GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak
in het geding tussen:
[naam eiser],wonende in Curaçao,
eiser,procederende in persoon,
en
de vakbond Sindikato Transporte Optimalisá (STO), gevestigd in Curaçao,eiser,
gemachtigde: [eiser],
hierna gezamenlijk: eisers,
en
de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning,
verweerder,
gemachtigde: mr. G.N. Hollander,
hierna: de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eisers tegen de beslissing van de minister om aan [eiser] geen hulpbestuurderskaart te verlenen voor het optreden als hulpbestuurder voor een toerwagenvergunninghouder.
[Eiser] heeft de minister op 1 maart 2023 verzocht om aan hem een hulpbestuurderskaart te verlenen. Tegen het uitblijven van een beslissing op dit verzoek hebben eisers op 14 mei 2024 beroep ingesteld bij het Gerecht.
De minister heeft op 8 augustus 2024 alsnog een beslissing genomen op het verzoek van [eiser] en dit verzoek afgewezen.
Op grond van artikel 9c, eerste lid, van de Lar heeft het beroep tegen het uitblijven van beslissing op het verzoek mede betrekking op de afwijzende beslissing op dit verzoek.
Op 8 november 2024 hebben eisers gronden ingediend tegen de afwijzende beslissing van de minister.
De minister heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd.
Het Gerecht heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. [Eiser] was aanwezig. STO heeft zich laten vertegenwoordigen door [eiser]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Hollander.
Beoordeling door het Gerecht
Nu de minister alsnog heeft beslist op het verzoek van [eiser], is het belang bij een beoordeling van het beroep tegen het uitblijven van een beslissing vervallen. Het Gerecht zal het beroep in zoverre nietontvankelijk verklaren.
Het Gerecht merkt ook STO aan als rechtstreeks belanghebbende bij de afwijzende beschikking van de minister. Het Gerecht verklaart het beroep van [eiser] en STO tegen deze afwijzende beschikking ongegrond. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de Landsverordening personenvervoer (A.B. 1969 no. 23 zoals gewijzigd, hierna: de landsverordening) geen grondslag biedt voor het verlenen van een hulpbestuurderskaart aan bestuurders van toerwagens.
Hierna legt het Gerecht dit oordeel uit.
Is STO rechtstreeks belanghebbende bij de afwijzende beschikking?
3. [Eiser] heeft beroep ingesteld, zowel namens zichzelf als namens STO. De afwijzende beschikking van de minister is echter uitsluitend aan [eiser] gericht. Het Gerecht moet daarom ambtshalve beoordelen of STO als belanghebbende bij de afwijzende beschikking kan worden aangemerkt. Hierbij is bepalend of de belangen van STO rechtstreeks door de afwijzende beschikking worden geraakt of slechts zijn afgeleid van de belangen van [eiser].
Naar het oordeel van het Gerecht wordt het belang van STO rechtstreeks door de bestreden beschikking geraakt. Uit de statuten blijkt dat STO de belangen behartigt van personen werkzaam in de transportsector, waaronder leden die actief zijn in het segment waarop de beschikking ziet: bestuurders van toerwagens. De afwijzende beschikking bevat een uitleg van de wet, die ertoe leidt dat het besturen van een toerwagen niet vergunningplichtig wordt geacht. Die uitleg beperkt zich niet tot de situatie van [eiser], maar heeft naar zijn aard ook gevolgen voor een bredere groep chauffeurs. De beschikking raakt daarmee rechtstreeks de collectieve belangen waarvoor STO opkomt en niet slechts indirect via het belang van [eiser]. Het Gerecht concludeert daarom dat STO in deze procedure als belanghebbende in de zin van de Lar moet worden aangemerkt.
Waarom heeft de minister het verzoek van [eiser] afgewezen?
4. De landsverordening biedt geen juridische grondslag voor het afgeven van hulpbestuurderskaarten voor toerwagens. Artikel 12b van deze landsverordening bepaalt dat een vergunninghouder uitsluitend een overeenkomst mag sluiten met een hulpbestuurder die is ingeschreven in het register. Dit vereiste geldt echter alleen voor de exploitatie van kleine, middelgrote en grote autobussen, en taxi’s. Toerwagens vallen buiten deze categorieën. Omdat de wet geen grondslag biedt voor vergunningverlening aan hulpbestuurders van toerwagens, heeft de minister het verzoek van [eiser] afgewezen.
Wat voeren eisers daartegen aan en wat vindt het Gerecht?
5. [ Eiser] heeft ter zitting toegelicht dat hij erkent dat de landsverordening geen wettelijke grondslag biedt voor het verlenen van vergunningen aan hulpbestuurders van toerwagens. Volgens eisers ligt het probleem niet in de inhoud van de afwijzende beschikking, maar in de feitelijke handelwijze van de politie en de minister. Zo voert de politie volgens hen ten onrechte controles uit op het bezit van hulpbestuurderskaarten bij bestuurders van toerwagens. [Eiser] is zelf gecontroleerd en, vanwege het ontbreken van zo’n kaart, niet meer door zijn werkgever ingezet als chauffeur. Daarnaast wijzen eisers erop dat in het verleden stempels zijn geplaatst op vergunningen die bestemd waren voor andere categorieën motorvoertuigen, waarna deze als vergunningen voor toerwagens zijn uitgegeven. Ter zitting hebben eisers voorbeelden van dit soort kaarten laten zien. Bestuurders hebben voor dergelijke kaarten kosten moeten maken, terwijl daarvoor geen wettelijke grondslag bestond. Eisers verzoeken de minister daarom te stoppen met het afgeven van dergelijke vergunningen en de politie te laten afzien van onrechtmatige controles.
6. Het betoog van eisers geeft het Gerecht geen aanleiding om de afwijzende beschikking te vernietigen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de landsverordening geen grondslag biedt voor het verlenen van een hulpbestuurderskaart aan bestuurders van toerwagens. Eisers erkennen ook zelf dat deze uitleg juridisch juist is. Dat in het verleden mogelijk ten onrechte kaarten zijn uitgegeven, vormt geen grond om nu in strijd met de wet alsnog een vergunning aan [eiser] te verlenen. Het Gerecht zal de beschikking dan ook in stand laten.
7. Voor zover eisers met hun beroep aandacht vragen voor misstanden in de praktijk – zoals het uitvoeren van controles door de politie of het in het verleden afgeven van onrechtmatige vergunningen – merkt het Gerecht op dat dit buiten de reikwijdte van deze procedure valt. De bestuursrechter kan in een beroepsprocedure namelijk uitsluitend oordelen over een beschikking, of een weigering die daaraan gelijk kan worden gesteld. Aangezien de genoemde handelingen geen beschikkingen betreffen, is het Gerecht in zoverre niet bevoegd om daarover te oordelen.
8. Dit betekent niet dat eisers de gestelde misstanden tevergeefs aan de orde hebben gesteld. Namens de minister is ter zitting toegezegd dat actie zal worden ondernomen om herhaling in de toekomst te voorkomen. Na de zitting heeft het Gerecht een e-mail ontvangen van de gemachtigde van de minister, waarin zij meedeelt dat de bijgevoegde informatiebrief – waarin staat dat geen wettelijke grondslag bestaat voor vergunningverlening aan bestuurders van toerwagens – aan alle vergunninghouders van toerwagens is verzonden. Deze brief zal binnenkort ook aan het Korps Politie Curaçao (KPC) worden gestuurd. De gemachtigde van de minister verwacht daarnaast op korte termijn een persbericht te ontvangen over dit onderwerp dat – na accordering door de minister – zal worden gepubliceerd.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep van eisers voor zover dat is gericht tegen het uitblijven van een beslissing is niet-ontvankelijk. De beroepsgronden van eisers tegen de beslissing van de minister slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de bestreden beschikking in stand blijft.
10. Eisers hebben terecht beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op de aanvraag van 1 maart 2023. Het Gerecht is echter niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten aan de zijde van eisers. Wel zal het Gerecht bepalen dat de minister het door eisers betaalde griffierecht ter hoogte van Cg 150,- aan hen moet vergoeden.
Beslissing
Het Gerecht:
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2025, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.