkelijke kans op de dood als gevolg kan hebben.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet de intentie had om de aangever [benadeelde partij 2] te doden, maar slechts om hem te "schampen". Deze verklaring acht het Gerecht niet aannemelijk en deze doet niet af aan de vaststelling dat de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever [benadeelde partij 2] heeft aanvaard. Het gericht schieten in de nek/hals van de aangever [benadeelde partij 2], zeker vanaf korte afstand, is naar zijn aard zo gevaarlijk dat het de dood van deze aangever, minst genomen, zeer waarschijnlijk maakt. Er is niets in het dossier dat erop wijst dat de verdachte getraind is in het gebruik van vuurwapens of beschikt over zodanige expertise dat hij een schampschot opzettelijk had kunnen veroorzaken zonder levensgevaarlijke risico’s. Het gericht schieten op een vitaal lichaamsdeel, zonder dat de verdachte een getrainde schutter is, getuigt juist van zeer onzorgvuldig en roekeloos handelen. Hiermee heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever [benadeelde partij 2] aanvaard, hetgeen voldoende is om op z’n minst voorwaardelijk opzet op de dood van de aangever [benadeelde partij 2] aan te nemen. Dat de aangever [benadeelde partij 2] niet is overleden of zwaarder gewond is geraakt, is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte is te wijten.

Op grond van het voorgaande acht het Gerecht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag.

Het verweer wordt verworpen.

Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van de verdachte, acht het Gerecht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat hij een verboden vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

Verweren ten aanzien van de strafbaarheid

De raadsman heeft subsidiair bepleit dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvolging omdat er sprake is van noodweer (zo begrijpt het Gerecht:), dan wel noodweerexces. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte – toen hij door de aangever [benadeelde partij 1] werd aangevallen en laatstgenoemde de verdachte een harde klap had gegeven (de aanranding) – in een noodweersituatie was beland. Daarbij was zijn verdedigingshandeling proportioneel. Voor zover verdachtes verdedigingshandeling de grenzen van de proportionaliteit of subsidiariteit heeft overschreden, moet er sprake zijn van dubbele causaliteit. Er is in casu sprake van een hevige gemoedsbeweging, terwijl die gemoedsbeweging het gevolg is geweest van de aanranding, waardoor de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, aldus nog steeds de raadsman.

Het Gerecht overweegt als volgt.

Noodweer

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf, eerbaarheid of goed (of van een ander) tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. In het vereiste dat de gedraging door de noodzakelijke verdediging geboden dient te zijn, worden zowel de subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze vereisten hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging in redelijke verhouding tot de wijze van aanranding stond.

Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van het Gerecht genoegzaam komen vast te staan dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Volgens de verklaring van de verdachte was hij samen met zijn ouders bij het restaurant 2000. Op een gegeven moment kwam een Dominicaanse vrouw die hij onder de naam [betrokkene 1] kent, met hem praten. Daarbij werd een voor hem onbekende man jaloers. Deze man zei tegen hem dat hij niet wil dat hij met [betrokkene 1] praat, daar [betrokkene 1] zijn ex en zijn vrouw is. Vervolgens kwam een vriend van hem ter plekke (uit de aangifte van [benadeelde partij 2] blijkt deze persoon zijn broer, zijnde [benadeelde partij 1], te zijn) en begon hij de verdachte en diens moeder uit te schelden. Vervolgens zei hij tegen de verdachte: “doe wat je niet laten kan”. De verdachte draaide zich om en begon weg te lopen. Hij werd ineens door [benadeelde partij 1] in een wurggreep vastgepakt. De verdachte haalde vervolgens een vuurwapen dat hij bij zich had tevoorschijn en loste een schot in de lucht. Vervolgens loste hij een tweede schot, daar deze man hem in de nekgreep had. Toen viel hij op de grond en voelde dat hij geen adem kon halen. Hij raakte in paniek en loste een tweede schot. Toen hij de schoten loste, was hij nog steeds in de greep van deze man ([benadeelde partij 1]). Vervolgens werd hij ook door de andere man, zijnde de ex van [betrokkene 1] ([benadeelde partij 2]), vastgehouden; ook hij greep hem in een nekgreep. Zijn hand was al op de trekker waardoor het schot afging. Toen werd hij door hen losgelaten.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat toen hij met [betrokkene 1] is gaan praten een man op hem af kwam lopen en tegen hem gezegd heeft dat hij niet met [betrokkene 1] kon praten. Ze waren aan het discussiëren. Hij liep weg. Op dat moment gaf een man hem een krachtige oorveeg. Hij werd gewurgd en viel vervolgens op de grond. Hij had toen geschoten. Vervolgens kwam de andere man (het Gerecht begrijpt de aangever [benadeelde partij 2]) hem wurgen.

Naar het oordeel van het Gerecht biedt het dossier voldoende aanknopingspunten voor de verklaringen van de verdachte. Zo heeft de aangever [benadeelde partij 1] verklaard dat toen hij vanaf het terras van de snack 2000 naar buiten liep, hij hoorde en zag dat zijn broer [benadeelde partij 2] in een handgemeen was met een man. [betrokkene 1], de vriendin van zijn broer, deelde hem mede dat zijn broer problemen had met de verdachte. Toen hij naar de verdachte toeliep en hem confronteerde ontstond er een woordenwisseling tussen hen die tot een handgemeen uitliep. Zij begonnen te worstelen en kwamen op een gegeven moment op de grond terecht. Tijdens de worsteling had de verdachte een vuurwapen in diens hand. Hij had – terwijl de aangever [benadeelde partij 1] zijn hand vasthield – drie schoten gelost. Toen hij wegrende, zag hij dat zijn broer ([benadeelde partij 2]) op de man (de verdachte) afging. Dat was volgens hem het moment waarop de verdachte zijn broer in de nek had geschoten. Van zijn vrienden had hij vernomen dat zijn broer, toen hij zag dat hij ([benadeelde partij 1]) viel, dacht dat hij gewond was, hij op de verdachte was afgegaan.

Ook de verklaring van [getuige 2] biedt voldoende aanknopingspunten voor de verklaringen van de verdachte. Tijdens het verhoor van 18 december 2024 verklaarde [getuige 2] dat hij op 21 september 2024 samen met de moeder van de verdachte en de verdachte bij het restaurant 2000 was. De moeder van de verdachte en de verdachte zijn op een gegeven moment naar het restaurant gegaan om ijs (het Gerecht begrijpt ijsklontjes) te kopen. Hij zag dat een Spaanssprekend meisje met de moeder en de verdachte was gaan praten. Vervolgens liep een man in het wit naar hun toe. Er ontstond een discussie waarna de man in het wit met het meisje wegliep. Toen de moeder van de verdachte voor de tweede keer ijs is gaan kopen, ging het Spaanssprekend meisje met haar praten. De man in het wit liep weer naar hun toe. Op een gegeven moment zag hij dat de man zijn hand zwaaide en dat de bril van de moeder van de verdachte op de grond viel. [getuige 2] en de verdachte zijn vervolgens gaan kijken wat er gaande was. Daarbij ontstond er een discussie tussen de man (in het wit) en de verdachte. [getuige 2] hoorde de man tegen de verdachte zeggen: “Mi ta vloer bo” (vertaling: “Ik ga je neerleggen”). Vervolgens nam de verdachte de autosleutel van zijn moeder en liep weg. Toen [getuige 2] zich omkeerde om tegen de moeder van de verdachte te zeggen om ook vandaar weg te gaan, hoorde hij een knal. Toen hij zich omkeerde om te kijken wat er gaande was, zag hij dat de man in het wit al op de verdachte stond en met hem aan het worstelen was.

Ook de aangever [benadeelde partij 2] heeft verklaard op 21 september 2024 te 2000 een discussie met de verdachte te hebben gehad, waarna zijn broer ([benadeelde partij 1]) naar de verdachte toe is gegaan om hem te zeggen dat hij, de verdachte, daar niet welkom was. Op dat moment begon de verdachte met zijn broer te vechten waarna hij een knal hoorde. Hij dacht dat zijn broer werd bekogeld en ging naar aanleiding daarvan naar de verdachte toe.”

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het Gerecht aannemelijk geworden dat de verdachte zich in een situatie bevond waarin hij werd geslagen en gewurgd. Er kan daarom worden aangenomen dat er op enig moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.

Het Gerecht acht aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een dynamische situatie waarbij ook de aangever [benadeelde partij 2] zich niet onbetuigd heeft gelaten. Dat de verdachte in de gegeven situatie niet anders kon of behoefde te handelen dan hij heeft gedaan, volgt het Gerecht echter niet. Zo blijkt uit het dossier niet dat de verdachte heeft geprobeerd om zich op een minder ingrijpende wijze te onttrekken aan de aanranding, bijvoorbeeld hulp in te roepen of op een andere wijze de aanval af te wenden. Het feit dat de verdachte een vuurwapen tevoorschijn heeft gehaald en gericht in de nek van de aangever [benadeelde partij 2] heeft geschoten, wijst erop dat hij in die situatie niet de minst ingrijpende verdedigende handeling heeft gebruikt.

Vastgesteld kan worden dat de verdachte tijdens de worsteling met een doorgeladen vuurwapen een schot heeft gelost in de richting van de – ongewapende – aangever. De aangever [benadeelde partij 2] is door die kogel geraakt in een vitaal lichaamsdeel, namelijk de “arteria carotis communis”. Deze omstandigheid leidt naar het oordeel van het Gerecht tot de conclusie dat de verdachte een verdedigingsmiddel ter hand heeft genomen en dit op een wijze heeft aangewend, welke in de gegeven situatie niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding en dat het handelen van de verdachte aldus disproportioneel is geweest. Het handelen van de verdachte kan daarom niet als gerechtvaardigd worden aangemerkt.

Het beroep op noodweer faalt derhalve.

Noodweerexces

Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is vereist dat de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die moet zijn veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding. Bij de beantwoording van de vraag of voormelde overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van die gemoedsbeweging komt betekenis toe aan de mate waarin door de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.

Het Gerecht acht aannemelijk geworden dat de aangever [benadeelde partij 2] de confrontatie met de verdachte is aangegaan, welke confrontatie is geëscaleerd in een worsteling, eerst tussen de verdachte en de broer van de aangever [benadeelde partij 2] en vervolgens tussen de verdachte en deze aangever, waarbij de verdachte meermalen schoten heeft gelost.

De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaard in welke gemoedstoestand hij zich heeft bevonden ten tijde van de worsteling en het lossen van de schoten: hij was in paniek geraakt.

Het Gerecht acht het, gelet op de door de aangevers [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] met de verdachte gezochte confrontatie, alsmede de daaropvolgende worsteling tussen de verdachte en [benadeelde partij 1] en vervolgens tussen de verdachte en [benadeelde partij 2], aannemelijk dat de verdachte zich in een gemoedstoestand bevond die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding van zijn persoon. Dat de intensiteit van deze gemoedsbeweging dusdanig was dat de verdachte verontschuldigbaar kon handelen zoals hij heeft gedaan, acht het Gerecht evenwel niet aannemelijk geworden. De verdachte heeft hierover weinig tot niets concreets verklaard.

Het Gerecht acht de mate waarin de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, te weten het op korte afstand afvuren van een kogel in de richting van de ongewapende aangever [benadeelde partij 2], waarbij deze aangever op een levensbedreigende manier is geraakt, dusdanig vergaand, dat hem een geslaagd beroep op noodweerexces niet toekomt.

Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte dusdanig in paniek of onder invloed van een gemoedsbeweging was, dat hij geen (andere) keuzes meer kon maken dan in de richting van de ongewapende aangever [benadeelde partij 2] te schieten. In dit verband acht het Gerecht van belang dat de verdachte in de dynamische situatie heeft overwogen – aldus de verdachte: teneinde de aangever niet dood te schieten – het vuurwapen in de nek van de aangever [benadeelde partij 2] te richten en te schieten. Dit duidt op enig besef van keuze en intentie.

Ook het beroep op noodweerexces wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:259 juncto artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 3, eerste lid juncto artikel 11 van de Vuurwapenverordening 1930. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een “poging doodslag met vuurwapen” (waarbij er sprake is geweest van schieten in de richting van een persoon en zwaar letsel), als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6-8 jaren gegeven.

In dit geval heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Bij een ruzie bij een druk bezocht(e) snack/barrestaurant aan de openbare weg heeft de verdachte een gericht schot op de aangever [benadeelde partij 2] gelost. Hij heeft de aangever daardoor potentieel dodelijk letsel toegebracht. De aangever [benadeelde partij 2] mag van geluk spreken dat hij niet dodelijk is getroffen. Dit ernstige geweld van de verdachte tegen [benadeelde partij 2] is een grote inbreuk op diens lichamelijke integriteit en gezondheid. Het Gerecht acht het zeer ernstig en zorgelijk dat verdachte tot dit extreme geweld is overgegaan. Anderen hebben van dit alles getuige moeten zijn, wat een zeer schokkende ervaring moet zijn geweest. Dit soort geweld brengt ook in de samenleving angst en diepe gevoelens van onveiligheid teweeg. Voorts brengt het verboden en ongecontroleerde bezit van een vuurwapen en munitie een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en vormt een inbreuk op de rechtsorde. Het Gerecht rekent de verdachte deze feiten ernstig aan.

Als reactie op dit misdrijf is de oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Het Gerecht houdt rekening met de omstandigheid dat de verdachte blijkens zijn documentatie niet eerder is veroordeeld. Het Gerecht houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

Het Gerecht acht, na dit een en ander te hebben afgewogen, dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf van na te melden duur. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

In beslag genomen voorwerpen

Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven vuurwapen en munitie.

Het vuurwapen en de munitie zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Met behulp van deze voorwerpen zijn de bewezenverklaarde feiten begaan. Bovendien is het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd met de wet en/of het algemeen belang.

Het Gerecht zal voormelde voorwerpen daarom onttrekken aan het verkeer.

Schadevergoeding

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. [benadeelde partij 1] vordert een totaal bedrag van NAf 13.227,77. [benadeelde partij 2] vordert een totaal bedrag van NAf 26.916,83.

De vordering van [benadeelde partij 1] is als volgt opgebouwd:

De vordering van [benadeelde partij 2] is als volgt opgebouwd:

De verdediging heeft de vorderingen betwist. De raadsman heeft aangevoerd dat de schade aan de enkel van [benadeelde partij 1] niet het gevolg is van het schieten door de verdachte, maar van het vechtincident tussen die twee. Daarnaast stelt de raadsman dat de schade aan de telefoon van [benadeelde partij 2] evenmin het resultaat is van het schieten door de verdachte.

Met betrekking tot de vordering van [benadeelde partij 1]

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ziet op het onder feit 1 jegens hem ten laste gelegde handelen, waarvan de verdachte zal worden vrijgesproken. Gelet op deze vrijspraak kan de gevorderde schade niet worden toegerekend aan het verboden vuurwapenbezit als zodanig, waarvoor de verdachte wel zal worden veroordeeld, aangezien de gevorderde schade niet in verband staat tot dit strafbare feit.

Nu het Gerecht de verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt, kan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet in zijn vordering worden ontvangen.

Met betrekking tot de vordering van [benadeelde partij 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van NAf 7.500,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het Gerecht is met betrekking tot de gevorderde materiële schadevergoeding van oordeel dat de gevorderde loonderving onvoldoende is onderbouwd met verifieerbare bescheiden. Ten aanzien van de telefoon overweegt het Gerecht dat uit het dossier niet is gebleken dat deze vanwege deze strafbare feiten is vernield. De benadeelde partij [benadeelde partij 2] kan bij deze stand van zaken in zoverre niet worden ontvangen in de vordering en dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het Gerecht ziet aanleiding een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen.

Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.

De proceskosten van de benadeelde partij zullen ten laste van de verdachte worden gebracht. Tot op heden zijn die proceskosten begroot op nihil

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:78 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 5 (vijf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een revolver van het merk [vuurwapenmerk/model], kaliber .22 LR en voorzien van het serienummer [serienummer] en de vijf (5) scherpe patronen van het kaliber .22 LR voorzien van de bodemstempel “[stempel]”, drie (3) hulzen van het kaliber .22 LR voorzien van de bodemstempel “[stempel]” en een (1) huls van het kaliber .22 LR voorzien van de bodemstempel “[stempel]”;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 7.500,- (zegge: zevenduizendvijfhonderd gulden en 00/00 cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2];

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 7.500,- (zegge: zevenduizendvijfhonderd gulden en 00/00 cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 72 (tweeënzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. O.H.M. Leito, (zittings)griffier, en op 31 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?